|
Uitspraak
97/9326
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 20 november 1996 heeft gedaagde ongegrond verklaard het
bezwaar van appellant tegen zijn besluit van 16 juli 1996, waarbij aan
appellant aanspraak op kinderbijslag ten behoeve van twee kinderen,
geboren in 1980 en 1982, ingaande het eerste kwartaal van 1997 is
ontzegd.
De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 14
augustus 1997 het beroep tegen het besluit van 20 november 1997
ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. F. Ietswaart, advocaat te Amsterdam, bij
beroepschrift van 23 september 1997 de Raad verzocht de uitspraak van de
rechtbank te vernietigen en te bepalen dat appellant ten onrechte de
aanspraak op kinderbijslag is ontzegd.
Gedaagde heeft verweer gevoerd bij schrijven van 12 januari 1998.
Namens appellant is nog een stuk aan de Raad toegezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 juni 1999.
Appellant is daar verschenen bij zijn gemachtigde, mr. Ietswaart, voornoemd. Gedaagde is verschenen bij gemachtigden mr. J.S.
Bartstra en C.J. Siemerink, beiden werkzaam bij de Sociale
Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant stelt dat de twee in rubriek I bedoelde kinderen, die uit een
Ghanese moeder zijn geboren en in Ghana verblijven, als zijn eigen
kinderen in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) moeten worden
aangemerkt.
Op grond van de door appellant verstrekte gegevens heeft gedaagde hem
aanvankelijk kinderbijslag toegekend. Bij het reeds vermelde besluit van
16 juli 1996 is geweigerd vanaf het eerste kwartaal van 1997
kinderbijslag te verstrekken, op de grond dat de kinderen ten opzichte
van appellant niet als eigen kinderen in de zin van artikel 7 van de AKW
kunnen worden aangemerkt.
Gedaagde heeft hierbij verwezen naar zijn zogeheten Ghanabesluit AKW
(Besluit d.d. 22 maart 1996, goedgekeurd bij Besluit van het College van
toezicht sociale verzekeringen van 12 juni 1996, Stct. 115). In de
Bijlage bij dit besluit is onder meer het volgende gesteld:
"Indien kinderbijslag wordt aangevraagd door een man die aangeeft
tot het kind ten behoeve van wie hij de aanvraag doet krachtens Ghanees
recht in een familierechtelijke betrekking te staan, zal het betreffende
kind slechts als eigen kind van de aanvrager in de zin van de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) worden aangemerkt voor zover dit kind is geboren
staande een wettelijk geregeld of daarmee gelijk te stellen huwelijk
tussen de aanvrager en de moeder van het kind.
De aanvrager dient de omstandigheid dat hij ten tijde van de geboorte
van het betreffende kind gehuwd was met de moeder aan te tonen door
overlegging van dubbel gelegaliseerde afschriften van de betreffende
huwelijks- en geboorteakten.
Tot 1 juli 1996 zal evenwel aan de aanvrager die ten tijde van de
geboorte van zijn natuurlijke kind de Ghanese nationaliteit bezat het
recht op kinderbijslag niet worden geweigerd om de enkele reden dat hij
ten tijde van de geboorte van het betreffende kind niet wettelijk gehuwd
was met de moeder ervan.
Ten aanzien van de gevallen waarin reeds kinderbijslag is toegekend aan
een man die heeft aangegeven tot het betreffende kind als vader in een
familierechtelijke betrekking krachtens Ghanees recht te staan, zal voor
zover dit nog nodig is onderzocht gaan worden of het betreffende kind
werd geboren staande een wettelijk geregeld of daarmee gelijk te stellen
huwelijk.
Bij wijze van overgangsregeling zal evenwel voor de gevallen die bij de
toekenningsbeslissing niet zijn gewezen op de beperkte duur van de
toekenning in verband met het bepaalde in dit besluit, tot 1 januari
1997 het recht op kinderbijslag niet worden beëindigd vanwege de enkele
reden dat het bestaan van een huwelijk als hiervoor bedoeld niet kan
worden aangetoond."
Voorts is in de toelichting bij het Besluit verwezen naar de uitspraak
van de rechtbank Amsterdam d.d. 15 december 1995 (PS 1996, 345), waarin
de benadering van gedaagde ten principale is onderschreven.
Ten aanzien van het onderhavige geval kan op grond van de gedingstukken
worden aangenomen dat van een geregistreerd huwelijk naar Ghanees recht
tussen appellant en de moeder van de kinderen geen sprake is (geweest);
voorts staat vast dat de kinderen niet door appellant zijn erkend en dat
een rechtsfiguur welke op essentiële punten overeenkomt met de
erkenning naar Nederlands recht in het Ghanese recht niet voorkomt.
De benadering van gedaagde, welke is gevolgd door de rechtbank, sluit
aan bij de lijn van 's Raads jurisprudentie, welke bij de beoordeling
van de status van "eigen kind" in de zin van artikel 7, eerste
lid, van de AKW doorslaggevende betekenis toekent aan het bevestigende
antwoord op de vraag of de in aanmerking komende rechtsfiguur naar
buitenlands recht, welke de familierechtelijke betrekking tussen de
verzekerde en het kind beheerst, op het punt van de geldende vereisten
en de daaraan verbonden rechtsgevolgen gelijk is te stellen met de
overeenkomstige Nederlandse rechtsfiguur. Hiermee is zeker niet in
strijd de voorwaarde dat tussen de verzekerde en de moeder van de
kinderen een naar Ghanees recht geregistreerd huwelijk bestaat of heeft
bestaan. In zoverre moet dan ook van een rechtens juiste toepassing van
artikel 7 van de AKW worden gesproken.
Dat deze benadering in strijd zou zijn met de namens appellant
ingeroepen verdragsbepalingen, in het bijzonder artikel 24 van het
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR),
kan de Raad niet inzien. Waar die bepaling (overigens ten aanzien van
het kind en niet ten aanzien van de ouder, op wiens aanspraak dit geding
betrekking heeft) ziet op het verbod van discriminatie, onder meer naar
nationaliteit, afkomst en geboorte, is het van belang op te merken dat
hier ten aanzien van alle AKW-verzekerden gelijkluidende maatstaven
worden aangelegd. Bovendien kan niet worden gesteld dat het hier een
voorwaarde betreft waaraan de verzekerde niet of bezwaarlijk zou kunnen
voldoen.
Bij het voorgaande is ervan uitgegaan dat de familierechtelijke
betrekkingen van appellant met genoemde kinderen worden beheerst door
het Ghanese recht. Indien op grond van de stelling dat appellant (ook?)
de Nederlandse nationaliteit bezit zou worden aangenomen dat het
Nederlandse recht van toepassing is, moet gelden dat de kinderen, niet
uit een huwelijk tussen appellant en de moeder geboren en niet door hem
erkend, evenmin als eigen kinderen in de zin van de AKW kunnen worden
aangemerkt.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Er zijn geen termen voor een veroordeling in
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en mr.
T.L. de Vries als leden, in
tegenwoordigheid van
M.H.A. Uri als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 juli 1999.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.H.A. Uri.
|
|