|
Uitspraak
99/4801
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij beslissing op bezwaar van 6 januari 1999, het thans bestreden
besluit, heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen de weigering van
kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) over het
derde en vierde kwartaal van 1994, het eerste en derde kwartaal van 1995
en 1996 en het eerste kwartaal van 1997 voor gedaagdes dochter
[dochter], ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Roermond heeft bij uitspraak van 3
augustus 1999 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw
besluit te nemen, met veroordeling van appellant tot vergoeding van het
griffierecht.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend
beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 januari
2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. K.C.M.
van Engelenhoven-Eijkelkamp, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank,
en waar gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft op 19 juni 1997 kinderbijslag aangevraagd voor haar
dochter [dochter], geboren in 1991, die op de Filippijnen woont bij een
zus en de ouders van gedaagde. Gedaagde heeft desgevraagd bewijsstukken
overgelegd van betalingen aan de verzorgers van [dochter]. Uit deze
stukken blijkt dat gedaagde in de jaren 1994, 1995 en 1996 steeds in de
maanden mei en oktober bedragen heeft overgemaakt aan de verzorgers en
dat zij vanaf medio 1997 ieder kwartaal een bijdrage in het
levensonderhoud van [dochter] heeft overgemaakt aan de verzorgers.
Bij besluiten van 18 september 1997 heeft appellant geweigerd over het
derde kwartaal van 1996 en het eerste kwartaal van 1997 kinderbijslag
aan gedaagde toe te kennen voor [dochter]. Daarbij heeft appellant het
standpunt ingenomen dat de aanvraag van gedaagde om kinderbijslag niet
meer in behandeling genomen kan worden ten aanzien van de v๓๓r het
tweede kwartaal van 1996 gelegen kwartalen. In maart 1998 is appellant
van dit standpunt teruggekomen, waarna hij bij primair besluit van 20
juli 1998 alsnog kinderbijslag heeft toegekend voor [dochter] over het
tweede kwartaal van 1994 en het tweede en vierde kwartaal van 1995 en
heeft geweigerd over het derde en vierde kwartaal van 1994, het eerste
en derde kwartaal van 1995 en het eerste kwartaal van 1996. Bij het
bestreden besluit heeft appellant de weigering van kinderbijslag over de
in de besluiten van 18 september 1997 en 20 juli 1998 genoemde kwartalen
gehandhaafd, omdat niet is aangetoond dat gedaagde gedurende die
kwartalen een bijdrage heeft geleverd in het levensonderhoud van
[dochter].
De rechtbank heeft dit besluit vernietigd, overwegende dat in de
betalingen van gedaagde over 1994, 1995 en 1996 aan de verzorgers van
[dochter] een systeem zit van twee betalingen per jaar, waaruit - mede
gelet op de hoogte van de telkens betaalde onderhoudsbijdragen - afgeleid
kan worden dat die betalingen een ruimere strekking hebben dan het
kwartaal waarin de betaling plaatsvond, in die zin dat de betalingen
zich uitstrekken over alle kwartalen van het jaar waarin de betalingen
plaatsvonden. Vervolgens heeft de rechtbank geconcludeerd dat niet
gesproken kan worden van wisselende betalingen en (al te zeer)
wisselende bedragen, zodat over alle in geding zijnde kwartalen
aanspraak op kinderbijslag bestaat.
Appellant heeft in hoger beroep primair betwist dat sprake is van een
kenbaar vast systeem van betalingen door gedaagde, nu tamelijk
willekeurige bedragen zijn overgemaakt en hieruit pas na verloop van
enkele jaren met enige goede wil een systeem van betalingen
gedistilleerd zou kunnen worden. Appellant is van oordeel dat zo'n vast
systeem vanaf de eerste betaling op eenvoudige wijze vastgesteld moet
kunnen worden, aan welke voorwaarde de betalingen van gedaagde niet
voldoen. Subsidiair heeft appellant aangevoerd dat wanneer wel een vast
systeem van betalingen wordt aangenomen niet over alle in geding zijnde
kwartalen aanspraak op kinderbijslag bestaat, nu de in 1995 en 1996
betaalde bijdragen minder bedragen dan de vereiste onderhoudsbijdrage
voor vier kwartalen. Daarbij heeft appellant er ook op gewezen dat het
doorschuiven van een betaling alleen kan plaatsvinden naar een volgend
kwartaal en niet van toepassing kan worden geacht op voorliggende
kwartalen.
De Raad stelt voorop dat gedaagde gedurende de in geschil zijnde
kwartalen geen, dan wel ontoereikende, bijdragen in het levensonderhoud
van [dochter] heeft geleverd, zodat het geschil zich toespitst op de
vraag of de geleverde bijdragen in de overige kwartalen geacht kunnen
worden mede voor een of meer van de in geschil zijnde kwartalen te zijn
bestemd.
Ten aanzien van dit geschilpunt merkt de Raad allereerst op dat blijkens
vaste rechtspraak voor de toetsing aan de onderhoudseis uitgangspunt
dient te zijn hetgeen in het betrokken kwartaal voor onderhoud is
betaald. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 27 december
1995 (RSV 1996/252) dient voor het toerekenen van bijdragen aan een
volgend kwartaal ten minste een vast systeem van betalingen te bestaan
waaruit valt af te leiden dat (een deel van) een bijdrage in een
kwartaal niet anders dan (mede) voor een volgend kwartaal bestemd kan
zijn.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op grond van de betalingen
van gedaagde in de jaren 1994, 1995 en 1996 aan de verzorgers van
[dochter], aangenomen kan worden dat sprake is van een vast systeem als
hiervoor bedoeld. Daarbij acht de Raad van belang dat gedaagde gedurende
die jaren steeds op vaste tijdstippen, namelijk in mei en oktober,
bedragen heeft overgemaakt aan de verzorgers van [dochter] en dat die
bedragen, vari๋rend tussen f 2.500,- en f 3.000,- per jaar, niet
zodanig wisselend waren dat op die grond geen vast systeem aangenomen
zou kunnen worden. De door appellant in hoger beroep genoemde voorwaarde
dat een vast systeem reeds bij de eerste betaling op eenvoudige wijze
vastgesteld moet kunnen worden, kan in dit geding niet tot een ander
oordeel leiden nu het hier een beoordeling betreft over een in het
verleden gelegen tijdvak hetgeen toetsing achteraf van het systeem
gedurende die periode mogelijk maakt. Ter zitting is namens appellant
ook erkend dat voornoemde voorwaarde in gevallen als de onderhavige
minder van belang is. Ten slotte acht de Raad nog van belang dat
gedaagde vanaf medio 1997, nadat appellant haar had gewezen op de
beoordeling van de onderhoudsbijdrage per kwartaal, het systeem van haar
betalingen aan de verzorgers heeft gewijzigd in bijdragen per kwartaal.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat aangenomen kan worden
dat de betalingen van gedaagde in 1994, 1995 en 1996 ten dele mede voor
een volgend kwartaal waren bestemd. De Raad is voorts met appellant van
oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat de
betalingen ook geacht kunnen worden betrekking te hebben op kwartalen
gelegen voor het kwartaal waarin de betaling plaatsvond en dat de
rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld of de betalingen voldoende
zijn om ook in de daarop volgende kwartalen aan de onderhoudseis te
kunnen voldoen. De Raad stelt vast dat de in de maanden mei en oktober
van 1995 en 1996 geleverde bijdragen onvoldoende zijn om mede als een
voldoende bijdrage voor de daarop volgende kwartalen aangemerkt te
kunnen worden. De in 1994 betaalde bijdragen zijn echter wel zodanig dat
doorschuiving van het surplus van die betalingen naar daarop volgende
kwartalen in beginsel kan leiden tot een voldoende onderhoudsbijdrage in
het derde en vierde kwartaal van 1994 en het eerste kwartaal van 1995.
Appellant dient hieromtrent een nieuw besluit te nemen, met inachtneming
van het hiervoor overwogene.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt, voorzover daarbij het beroep van
gedaagde betrekking hebbend op het derde en vierde kwartaal van 1994 en
het eerste kwartaal van 1995 gegrond is verklaard en het bestreden
besluit ten aanzien van die kwartalen is vernietigd met dien verstande
dat de opdracht tot het nemen van een nieuw besluit uitsluitend
betrekking heeft op voornoemde kwartalen, en dat die uitspraak voor het
overige vernietigd dient te worden.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding
van proceskosten, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten
niet is gebleken.
De Raad ziet geen aanleiding van appellant een recht te heffen, nu het
hoger beroep van appellant leidt tot vernietiging van een wezenlijk deel
van de aangevallen uitspraak.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het beroep van
gedaagde betrekking hebbend op het derde en vierde kwartaal van 1994 en
het eerste kwartaal van 1995 gegrond is verklaard en het bestreden
besluit ten aanzien van die kwartalen is vernietigd, met dien verstande
dat de opdracht tot het nemen van een nieuw besluit slechts ziet op de
hiervoor genoemde kwartalen en met inachtneming van het in deze - 's
Raads - uitspraak overwogene;
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr.
C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14
februari 2001.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|