|
Uitspraak
97/3125 AKW en 98/4693 AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A te B (Marokko), appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 15 februari 1996 heeft gedaagde het bezwaar van
appellant tegen zijn besluiten van 4 mei 1995 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 27
februari 1997 het beroep tegen die beslissing op bezwaar gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan
ten dele in stand blijven.
Bij beroepschrift van 31 maart 1997, met bijlage, heeft appellant tegen
die uitspraak hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 18 juli 1997 heeft gedaagde aan de Raad afschrift
toegezonden van een nieuwe tot appellant gerichte beslissing op bezwaar,
gedateerd 13 juni 1997, welke gedaagde naar aanleiding van de uitspraak
van de rechtbank heeft genomen.
Voorts zijn aan de Raad toegezonden twee uitspraken d.dis 16 december
1997 en 27 februari 1998 van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam,
gewezen tussen appellant en gedaagde in het beroep van eerstgenoemde
tegen het zojuist vermelde besluit van 13 juni 1997.
Van de zijde van de Raad is op 2 juli 1998 aan partijen meegedeeld dat
in het geding tevens een oordeel zal worden gegeven over het nadere
besluit van gedaagde d.d. 13 juni 1997.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 13 januari 1999, waar geen van partijen is verschenen.
II. MOTIVERING
Met betrekking tot het in rubriek I vermelde nadere besluit van gedaagde
d.d. 13 juni 1997, waarbij gedaagde, zonder aan appellants bezwaren
volledig tegemoet te komen, hangende hoger beroep uitvoering heeft
gegeven aan de uitspraak van de rechtbank d.d. 27 februari 1997,
overweegt de Raad allereerst dat overeenkomstig inmiddels vaste
rechtspraak hierop het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is, zodat op grond van
artikel 6:19, eerste lid, jo. artikel 6:24 van de Awb primair geldt dat
in het aanhangige hoger beroep tevens dat nadere besluit dient te worden
beoordeeld.
De rechtbank, die bij schrijven van 16 april 1997 op de hoogte is
gesteld van het hoger beroep van appellant tegen haar uitspraak van 27
februari 1997, was derhalve niet bevoegd het beroep gericht tegen het
besluit van 13 juni 1997 zonder meer in behandeling te nemen.
Het komt de Raad dan aangewezen voor de uitspraken van de rechtbank
d.dis 16 december 1997 en 27 februari 1998, waarbij respectievelijk
appellants beroep ongegrond, en zijn verzet tegen de eerstgenoemde
uitspraak eveneens ongegrond is verklaard, te vernietigen.
Bij het bestreden besluit van 15 februari 1996 heeft gedaagde zijn
primaire besluiten van 4 mei 1995 gehandhaafd. Bij die besluiten heeft
gedaagde appellant aanspraak op kinderbijslag ten behoeve van zijn
dochter C ontzegd over het vierde kwartaal van 1994 en het eerste
kwartaal van 1995, op de grond dat hij niet heeft voldaan aan de
voorwaarde dat hij C in belangrijke mate heeft onderhouden, en voorts de
over beide kwartalen ten onrechte betaalde kinderbijslag ten bedrage van
f 1.936,- van appellant teruggevorderd.
Appellant heeft, zowel in bezwaar als in beroep en in hoger beroep,
gesteld dat hij over beide kwartalen aan het ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) geldende onderhoudsvereiste ten aanzien van C
heeft voldaan.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat gedaagde
het bepaalde in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb heeft geschonden
door appellant niet in de gelegenheid te stellen met betrekking tot
zijn bezwaar te worden gehoord (maar hem slechts mede te delen dat hij
om een hoorzitting kon verzoeken), en op die grond het bestreden besluit
vernietigd.
Nu appellant hieromtrent geen bezwaren had aangevoerd, is de Raad van
oordeel dat de rechtbank buiten de grenzen van het geding is getreden en
zal hij de vernietiging van het besluit op deze grond niet in stand
laten.
De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de weigering van kinderbijslag
over het vierde kwartaal van 1994 op een ondeugdelijke motivering
stoelt, nu gedaagde zekere stellingen van appellant met betrekking tot
het onderhoud van zijn dochter in het betreffende kwartaal niet in zijn
oordeel had betrokken; ten overvloede heeft de rechtbank gedaagde in
overweging gegeven bij een nieuw, op een eventueel nader
weigeringsbesluit over het vierde kwartaal van 1994 berustend,
terugvorderingsbesluit aandacht te schenken aan de vraag of het
appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hem over dat kwartaal
ten onrechte kinderbijslag was toegekend.
Gedaagde heeft aan dit gedeelte van de aangevallen uitspraak uitvoering
gegeven bij zijn besluit van 13 juni 1997, dat als gezegd in dit geding
mede ter beoordeling voorligt. Voorafgaand aan dat besluit heeft
gedaagde appellant in de gelegenheid gesteld nader bewijs bij te brengen
omtrent het onderhoud van zijn dochter in het vierde kwartaal van 1994.
Hierop heeft appellant niet gereageerd, en evenmin is hij ingegaan op
gedaagdes uitnodiging om op een hoorzitting te verschijnen.
Bij genoemd besluit heeft gedaagde wederom appellant aanspraak op
kinderbijslag over het vierde kwartaal van 1994 ontzegd. De
terugvordering van de over dat kwartaal betaalde kinderbijslag heeft
gedaagde laten vervallen, aangezien hij nader van oordeel is dat het
appellant redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn dat hij ten onrechte
kinderbijslag had ontvangen.
Ten aanzien van het eerste kwartaal van 1995 heeft de rechtbank
geoordeeld dat gedaagde op goede gronden heeft beslist dat appellant
geen aanspraak kan maken op kinderbijslag en dat het besluit tot
terugvordering van de over dat kwartaal betaalde kinderbijslag niet in
rechte aantastbaar is. Derhalve heeft de rechtbank de rechtsgevolgen
van dat gedeelte van het bestreden besluit in stand gelaten.
Met inachtneming van het vorengaande is thans in dit geding aan de orde
- of gedaagdes nadere besluit van 13 juni 1997, inhoudende handhaving
van de weigering van kinderbijslag over het vierde kwartaal van 1994, in
rechte stand kan houden; alsmede
- of het hoger beroep, dat geacht wordt gericht te zijn tegen de
instandlating van de weigering en de terugvordering van kinderbijslag
over het eerste kwartaal van 1995, kan slagen.
De Raad is van oordeel dat gedaagde over beide kwartalen voldoende
gronden had voor het oordeel dat appellant zijn dochter niet in
belangrijke mate, dat wil zeggen voor een bedrag van tenminste f 56,-
per week, heeft onderhouden.
Bij de door appellant aan gedaagde in oktober 1994 toegezonden opgave
van wijzigingen in de bestaande situatie heeft hij meegedeeld dat C een
beroepsopleiding volgt, dat zij gehuwd is en dat zijn onderhoudsbijdrage
DH 970,- (per maand) beloopt, terwijl die van anderen DH 550,- zou
bedragen. Bij de opgave van wijzigingen in het eerste kwartaal van 1995
heeft appellant achtereenvolgens verklaard dat zijn onderhoudsbijdrage
DH 110,-, DH 550,- dan wel DH 5000,- - dit laatste per kwartaal -
bedraagt.
De Raad constateert dat alleen dit laatste bedrag overeenstemt met het
ingevolge de AKW geldende onderhoudsvereiste, maar dat pas met
betrekking tot het tweede kwartaal van 1995 enig bewijs voorhanden is
dat appellant tot dat bedrag heeft bijgedragen in het onderhoud van C.
Met betrekking tot de terugvordering, die thans nog slechts betrekking
heeft op het eerste kwartaal van 1995, overweegt de Raad dat voldoende
aannemelijk is dat C - in ieder geval - ingaande dat kwartaal uitwonend
was. Appellant had, redelijkerwijs gesproken, kunnen bevroeden dat van
hem zou worden verlangd een toereikende onderhoudsbijdrage voor een
uitwonend kind daadwerkelijk aan te tonen. Nu hij daartoe niet in staat
is, kon hem redelijkerwijs duidelijk zijn dat de doorbetaling van
kinderbijslag over genoemd kwartaal ten onrechte geschiedde. Gedaagde
was derhalve bevoegd die kinderbijslag terug te vorderen. Ook overigens
ziet de Raad geen grond voor aantasting van dit gedeelte van gedaagdes
bestreden besluit.
Een en ander leidt tot de beslissing als in rubriek III aangegeven. Er
zijn geen termen voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de uitspraken van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam
d.dis 16 december 1997 en 27 februari 1998 onder de registratienummers
97/10299 AKW 51 en AKW 97/10299/17;
Vernietigt de in dit geding aangevallen uitspraak, behoudens voorzover
daarbij het besluit tot weigering van kinderbijslag over het vierde
kwartaal van 1994 alsmede tot terugvordering van kinderbijslag over dat
kwartaal, is vernietigd;
Verklaart het in eerste aanleg ingestelde beroep voorzover betrekking
hebbend op de weigering en terugvordering van kinderbijslag over het
eerste kwartaal van 1995 alsnog ongegrond;
Verklaart het beroep tegen gedaagdes besluit van 13 juni 1997 betreffende de weigering van kinderbijslag over het vierde
kwartaal van 1994 eveneens ongegrond.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en mr. T.L. de Vries als leden, in
tegenwoordigheid van mr.
S. Breuls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 april 1999.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) S. Breuls.
III. DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale);
statue:
Annulera les décisions de l'Arrondissementsrechtbank (Tribunal de
grande instance) d'Amsterdam des 16 décembere 1997 et 27 février 1998
des numéro d'immatriculation 97/10299 AKW 51 et AKW 97/10299/17;
Annulera la décision contestée de la présente cause, sauf pour autant
que par cela la décision de refus des allocations familiales pour
quatrième trimestre de 1994, ainsi que ls revendication des allocations
familiales de ce trimestre sera annulée;
Déclarera encore mal fondé l'appel interjeté de première instance
pour tant il se rapporte au refus et à la revendication des allocations
familiales pour le premier trimestre de 1995;
Déclarera mal fondé aussi l'appel contre la décision du défendeur du
13 juin 1997, en ce qui concerne le refus de payer des allocations
familiales pour le quatrième trimestre de 1994.
Par conséquent, décidée par M. le maître N.J. Haverkamp en qualité
de président, M. le maître F.P. Zwart et M. le maître T.L. de Vries
comme membres, en présence de M. le maître S. Breuls en qualité de
greffier, ainsi que prononcée en public, le 7 avril 1999.
|
|