|
Uitspraak
98/5709 AKW en 99/1550 AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 2 juni 1997 heeft gedaagde appellante een boete van f
300,- opgelegd met de motivering dat zij de omstandigheid dat haar
dochter [dochter], geboren in 1984, vanaf 20 september 1996 niet meer
tot haar huishouden behoort, niet binnen vier weken aan gedaagde heeft
doorgegeven. Bij besluit, eveneens van 2 juni 1997, heeft gedaagde
bepaald dat de invordering van de opgelegde boete geschiedt door
inhouding van f 75,- op de kinderbijslag waarop appellante recht heeft
over het tweede kwartaal van 1997 tot en met het eerste kwartaal van
1998.
Bij beslissing op bezwaar van 7 november 1997 heeft gedaagde de bezwaren
van appellante tegen de besluiten van 2 juni 1997 ongegrond verklaard,
met dien verstande dat de boete in vier termijnen van f 75,- wordt
verrekend met de kinderbijslag die appellante toekomt over het vierde
kwartaal van 1997 tot en met het derde kwartaal van 1998.
De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft bij uitspraak van 22 juli
1998 het beroep tegen de beslissing op bezwaar gegrond verklaard, die
beslissing vernietigd voor zover daarbij de boete is vastgesteld op f
300,- alsmede ten aanzien van de invordering en heeft de hoogte van de
boete vastgesteld op f 100,- en tevens bepaald dat gedaagde een nader
besluit zal dienen te nemen over de invordering.
Namens appellante is [dochter], werkzaam bij Rechtsbijstand
Bureau Administratief Recht te Middenbeemster, van die
uitspraak in hoger beroep gekomen. In het aanvullend beroepschrift van 3
augustus 1998 - met bijlagen - zijn de gronden uiteengezet waarop het
hoger beroep berust. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 12 december 1998 - met bijlagen - heeft de gemachtigde van
appellante de gronden van het hoger beroep verduidelijkt.
Naar aanleiding van vragen van 's Raads fungerend president heeft
gedaagde bij brief van 10 maart 1999 aan de Raad een afschrift gezonden
van een nieuwe tot appellante gerichte beslissing op bezwaar, gedateerd
10 maart 1999, waarbij op basis van het met terugwerkende kracht per 1
januari 1999 gewijzigde Boetebesluit AKW in plaats van de boete een
waarschuwing is gegeven met de motivering dat appellante voor de eerste
keer niet aan haar mededelingsverplichting heeft voldaan en deze
nalatigheid niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
bedrag verlenen van kinderbijslag.
De gemachtigde van appellante heeft bij brief van 12 maart 1999
gereageerd op de beslissing van 10 maart 1999.
Bij brieven van 29 maart 1999 heeft de Raad partijen meegedeeld dat hij,
op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb), heeft besloten om tevens een oordeel te geven over gedaagdes
nadere beslissing van 10 maart 1999.
De gemachtigde van appellante heeft bij brief van 27 juli 1999 de Raad
een pleitnota doen toekomen en bij brieven van 7 januari 2000 en 21
januari 2000 een aantal stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 februari 2000,
waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door [dochter], voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen
door A. van der Weerd, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante, die destijds in [voormalige woonplaats] woonde, heeft tot en
met het derde kwartaal van 1996 kinderbijslag ontvangen ten behoeve van
haar dochter [dochter]. Op 7 oktober 1996 is gedaagde door de
gemeentelijke basisadministratie geďnformeerd dat [dochter] op 20
september 1996 is verhuisd naar een ander adres in [voormalige
woonplaats]. Desgevraagd heeft appellante gedaagde op 12 november 1996
schriftelijk bevestigd dat haar dochter op 20 september 1996 is verhuisd
en is gaan wonen bij haar vader, de voormalige echtgenoot van
appellante.
Gedaagde is van mening dat appellante heeft gehandeld in strijd met de
op haar rustende verplichting door deze wijziging in haar gezinssituatie
niet binnen vier weken door te geven en heeft haar om die reden
aanvankelijk een boete opgelegd van f 300,- ingevolge artikel 17a
Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en het Boetebesluit AKW. In reactie op
het voornemen de boete op te leggen heeft appellante aangevoerd dat zij
destijds in de veronderstelling verkeerde dat zij kon volstaan met het
opgeven van de adreswijziging van haar dochter aan de gemeente.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 15 van de AKW is appellante verplicht aan gedaagde
onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te
delen, waarvan haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
invloed kunnen zijn op het recht op kinderbijslag. Artikel 3, lid 2
onder f, van het Boetebesluit AKW, zoals die bepaling luidde ten tijde
van belang, bepaalt dat onverwijld mededeling moet worden gedaan van een
aantal feiten en omstandigheden aangaande het kind, waaronder de
verhuizing, met uitzondering van de verhuizing van het gehele gezin
binnen Nederland, en het uitwonend worden van het kind. Ingevolge
artikel 4, tweede lid, van het Boetebesluit AKW wordt deze verplichting
geacht niet te zijn nagekomen als niet binnen vier weken na intreding
van het feit of omstandigheid daarvan aan gedaagde mededeling is gedaan.
De Raad stelt vast dat appellante niet binnen vier weken na 20 september
1996 gedaagde ervan in kennis heeft gesteld dat [dochter] is verhuisd
naar haar vader. Naar het oordeel van de Raad is dit onmiskenbaar een
feit of omstandigheid waarvan appellante redelijkerwijs duidelijk moet
zijn dat het van invloed kan zijn op haar aanspraken op kinderbijslag.
Voorts is de Raad van oordeel dat appellante uit het door gedaagde
gebruikte mutatieformulier, de daarbij behorende toelichting en een
begeleidend schrijven heeft moeten kunnen begrijpen dat uitsluitend de
melding van de verhuizing van [dochter] aan de gemeente niet voldoende
is, aangezien daarin duidelijk is aangegeven dat met een melding aan de
gemeente alleen kan worden volstaan bij verhuizing van het gehele gezin.
Bij het besluit van 10 maart 1999, waartegen het beroep van appellante
ingevolge artikel 6:19, eerste lid, Awb mede gericht wordt geacht, heeft
gedaagde besloten dat in plaats van de opgelegde boete alsnog wordt
volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing op grond van
artikel 17a, lid 3, van de AKW, zoals die bepaling vanaf 31 december
1998 luidt, en het met terugwerkende kracht per 1 januari 1999
gewijzigde Boetebesluit AKW. De Raad heeft in hetgeen namens appellante
is aangevoerd geen aanleiding gevonden voor vernietiging van het besluit
van 10 maart 1999. Aangezien gedaagde heeft volstaan met het geven van
een waarschuwing ziet de Raad geen reden in te gaan op het verzoek van
de gemachtigde van appellante om zich uit te spreken of gedaagde bevoegd
is op basis van de AKW een voorwaardelijke boete op te leggen.
Nu gedaagde de beslissing op bezwaar van 7 november 1997 niet langer
handhaaft rijst de vraag of appellante in hoger beroep nog een relevant
belang heeft. Een dergelijk belang kan - in principe - ontleend worden aan
de mogelijkheid een veroordeling te verkrijgen tot vergoeding van schade
ingevolge artikel 8:73 Awb. Weliswaar is namens appellante verzocht
gedaagde op grond van artikel 8:73 Awb te veroordelen tot vergoeding van
schade, maar ter terechtzitting van de Raad heeft de gemachtigde van
appellante desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat de schade van
appellante alleen betrekking heeft op de kosten van de door hem
verleende rechtsbijstand. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen kan
een belang niet uitsluitend gelegen zijn in het verkrijgen van een
veroordeling tot vergoeding van proceskosten, zoals namens appellante is
verzocht. De Raad is van oordeel dat het hoger beroep van appellante
niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van een
relevant belang.
Ten aanzien van de vergoeding van de proceskosten van appellante
overweegt de Raad het volgende.
De rechtbank heeft gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb
veroordeeld in de proceskosten van appellante tot een bedrag van f
12,25, zijnde de kosten die zij heeft moeten maken voor het bijwonen van
de zitting. De rechtbank is van oordeel dat geen vergoeding kan worden
toegekend voor verleende rechtsbijstand, aangezien de gemachtigde van
appellante heeft aangegeven dat hij de procedure geheel pro deo voert.
In hoger beroep heeft appellante betwist dat zij geen kosten aan haar
gemachtigde voor de verleende rechtsbijstand is verschuldigd. Aangevoerd
is dat appellante ter zake een vergoeding verschuldigd is, gelijk aan
het bedrag van de proceskostenveroordeling bij gegrondverklaring van het
beroep op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De Raad
is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat appellante genoegzaam
aannemelijk heeft gemaakt dat zij kosten verschuldigd is voor door een
derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel I,
onderdeel a, van het Bpb, die voor vergoeding in aanmerking komen.
De Raad acht derhalve termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van
de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in
beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,- voor
verleende rechtsbijstand in eerste aanleg alsmede f 1.420,- voor
verleende rechtsbijstand en f 31,- aan reiskosten in hoger beroep, in
totaal f 1.451,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep, gericht tegen het besluit van 10 maart 1999,
ongegrond;
Bepaalt dat gedaagde het door appellante in hoger beroep betaalde
griffierecht van f 160,- vergoedt;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg
tot een bedrag groot f 1.420,- en in hoger beroep een bedrag groot f
1.451,-.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en
mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2000.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.H.A. Uri.
|
|