|
Uitspraak
96/3211
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
A te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 6 september 1995 heeft appellant geweigerd aan gedaagde
met ingang van het tweede kwartaal van 1995 kinderbijslag toe te kennen
ten behoeve van de kinderen C, D, E en F. Tevens is bij dat besluit de
aan gedaagde toegekende kinderbijslag ten behoeve van de genoemde
kinderen over het derde kwartaal van 1990 tot en met het eerste kwartaal
van 1995 ten bedrage van f 92.573,- van hem teruggevorderd.
Bij beslissing op bezwaar van 7 februari 1996, het thans bestreden
besluit, is het bezwaar tegen eerdergenoemd besluit ongegrond verklaard.
De president van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij
uitspraak van 1 maart 1996, voor zoveel thans van belang, het beroep
tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Appellant heeft op de gronden, aangevoerd bij aanvullend beroepschrift
van 27 juni 1996, gevorderd de uitspraak van de rechtbank te vernietigen
en het inleidende beroep alsnog ongegrond te verklaren.
Voor gedaagde heeft mr. A. van der Weij, namens mr. B.R. Angad Gaur, advocaat te 's-Gravenhage, bij brief van 23 juli
1996 een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 januari 1997. Voor appellant zijn daar verschenen
mr. J.S. Bartstra en P. Koopmans, beiden werkzaam bij de Sociale
Verzekeringsbank, als gemachtigden, alsmede W. van Arnhem, werkzaam bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als
deskundige. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van
der Weij, voornoemd.
Na de behandeling ter zitting heeft de Raad het onderzoek heropend
aangezien dit naar zijn oordeel niet volledig was geweest.
Op verzoek van de Raad heeft gedaagde nadere gegevens verstrekt.
Het geding is wederom behandeld ter zitting van de Raad op 25 november
1998. Appellant is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij
gemachtigde mr. Bartstra, voornoemd. Gedaagde is in persoon verschenen,
bijgestaan door mr. P. Scholtes, advocaat te 's-Gravenhage, als zijn
raadsvrouw en door de tolk M.A. Din.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de feiten als weergegeven in rubriek 1. van de
aangevallen uitspraak.
Kort samengevat betreft het geding de aanspraak van gedaagde op
kinderbijslag ten behoeve van de vier in rubriek I van deze uitspraak
genoemde kinderen, welke zouden zijn geboren (op respectievelijk in
1976, in 1978, in 1980 en in 1983) uit het eerdere huwelijk van (thans)
gedaagdes echtgenote, F, met G, die in juli 1985 in Pakistan zou zijn
overleden. Sinds zijn huwelijk in 1987 ontving gedaagde kinderbijslag
voor, onder meer, genoemde kinderen. In verband met een breder onderzoek
naar de rechtmatigheid van de verstrekking van kinderbijslag ten behoeve
van, onder andere, in Pakistan verblijvende kinderen heeft gedaagde in
1994 op verzoek van appellant gelegaliseerde (dat wil zeggen:
gewaarmerkt wat betreft de echtheid van handtekeningen en stempels)
akten verstrekt betreffende zijn huwelijk met F, het eerdere huwelijk
van de echtgenote, het overlijden van G en de geboorte van zijn
kinderen.
Appellant heeft aanleiding gezien deze documenten te onderwerpen aan een
verificatieonderzoek "bij de bron", dat in gevallen als het
onderhavige pleegt plaats te vinden door tussenkomst van de Nederlandse
Ambassade ter plaatse en wordt verricht door of onder
verantwoordelijkheid van een zogenoemde vertrouwensadvocaat.
In het onderzoeksrapport zijn twijfels geuit ten aanzien van het
huwelijk van F met G en het overlijden van laatstgenoemde, althans is
gesteld dat daarvan geen (reguliere) registratie te vinden is, en zijn, meer in het bijzonder, de door gedaagde geproduceerde
geboortedocumenten van de vier kinderen als vervalst aangemerkt; ten
bewijze van dit laatste zijn die documenten voorzien van een stempel
"bogus" met de handtekening van een functionaris van de Lahore
Metropolitan Corporation. Met name op grond hiervan heeft appellant zijn
besluit van 6 september 1995 genomen en dit bij het thans bestreden
besluit gehandhaafd.
De rechtbank heeft het aan de besluitvorming van appellant ten grondslag
liggende onderzoek onvolkomen geoordeeld, daarbij vooral wijzende op
hetgeen namens gedaagde in bezwaar is aangevoerd, te weten dat:
- het verblijfsadres waarover de vertrouwensadvocaat blijkens
zijn rapportage beschikt, niet volledig is;
- de Al Nasim school waar de kinderen naar toe gingen, zich
niet in Ishere (waarvan in de rapportage van de vertrouwensadvocaat
sprake is), maar - zoals uit de schoolverklaring blijkt - in Lahore bevindt;
- registratie van de geboorten destijds zijn gedaan bij het
wijkkantoor (Municipal Corporation) in plaats van het door de
vertrouwensadvocaat bezochte hoofdkantoor (Metropolitan Corporation),
waarbij hij aantekent dat registratie bij het hoofdkantoor niet
verplicht was;
- het wijkkantoor de registratie van de geboorten waarschijnlijk niet heeft doorgegeven aan het hoofdkantoor.
Naar het oordeel van de rechtbank had appellant, mede op grond van
artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aanvullend
onderzoek in Pakistan dienen te (laten) verrichten en moet het bestreden
besluit, nu dit is nagelaten, wegens strijd met evenvermelde
wetsbepaling worden vernietigd.
Naar aanleiding van het hoger beroep tegen deze uitspraak overweegt de
Raad het volgende.
Ter zitting van 25 november 1998 heeft appellant meegedeeld dat hij zijn
beleid terzake van terugvordering van kinderbijslag in zaken als de
onderhavige heeft genuanceerd en dat dit voor de onderhavige zaak tot
gevolg heeft dat de terugvordering niet wordt gehandhaafd, zodat het
hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank op dat punt wordt
ingetrokken. Appellant blijft echter van oordeel dat hij op basis van
het aan zijn besluit ten grondslag gelegde feitenmateriaal gerechtigd is
ingaande het tweede kwartaal van 1995 kinderbijslag te weigeren voor de
vier in het besluit genoemde kinderen.
De Raad is van oordeel dat het hoger beroep doel treft. Voor de
uitvoering van de Algemene Kinderbijslagwet is essentieel dat de
belanghebbende verzekerde, desverlangd, betrouwbare en valide documenten
verstrekt terzake van het bestaan en de afstamming van de kinderen voor
wie hij aanspraak maakt op kinderbijslag. In casu heeft gedaagde op een
daartoe strekkend verzoek documenten verstrekt - en deze doen
legaliseren - blijkens welke de kinderen, steeds enkele dagen na de
geboorte, zijn ingeschreven bij het centrale bevolkingsregister van
Lahore (de Lahore Metropolitan Corporation). Uit het hierboven vermelde
onderzoek ter plaatse is naar voren gekomen dat deze documenten niet
overeenstemmen met de gegevens in het genoemde register, aangezien de
kinderen daarin niet voorkomen. De Raad ziet geen reden om op dit punt
aan de resultaten van het onderzoek te twijfelen en is met appellant van
oordeel dat een en ander de weigering van kinderbijslag rechtvaardigt.
Hetgeen namens gedaagde nader is aangevoerd kan hier niet aan afdoen,
integendeel: namens hem is, in bezwaar, gesteld dat de aangifte is
geschied bij het register van de wijk of het district waar de kinderen
zijn geboren (Municipal Corporation of Union Council) en dat die
registratie kennelijk niet is doorgegeven aan het centrale register;
vervolgens heeft gedaagde nieuwe geboortedocumenten geproduceerd,
afkomstig van laatstgenoemde instantie, die echter als datum van
registratie 14 september 1995 vermelden, hetgeen tenminste doet vermoeden dat ook
bij die instantie geen eerdere registratie voorhanden is. Voorzover
gedaagde, en ook de rechtbank, met reden het rapport van het onderzoek
door de vertrouwensadvocaat hebben bekritiseerd, is de Raad van oordeel
dat zulks niet geldt voor het onderdeel waarop het besluit met name is
gebaseerd, te weten het resultaat van de verificatie van de door
gedaagde als eerste geproduceerde geboortedocumenten.
Op grond van het vorenstaande moet de uitspraak van de rechtbank,
voorzover thans nog aangevochten, worden vernietigd en dient het
inleidende beroep tegen het bestreden besluit, voorzover gehandhaafd,
ongegrond te worden verklaard.
Gelet op het nadere standpunt van appellant zoals in hoger beroep
ingenomen, is er aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten
van gedaagde in voege als hieronder aangegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover in hoger beroep
aangevochten;
Verklaart het in eerste aanleg ingestelde beroep tegen de ontzegging van
kinderbijslag ingaande het tweede kwartaal van 1995 alsnog ongegrond;
Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep van gedaagde,
begroot op f 1.775,- aan kosten van rechtsbijstand en f 63,- aan
reiskosten.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en
mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Breuls als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 december 1998.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) S. Breuls.
|
|