|
Uitspraak
96/5111
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 1 september 1995 (het bestreden besluit) heeft gedaagde
het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 februari 1995,
inhoudende weigering van kinderbijslag ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) ingaande het derde kwartaal van 1993, ongegrond
verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft het tegen dat besluit
ingestelde beroep bij uitspraak van 17 april 1996 ongegrond verklaard.
Van die uitspraak is appellante op daartoe aangevoerde gronden in hoger
beroep gekomen, waarbij is gevorderd het bestreden besluit te
vernietigen.
Gedaagde heeft onder dagtekening 21 augustus 1996 een verweerschrift
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 december 1997, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan
door mr. M.J. van der Staaij, advocaat te Rotterdam als haar raadsvrouw,
terwijl voor gedaagde is verschenen mr. H.P. van Bommel, werkzaam bij
gedaagde.
II. MOTIVERING
De feiten die in rubriek 3 van de aangevallen uitspraak zijn vermeld
vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming, met
dien verstande dat de Raad, anders dan de rechtbank, niet als vaststaand
aanneemt dat appellantes kleindochter C, voor wier onderhoud de
gevraagde kinderbijslag bestemd is, sinds 1989 permanent bij twee zoons
van appellante in Spanje woont. De Raad acht ten aanzien van C's
woonsituatie namelijk gerede twijfel aanwezig, nu op door appellante
ondertekende inlichtingenformulieren, gedateerd 19 april 1991 en 17 december 1991, is vermeld dat C bij haar natuurlijke moeder verblijft
en dat aan deze de bijdrage in de onderhoudskosten wordt betaald.
Betreffende de toetsing van het bestreden besluit stelt de Raad, in
afwijking van de door gedaagde en de rechtbank gehuldigde opvatting,
voorop dat dat besluit niet kan worden gekarakteriseerd als (handhaving
van) een weigering om terug te komen van gedaagdes beslissing van 7 mei
1992. Dit oordeel berust in de eerste plaats op de constatering dat
laatstgenoemde beslissing is genomen naar aanleiding van appellantes
aanvragen om kinderbijslag over het eerste kwartaal van 1990 tot en met
het vierde kwartaal van 1991, terwijl bij het bestreden besluit -
overigens op gelijke gronden - aan appellante ingaande het derde
kwartaal van 1993 aanspraak op kinderbijslag is ontzegd. Daar komt bij
dat gedaagde in het bij de rechtbank ingediende verweerschrift heeft
aangegeven dat bij het nemen van het bestreden besluit wel degelijk een
integrale toetsing van appellantes aanspraken op kinderbijslag heeft
plaatsgevonden. De Raad ziet voorts te minder reden om de bij een
weigering om terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit
behorende beperkte rechterlijke toetsing toe te passen, nu namens
appellante destijds, zowel ten aanzien van de eerdergenoemde beslissing
van 7 mei 1992 als ten aanzien van de daarmee samenhangende beslissing
van 28 augustus 1992, aan gedaagde vruchteloos om afgifte van een voor
beroep vatbare beslissing is gevraagd.
In dit geding staat derhalve de vraag centraal of gedaagde terecht en op
goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat C in de voor dit geding
relevante periode noch als eigen kind noch als pleegkind in de zin van
de AKW was aan te merken. De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
Bij beantwoording van de vraag of C in het relevante tijdvak als eigen
kind van appellante was te beschouwen, moet worden uitgegaan van de
vaste jurisprudentie van de Raad, inhoudende dat de hoedanigheid van
eigen kind in de zin van de AKW in beginsel wordt verkregen door adoptie
naar Nederlands recht en dat het van de omstandigheden van het geval
afhangt of voor de toepassing van de AKW ook adoptie naar buitenlands
recht tot gevolg heeft dat een kind als eigen kind van de adoptiefouders
moet worden aangemerkt. Met name is daarbij volgens die jurisprudentie
van belang of de vereisten voor, en de rechtsgevolgen van, zo'n adoptie
naar vreemd recht met die van adoptie naar Nederlands recht gelijk zijn
te stellen.
Reeds uit de zich in casu voordoende feiten blijkt dat de voorwaarden
voor adoptie naar Spaans recht op enkele punten wezenlijk verschillen
van de vereisten voor adoptie naar Nederlands recht. Immers in dit geval
is sprake van adoptie door grootouders, hetgeen blijkens artikel 228,
eerste lid onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet mogelijk is. Ook
zou in deze casus het bepaalde in artikel 228, eerste lid onder c van
het BW aan adoptie naar Nederlands recht in de weg gestaan hebben, daar
het leeftijdsverschil tussen appellante en C groter is dan vijftig
jaren. De conclusie moet dan ook zijn dat de adoptie naar Spaans recht
er niet toe kan leiden dat C als eigen kind van appellante in de zin van
de AKW is aan te merken.
De vanwege appellante daartegen ingebrachte argumenten ontleend aan het
internationaal privaatrecht en het sociaal zekerheidsrecht van de
Europese Gemeenschappen (EG), kunnen de Raad niet tot een ander oordeel
brengen. Voor de toepassing van de AKW is namelijk volgens de eerder
omschreven constante jurisprudentie van de Raad niet relevant of de
adoptie van het kind in kwestie naar regels van het internationaal
privaatrecht in Nederland zou moeten worden erkend. Ook het beroep dat
vanwege appellante is gedaan op artikel 3, eerste lid van de
EG-verordening 1408/71, welke bepaling een verbod van discriminatie naar
nationaliteit bevat, kan haar niet baten, alleen al omdat niet is in te
zien dat appellante ten opzichte van degene die in gelijke
omstandigheden adoptie naar Nederlands recht zou hebben gevraagd - voor
wie dus eerdergenoemde wettelijke voorwaarden een hinderpaal zouden
vormen - in een nadelige positie verkeert.
De vraag resteert derhalve of C ten tijde voor dit geding van belang als
pleegkind van appellante was aan te merken. Daarvoor is, zoals de Raad
al herhaaldelijk heeft overwogen, een eerste vereiste dat een verzekerde
met betrekking tot de opvoeding van dat kind de plaats inneemt van de
ouders van dat kind en er in dat opzicht een verhouding tussen die
persoon en dat kind bestaat als die van een ouder met een eigen kind.
Gelet op het duurzame verblijf van C in Spanje is niet aannemelijk dat
appellante, in Nederland wonende, daadwerkelijk aan het zojuist
omschreven opvoedingsvereiste voldeed. De Raad is mitsdien van oordeel
dat C evenmin de hoedanigheid van pleegkind van appellante in de zin van
de AKW bezat.
Ten aanzien van het beroep dat vanwege appellante is gedaan op het
vertrouwensbeginsel sluit de Raad zich aan bij hetgeen daarover in de
aangevallen uitspraak is overwogen. De Raad voegt daaraan toe dat hij in
de omstandigheden van dit geval geen aanknopingspunten ziet om te
oordelen dat uit enige norm van ongeschreven recht voortvloeit dat
gedaagde gehouden is om de aan appellante in het verleden toegekende
kinderbijslag tot de voltooiing van C's schoolopleiding te continueren.
Uit het vorenoverwogene volgt dat gedaagde terecht en op goede gronden
het standpunt heeft ingenomen dat C ingaande het derde kwartaal van 1993
in het kader van de toepassing van de AKW noch als een eigen kind noch
als een pleegkind van appellante was aan te merken en dat de
aangevochten weigering van kinderbijslag ook overigens de rechterlijke
toets kan doorstaan. De aangevallen uitspraak komt mitsdien voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H.J. Grendel als voorzitter en mr. F.P. Zwart en mr.
Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van
mr. H.E. Scheepers-van Die als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 14 januari 1998.
(get.) H.J. Grendel.
(get.) H.E.
Scheepers-van Die.
|
|