|
Uitspraak
98/4662
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 27 maart 1997 heeft gedaagde zijn besluit van 29
november 1996, strekkende tot weigering van kinderbijslag vanaf het
eerste kwartaal van 1996, gehandhaafd.
De Arrondissementsrechtbank te Almelo heeft het beroep tegen het besluit
van 27 maart 1997 ongegrond verklaard bij uitspraak van 13 mei 1998.
In hoger beroep heeft mr. R.A.J.M. Peeters Weem, advocaat te Hengelo,
gevorderd de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en appellante
alsnog kinderbijslag toe te kennen.
Gedaagde heeft bij brief van 21 december 1998 een verweerschrift
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 29 maart 2000.
Appellante is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Peeters
Weem, voornoemd. Gedaagde is verschenen bij gemachtigde A. van der Weerd,
werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante is in 1953 geboren in C. Zij is ongehuwd. Blijkens een door
het Volkscomité van haar woonplaats afgegeven "bewijs van afstand
en adoptie" van 16 maart 1992 heeft zij op die datum haar neef D,
geboren in 1982, naar Vietnamees recht geadopteerd. Op 18 februari 1993
is appellante naar Nederland gekomen, waar zij bij besluit van 19
januari 1995 als asielgerechtigde is toegelaten. Het kind D is in
Vietnam achtergebleven. Op 29 februari 1996 heeft appellante een
aanvraag om kinderbijslag voor D bij gedaagde ingediend. Deze aanvraag
is afgewezen op de grond dat D niet als eigen kind van appellante, in de
zin van artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), kan worden
aangemerkt. Dit besluit is in bezwaar en in beroep in eerste aanleg in
stand gelaten.
Naar aanleiding van het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank
overweegt de Raad als volgt.
Bij de toepassing van de AKW wordt een naar Nederlands recht geadopteerd
kind als een eigen kind in de zin van de AKW aangemerkt. Of een naar
buitenlands recht geadopteerd kind als zodanig kan worden aangemerkt,
hangt, zoals ook gedaagde en de rechtbank hebben overwogen, met name
hiervan af, of de vereisten voor en de rechtsgevolgen van die adoptie
met die naar Nederlands recht gelijk zijn te stellen.
Gedaagde heeft geoordeeld dat de Vietnamese adoptie op essentiële
punten afwijkt van de Nederlandse, overwegende:
"In de eerste plaats is een essentieel verschil met de adoptie naar
Nederlands recht de mogelijkheid de adoptie te beëindigen, op gronden
zoals hiervoor beschreven. Bovendien ontbreken bij de adoptie naar
Vietnamees recht de vereisten, zoals omschreven in artikel 227, eerste
en tweede lid (uitspraak door rechter, op verzoek van echtpaar) en in
artikel 228, eerste lid onder f (het kind moet op dag van verzoek één
jaar door verzoekers verzorgd zijn en één van de verzoekers heeft het
gezag over het kind). Tenslotte stelt het Vietnamese recht niet de eis
dat de adoptie in het belang van het kind moet zijn (vergelijk artikel
227, tweede lid boek 1 BW).".
De rechtbank heeft geoordeeld dat de mogelijkheid van eenouderadoptie
in het Vietnamese recht een zo groot verschil uitmaakt met het
Nederlandse recht, waarin het vereiste geldt dat slechts een echtpaar
dat vijf jaar gehuwd is een kind kan adopteren (een hier niet relevante
uitzondering daargelaten), dat reeds op die grond gedaagdes besluit
juist moet worden geacht.
De Raad wijst erop dat ten tijde van gedaagdes primaire besluit, en ook
ten tijde van het besluit in geding, het Nederlandse recht niet de
mogelijkheid bood van de door appellante gewenste adoptie, aangezien zij
ongehuwd was. De mogelijkheid van adoptie door een ongehuwde is op 1
april 1998 in het Burgerlijk Wetboek ingevoerd (art. I:227, eerste lid,
van het BW). Weliswaar hebben Nederlandse rechters al vóór die datum
een eenouderadoptie uitgesproken (zie NJ 1996, 240 en NJ 1997, 351),
maar dat geschiedde in omstandigheden dat er dusdanig nauwe en actuele
betrekkingen tussen de adoptant en het kind bestonden dat het vasthouden
aan het echtpaarvereiste strijdig met het recht op "family life"
in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van
de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) werd geacht. Dergelijke
omstandigheden ziet de Raad hier niet aanwezig, nu van een gezinsleven
tussen appellante en het kind sedert begin 1993 geen sprake meer is
geweest.
Derhalve kan niet staande worden gehouden dat, in de omstandigheden van
appellante, het Nederlandse rechtssysteem voor adoptie niet meer het
echtpaarvereiste stelt en dat op die grond geen (essentieel) verschil
meer zou bestaan tussen het Vietnamese en het Nederlandse recht.
In hoger beroep is van de zijde van appellante nog bepleit om in dit
geding uit te gaan van de sinds 1 april 1998 geldende wettelijke
regeling en op die grond het echtpaarvereiste bij de beoordeling van de
vergelijkbaarheid van de Vietnamese adoptie met de Nederlandse buiten
beschouwing te laten. Aangezien gedaagde aan zijn besluit op appellantes
aanvraag - welk besluit ziet op aanspraken ingevolge de AKW ingaande 1
januari 1996, en dateert van vóór 1 april 1998 - niet ten grondslag
heeft gelegd een beoordeling van de vergelijkbaarheid van de Vietnamese
adoptie met de Nederlandse sinds genoemde datum, zal ook de Raad zich
thans niet in die beoordeling begeven.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Er zijn
geen termen voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. F.P. Zwart als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid
van M.H.A. Uri als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 april
2000.
(get.) F.P. Zwart.
(get.) M.H.A. Uri.
|
|