|
Uitspraak
98/6678
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 24 oktober 1996 heeft appellant aan gedaagde medegedeeld
dat hij met ingang van het eerste kwartaal van 1997 geen recht heeft op
kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ten behoeve
van de kinderen C, D en E.
Bij beslissing op bezwaar van 16 mei 1997, het thans bestreden besluit,
is het bezwaar tegen eerdergenoemd besluit ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 22
juli 1998 het tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en
dat besluit vernietigd met veroordeling van appellant in de proceskosten
en tot vergoeding van het griffierecht.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend
beroepschrift aangevoerde gronden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 2 februari
2000, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr J.S.
Bartstra en C.J. Siemerink, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank en
waar gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft tot het eerste kwartaal van 1997 kinderbijslag ontvangen
voor de in Ghana verblijvende kinderen C, D en E, geboren op
respectievelijk in 1981, 1983 en 1985. Met de moeder van deze kinderen
is gedaagde nimmer gehuwd geweest.
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 24 oktober 1996 heeft
appellant aan gedaagde medegedeeld dat hij ingaande het eerste kwartaal
van 1997 geen recht heeft op kinderbijslag voor deze kinderen. Daarbij
heeft appellant verwezen naar het zogeheten Ghanabesluit AKW (Besluit
d.d.
22 maart 1996, goedgekeurd bij Besluit van het College van toezicht
sociale verzekeringen van 12 juni 1996, Stct. 115). In de Bijlage bij
dit besluit is onder meer het volgende gesteld:
"Indien kinderbijslag wordt aangevraagd door een man die aangeeft
tot het kind ten behoeve van wie hij de aanvraag doet krachtens Ghanees
recht in een familierechtelijke betrekking te staan, zal het
betreffende kind slechts als eigen kind van de aanvrager in de zin van
de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) worden aangemerkt voor zover dit
kind is geboren staande een wettelijk geregeld of daarmee gelijk te
stellen huwelijk tussen de aanvrager en de moeder van het kind.
(...)
Ten aanzien van de gevallen waarin reeds kinderbijslag is toegekend aan
een man die heeft aangegeven tot het betreffende kind als vader in een
familierechtelijke betrekking krachtens Ghanees recht te staan, zal voor
zover dit nog nodig is onderzocht gaan worden of het betreffende kind
werd geboren staande een wettelijk geregeld of daarmee gelijk te stellen
huwelijk.
Bij wijze van overgangsregeling zal evenwel voor de gevallen die bij de
toekenningsbeslissing niet zijn gewezen op de beperkte duur van de
toekenning in verband met het bepaalde in dit besluit, tot 1 januari
1997 het recht op kinderbijslag niet worden beëindigd vanwege de enkele
reden dat het bestaan van een huwelijk als hiervoor bedoeld niet kan
worden aangetoond."
Voorts is in de toelichting bij het Besluit omtrent de overgangsregeling
- onder meer - het volgende opgemerkt:
"Het gelijkheidsbeginsel brengt onder meer met zich mee dat
temporeel geen ongerechtvaardigde verschillen mogen bestaan in de
beoordeling van soortgelijke situaties. Er is daarom gekozen voor een in
de toekomst liggend moment vanaf welk alle gevallen op gelijke wijze
zullen worden beoordeeld op het "eigen kind"-criterium. Dit
"omslag"-moment is bepaald op 1 juli 1996 om alle bestaande
gevallen tijdig te kunnen informeren over het ten aanzien van hen te
starten heronderzoek en de eventuele gevolgen van de uitkomsten daarvan.
Hoewel ook de kinderbijslagrechten van de groep van de bestaande
gevallen per 1 juli 1996 in beginsel zullen worden vastgesteld
overeenkomstig het hiervoor bepaalde zal bij wijze van
overgangsregeling het niet voldoen aan het huwelijksvereiste tot 1
januari 1997 niet aan deze gerechtigden worden tegengeworpen. Op deze
wijze wordt voor laatstbedoelde groep de mogelijkheid geschapen om
gedurende ongeveer twee kwartalen te kunnen anticiperen op het
onvoorzien wegvallen van hun huidige kinderbijslagbetalingen."
De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, overwegende dat
gedaagde weliswaar niet aan het hiervoor genoemde huwelijksvereiste
voldoet, maar dat appellant zich, blijkens het hiervoor weergegeven
gedeelte uit de toelichting bij het Ghanabesluit, heeft verplicht om de
betrokkenen medio juni 1996 te informeren over de wijzigingen en hun
daarna nog ongeveer twee kwartalen te gunnen om zich voor te bereiden op
het wegvallen van de kinderbijslag, welke termijn appellant ten aanzien
van gedaagde niet in acht heeft genomen nu gedaagde eerst bij het
besluit van 24 oktober 1996 voor het eerst is geïnformeerd over die
wijzigingen.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Ghanabesluit op de
juiste wijze is bekendgemaakt en dat het persoonlijk aanschrijven van de
betrokkenen een nadere uitwerking was van dat besluit en zeker niet het
startpunt voor de periode van een half jaar om te kunnen anticiperen op
de gevolgen van het Ghanabesluit.
De Raad stelt voorop dat appellant zijn in het Ghanabesluit neergelegde
beleidsregels, mede gelet op het bepaalde in artikel 3:42 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb), op een juiste wijze heeft bekend
gemaakt door publicatie van dat besluit in de Staatscourant.
Anders dan de rechtbank vermag de Raad in de toelichting op het
Ghanabesluit geen verplichting te lezen voor appellant om de betrokken
kinderbijslaggerechtigden vóór 1 juli 1996 te informeren over hun
aanspraken op kinderbijslag, bij gebreke waarvan een langere
uitlooptermijn gehanteerd dient te worden. In de bijlage bij het
Ghanabesluit is immers voor de groep personen die reeds kinderbijslag
ontvingen, slechts bij wijze van overgangsregeling bepaald dat die
aanspraken tot 1 januari 1997 niet worden beëindigd. Voorts blijkt uit
de toelichting bij het Ghanabesluit dat, met het oog op de gelijke
behandeling van gelijke gevallen, gekozen is voor in de toekomst
liggende tijdstippen waarop het gepubliceerde beleid in alle gevallen op
gelijke wijze zal worden toegepast. Een beëindigingsdatum gekoppeld aan
het moment van informatieverstrekking is niet in overeenstemming met
deze toelichting.
Voorts vermeldt de toelichting enerzijds het voornemen alle betrokkenen
vóór 1 juli 1996 te informeren over het heronderzoek en de mogelijke
gevolgen daarvan en anderzijds de constatering dat - uitgaande van 1
januari 1997 als beëindigingsdatum - in beginsel een anticipatieperiode
van ongeveer twee kwartalen zal resteren. Het voornemen tot het tijdig
informeren van de betrokkenen is naar 's Raads oordeel niet gekoppeld
aan een nadien in acht te nemen anticipatieperiode van ongeveer twee
kwartalen. De Raad is derhalve van oordeel dat het bestreden besluit
niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand is gekomen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat de
aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak en verklaart het inleidend beroep
alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en mr.
T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1
maart 2000.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|