|
Uitspraak
98/4586
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij beslissing op bezwaar van 21 mei 1997 heeft appellant zijn besluit
van 19 februari 1997, strekkende tot oplegging van een boete aan
gedaagde van f 300,-, gehandhaafd.
De Arrondissementsrechtbank te Utrecht heeft bij uitspraak van 25 mei
1998 het beroep van gedaagde tegen het besluit van 21 mei 1997 gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 19 februari 1997
herroepen, onder de bepaling dat haar uitspraak in de plaats treedt van
het vernietigde besluit.
Appellant heeft in hoger beroep op de bij aanvullend beroepschrift van 1
juli 1998 aangevoerde gronden gevorderd de uitspraak van de rechtbank te
vernietigen en het inleidende beroep ongegrond te verklaren.
Gedaagde heeft bij brief van 8 oktober 1998 een verweerschrift
ingediend.
Op verzoek van de Raad heeft appellant bij brief van 18 maart 1999 enige
stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 16 februari 2000.
Aldaar is appellant verschenen bij gemachtigde mr. G. van der Schuur,
werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank. Gedaagde is in persoon
verschenen, vergezeld van zijn dochter, C.
II. MOTIVERING
In rubriek 2 van de aangevallen uitspraak, waarin (thans) gedaagde als
eiser, en appellant als verweerder zijn aangeduid, heeft de rechtbank de
van belang zijnde feiten als volgt weergegeven:
"Eisers dochter D is geboren in 1978. Op 1 september 1994 is zij
begonnen met een opleiding tot dameskapster aan het Instituut voor
bedrijfs- en vakopleidingen X te Y. In verband met deze opleiding heeft
zij een leerovereenkomst gesloten. Van 15 juni 1994 tot 31 maart 1996
verrichtte zij werkzaamheden in het kader van de leerovereenkomst. Op 5
september 1995 heeft eiser op de onderhoudsverklaring voor het vierde
kwartaal van 1995 aangegeven dat de inkomsten van D f 697,08 netto per
maand bedragen. Met ingang van 1 april 1996 is D - wederom op basis van
een leerovereenkomst - bij een andere werkgever gaan werken tegen een
salaris van f 781,31 netto per maand. Op 15 april 1996 heeft eiser door
middel van het mutatieformulier zijn gewijzigd bankrekeningnummer
doorgegeven. Op 14 september 1996 heeft eiser op de onderhoudsverklaring
aangegeven dat het inkomen van D f 781,31 per maand bedraagt. De
onderwijsinstelling heeft op de schoolverklaring kinderbijslag van 18
september 1996 aangegeven dat D gemiddeld 213 volle uren of meer per
kwartaal onderwijs of een beroepsopleiding in de vorm van lessen en
stage volgt en dat de kosten van het onderwijs f 846,- per jaar
bedragen. Naar aanleiding van de hoogte van het op de onderhoudsverklaring van 14 september 1996 vermelde inkomen heeft verweerder
inlichtingen ingewonnen bij de werkgevers van D. Vervolgens heeft
verweerder bij besluit van 6 januari 1997 aan eiser meegedeeld dat hij
met ingang van het tweede kwartaal van 1996 geen recht meer heeft op
kinderbijslag ten behoeve van D, omdat D met ingang van dit kwartaal
meer dan f 2219,- per kwartaal verdient. Dit heeft tot gevolg dat eiser
D met ingang van het tweede kwartaal van 1996 niet meer in belangrijke
mate onderhoudt. Bij dit besluit heeft verweerder voorts meegedeeld dat
de te veel betaalde kinderbijslag over het tweede en het derde kwartaal
van 1996 ten bedrage van f 710,- wordt teruggevorderd. Tegen dit besluit
heeft eiser geen bezwaar gemaakt. In een brief van dezelfde datum heeft
verweerder aan eiser meegedeeld dat hij het voornemen heeft een boete
van f 300,- op te leggen omdat eiser de wijziging in het inkomen van D
niet tijdig heeft doorgegeven."
Ook de Raad gaat van deze feiten uit.
De rechtbank heeft, samengevat, overwogen dat de oplegging van een boete
berust op de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid (Stb. 1996, 248, hierna: Wet boeten), welke wet op 1 augustus
1996 in werking is getreden. Gedaagde heeft de verhoging van de
inkomsten van zijn dochter per 1 april 1996 niet onverwijld gemeld,
zodat hij, in de visie van de rechtbank, vier weken na die datum in
overtreding was. Aangezien deze overtreding is begaan voordat de Wet
boeten in werking trad, kunnen die wet en de daarop berustende nadere
regelingen niet op dit feit worden toegepast. Voor deze opvatting heeft
de rechtbank, in aanmerking genomen het strafrechtelijk karakter van
de boete, steun gevonden in artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht.
Het besluit tot oplegging van een boete is derhalve in strijd met de
wet.
Appellant heeft in hoger beroep tegen deze uitspraak in het bijzonder
het navolgende aangevoerd:
"De SVB is bevoegd een boete op te leggen, indien niet is voldaan
aan de verplichtingen ingevolge artikel 15 AKW. De SVB legt deze
bepaling in samenhang met de op 1 augustus 1996 in werking getreden Wet
boeten aldus uit, dat zij bevoegd is een boete op te leggen indien niet
binnen een termijn van vier weken, te rekenen van de dag van
inwerkingtreding van de wet is voldaan aan het bepaalde in artikel 15
AKW. Omdat de wijziging van omstandigheden eerst op 14 september 1996
aan de SVB is doorgegeven, duurde de overtreding en het daaraan
verbonden risico voor de SVB, dat ten onrechte kinderbijslag zou worden
betaald - door welk risico de verplichtingen ingevolge artikel 15 AKW
mede zijn ingegeven - na inwerkingtreding van de Wet boeten nog langer
dan vier weken voort. Om die reden is de SVB van oordeel, dat sprake is
van een voortgezette overtreding: een overtreding welke weliswaar is
aangevangen vóór de inwerkingtreding van de Wet boeten, maar nadien
voortduurt en bij gebreke van onverwijlde kennisgeving - na het
verstrijken van een termijn van vier weken na inwerkingtreding -
strafwaardig wordt. Weliswaar was de heer A ingevolge artikel 15 AKW
gehouden binnen vier weken na 1 april 1996 de wijziging in de
omstandigheden aan de SVB door te geven, maar aan het niet tijdig
voldoen aan zijn verplichtingen komt voor de toepassing van de Wet
boeten effect toe, voorzover niet binnen een termijn van vier weken na
inwerkingtreding van die wet aan die verplichting is voldaan.
De SVB stelt zich derhalve op het standpunt, dat zij terecht aan de heer
A een boete heeft opgelegd, nadat was komen vast te staan, dat hij
eerst na het verstrijken van een termijn van vier weken na
inwerkingtreding van de Wet boeten een wijziging in de omstandigheden,
welke mede van belang is voor de beoordeling van het recht op
kinderbijslag na 1 augustus 1996 aan de SVB had doorgegeven. De ratio
van de Wet boeten is immers - onder meer -, dat indien door toedoen van
een uitkeringsgerechtigde de SVB het risico is gaan lopen, dat ten
onrechte of teveel kinderbijslag wordt uitbetaald, daarop met het
opleggen van een sanctie in de zin van de Wet boeten mag worden
gereageerd. De SVB bestrijdt, dat artikel 1 van het Wetboek van
Strafrecht aan toepassing van de Wet boeten in de weg zou staan. De
omstandigheden als in dat artikel bedoeld, doen zich te dezen immers
niet voor: Omdat de overtreding na inwerkingtreding van de Wet boeten
meer dan vier weken voortduurde, waren op deze overtreding, voorzover
deze na 1 augustus 1996 nog voortduurde de aan die overtreding
voorafgegane wettelijke strafbepalingen van toepassing. De bepalingen
van de Wet boeten zijn naar het oordeel van de SVB in het licht van het
vorenstaande als zodanig te kwalificeren. De SVB is dan ook van oordeel,
dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld, dat de overtreding van
artikel 15 AKW heeft plaatsgevonden vóór de dag van inwerkingtreding
van de Wet boeten en dientengevolge niet door de bepalingen van die wet
wordt geregeerd."
In dit geding dient de Raad allereerst te beoordelen of de gronden
waarop de rechtbank het bestreden besluit heeft vernietigd stand kunnen
houden. De Raad stelt voorop dat de sancties op grond van de Wet boeten,
voorzover als "boete" aan te merken, weliswaar niet tot het
domein van het strafrecht in eigenlijke zin behoren, maar uit hoofde van
hun karakter als reactie op strafwaardig geacht gedrag daarmee toch
zodanige verwantschap vertonen dat zekere waarborgen die in het
bijzonder in het strafrecht gelden ook hier van toepassing behoren te
zijn. Deze benadering past bij de in de rechtspraak thans algemeen
aanvaarde, brede, toepasselijkheid van normen als neergelegd in de
artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de artikelen 14 en
15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke
rechten (IVBPR). Tot die waarborgen behoort zonder twijfel ook de regel
in verband waarmee de rechtbank naar artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht heeft verwezen en die ook is neergelegd
in artikel 7 EVRM en artikel 15 IVBPR, welke inhoudt dat niemand mag
worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten dat geen strafbaar
feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het
handelen of nalaten geschiedde.
Tegen deze achtergrond overweegt de Raad dat de Wet boeten ingaande 1
augustus 1996 bij artikel 17a van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) de
boete heeft geïntroduceerd als sanctie op het niet nakomen van de
verplichting als bedoeld in artikel 15 van de AKW, inhoudend, kort
gezegd, dat feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk
moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op kinderbijslag
onverwijld aan de Sociale Verzekeringsbank dienen te worden meegedeeld;
dit laatste artikel is in essentie niet gewijzigd bij de invoering van
de Wet boeten. Ter uitvoering van artikel 17a AKW heeft de Sociale
Verzekeringsbank het Boetebesluit AKW vastgesteld (Stct. 1996, 141,
nadien gewijzigd), waarin in artikel 4, tweede lid, is bepaald dat een
verplichting als in dit geding aan de orde ("het onverwijld uit
eigen beweging melden van: (...) de inkomsten van het kind en de
veranderingen in de hoogte daarvan;" artikel 3, tweede lid, onder g,
aanhef en sub 5 van het Boetebesluit) geacht wordt niet te zijn
nagekomen als degene op wie de verplichting rust een te melden feit of
omstandigheid niet heeft meegedeeld binnen vier weken nadat het feit
of de omstandigheid is ingetreden. In de systematiek van de wet (AKW
en Wet boeten) en het Boetebesluit gaat het om feiten en omstandigheden
waaruit voor degene die aanspraak maakt op kinderbijslag (volgens de
hoofdregel: onverwijld) een verplichting voortvloeit; de gedragsreactie
van de betrokkene op dat feit is vervolgens bepalend voor het antwoord
op de vraag of de verplichting is nagekomen en, in het verlengde
daarvan, of er een grond is voor oplegging van een boete. Gegeven het
onlosmakelijke en onmiddellijke verband in de bedoelde wetssystematiek
tussen feit/omstandigheid, verplichting en overtreding maakt het
eerstbedoelde element een essentieel onderdeel uit van de
"delictsomschrijving" en dient ook dat element binnen de
temporele werkingsfeer te vallen van de wettelijke regeling waarvan de
toepassing wordt gevraagd. In die zin is er dan ook, bij een feit dat
zich heeft voorgedaan vóór 1 augustus 1996 en een verplichting die
vier weken nadien nog niet is nagekomen, geen sprake van een "voort-
gezette overtreding" in de zin als door appellant bedoeld, namelijk
dat (ook) dan alle elementen van de delictsomschrijving voorhanden
zouden zijn.
Ook in het licht van het waarborgkarakter van de rechts- normen als
hierboven genoemd, in het bijzonder artikel 7, eerste lid, eerste
volzin, van het EVRM en artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van het
IVBPR moet in een casuspositie als de onderhavige in de visie van de
Raad gelden dat op het tijdstip waarop het feit of de omstandigheid
waaruit de verplichting voor de belanghebbende voortvloeit zich
voordoet, het strafwaardig karakter van het niet nakomen van de
verplichting vast staat, dat wil zeggen, in een wettelijke bepaling is
neergelegd.
Het vorenstaande voert tot de conclusie dat appellant, terzake van het
nalaten van gedaagde de wijziging in de inkomsten van zijn dochter
tijdig te melden, niet bevoegd was een boete op te leggen. Andere
grieven tegen het bestreden besluit of de aangevallen uitspraak behoeven
thans geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak moet worden
bevestigd.
Gelet op de daartoe strekkende vordering van gedaagde en onder
toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
dient appellant het bedrag van de betaalde boete aan gedaagde te
restitueren, vermeerderd met het bedrag aan wettelijke rente vanaf de
dag van betaling tot die van de restitutie. Voorts dient appellant de
proceskosten in hoger beroep van gedaagde te vergoeden. Deze worden
vastgesteld op f 285,88 aan verletkosten, overeenkomstig het door
gedaagde gevorderde. Aangezien gedaagde niet heeft geappelleerd tegen de
kostenveroordeling door de rechtbank, is er geen plaats voor een
veroordeling terzake van proceskosten in eerste aanleg. Tenslotte dient
van appellant een recht te worden geheven van f 675,-.
Beslist wordt dan als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant tot betaling van schadevergoeding als hierboven
aangegeven en tot vergoeding van de door gedaagde gemaakte proceskosten
ten bedrage van f 285,88;
Bepaalt dat van appellant een recht wordt geheven van f 675,-.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en
mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2000.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.H.A. Uri.
|
|