|
Uitspraak
99/1965
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 13 november 1997 heeft gedaagde aan appellante ingaande
het vierde kwartaal van 1997 kinderbijslag toegekend voor de kinderen
[C.] en [D.] en kinderbijslag over voordien gelegen kwartalen geweigerd.
Bij beslissing op bezwaar van 1 april 1998, het thans bestreden besluit,
is het bezwaar tegen het besluit van 13 november 1997, betrekking
hebbend op de weigering van kinderbijslag, ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 3
maart 1999 het tegen het besluit van 1 april 1998 ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. Th.H.C.M. Ponsioen, advocaat te Oegstgeest, van
die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 10 januari 2001, waar partijen, zoals schriftelijk aangekondigd, niet
zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellante heeft tot 13 oktober 1995 samengewoond met mevrouw [E.].
Tijdens die samenwoning heeft [E.] via kunstmatige inseminatie het leven
geschonken aan twee kinderen, te weten: [C.], geboren [in] 1988 en [D.],
geboren [in] 1993. Appellante is destijds benoemd tot toeziend voogdes
over deze kinderen en heeft aangevoerd dat zij tijdens de samenwoning de
rol van "moeder" heeft vervuld. Na het beλindigen van de
samenwoning in oktober 1995 heeft appellante [C.] en [D.] meegenomen. [E.]
heeft sindsdien niet bijgedragen in het levensonderhoud van deze
kinderen.
Appellante heeft op 19 april 1996 kinderbijslag aangevraagd ten behoeve
van [C.] en [D.]. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 13 mei
1996 heeft gedaagde afwijzend op dit verzoek beslist, omdat [E.] als
biologische moeder van [C.] en [D.] het ouderlijk gezag over hen heeft
en de band tussen haar en de kinderen niet (volledig) is verbroken,
zodat niet gezegd kan worden dat appellante de plaats van de ouder is
gaan innemen. Appellante heeft toen berust in dat besluit.
In december 1996 heeft [E.] aan de Kantonrechter te Leiden verzocht om
appellante tot co-ouder over [C.] en [D.] te benoemen, welk verzoek niet
is ingewilligd, omdat de wet niet de mogelijkheid biedt voor
gezamenlijke gezagsuitoefening door de moeder en haar (ex-)vriendin.
Bij beschikking van de Kantonrechter te 's-Gravenhage van 30 september
1997 is appellante, naar aanleiding van een op 24 juni 1997 door [E.]
ingediend verzoek daartoe, benoemd tot tijdelijk voogdes over [C.] en [D.].
Appellante heeft deze beschikking op 9 oktober 1997 overhandigd aan
gedaagde met het verzoek haar, ook met terugwerkende kracht,
kinderbijslag toe te kennen voor [C.] en [D.].
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 13 november 1997 heeft
gedaagde vanaf het vierde kwartaal van 1997 kinderbijslag aan appellante
toegekend voor voornoemde kinderen, doch kinderbijslag geweigerd over de
voordien gelegen kwartalen. Daartoe is in het bestreden besluit, onder
meer, het volgende overwogen:
"Omdat er voor de biologische moeder, mevrouw [E.], een
bezoekregeling van kracht was, kan niet worden geconcludeerd, dat de
band tussen de biologische moeder die niet van het ouderlijk gezag was
ontheven, was verbroken. Op grond hiervan kan er niet worden gesteld,
dat de kinderen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet als uw
pleegkinderen konden worden aangemerkt, ook al berustte de feitelijke
verzorging van [C.] en [D.] bij u. Aangezien er op grond van
bovenstaande niet aan het opvoedingsvereiste in de zin van de Algemene
Kinderbijslagwet werd voldaan, is er daarom terecht besloten dat u geen
recht heeft op kinderbijslag voor de periode voorafgaand aan het vierde
kwartaal van 1997."
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, het
standpunt van gedaagde onderschrijvend. In hoger beroep heeft appellante
er onder meer op gewezen dat een te vergaand criterium wordt aangelegd
in haar situatie. Ook nadat de tijdelijke voogdij is verleend heeft [E.]
nog het gezag over de kinderen en bestaat er nog een omgangsregeling met
haar.
De Raad overweegt het volgende.
Voorop moet worden gesteld dat het geschil tussen partijen is beperkt
tot de vraag of gedaagde terecht heeft geoordeeld dat [C.] en [D.] in de
kwartalen gelegen voor het vierde kwartaal van 1997 niet als
pleegkinderen van appellante in de zin van de AKW aangemerkt kunnen
worden.
Blijkens vaste rechtspraak van de Raad kan een verzekerde als appellante
slechts dan geacht worden een kind als eigen kind op te voeden - hetgeen
vereist is om dat kind als pleegkind aan te merken - indien zij met
betrekking tot de opvoeding de plaats inneemt van de ouder(s) van dat
kind en er in dat opzicht een verhouding tussen haar en het kind bestaat
als die van een ouder met zijn eigen kind. Voorts heeft de Raad reeds
eerder overwogen, onder meer in de uitspraak van 1 april 1998 (RSV
98/204 en USZ 98/140), dat de omstandigheid dat een ander dan de -
pretense -
pleegouder ten aanzien van het kind (mede) juridische
verantwoordelijkheid c.q. gezag draagt, in het algemeen in de weg staat
aan het aannemen van pleegouderschap in de zin van de AKW.
De Raad is met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat gedurende de
kwartalen gelegen voor het vierde kwartaal van 1997 aan de voorwaarden
voor het aannemen van een pleegouder-pleegkindrelatie in de zin van de
AKW tussen appellante en [C.] en [D.] nog niet was voldaan. Daarbij acht
de Raad ten eerste van belang dat appellante tot 30 september 1997 geen
juridische verantwoordelijkheid voor c.q. gezag had over deze kinderen,
aangezien het ouderlijk gezag toen alleen bij [E.] berustte en
laatstgenoemde tot medio 1997 kennelijk niet bereid was mee te werken
aan een procedure ter verkrijging van de (tijdelijke) voogdij van
appellante over [C.] en [D.]. Het feit dat appellante en [E.] de
kinderen gedurende enige jaren samen hebben opgevoed, waarbij appellante
de rol van "moeder" zou hebben vervuld, is weliswaar een
bijzondere omstandigheid, doch laat onverlet dat appellante tijdens de
samenwoning en daarna geen - juridisch - gezag over de kinderen heeft
gehad. Ten slotte is ook de Raad van oordeel dat het zogenaamde
"blokkaderecht" als bedoeld in artikel 253s, eerste lid, BW,
slechts betrekking heeft op wijzigingen in het verblijf van het kind,
zodat daaraan in deze procedure geen doorslaggevende betekenis kan
worden toegekend.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de weigering van kinderbijslag als
neergelegd in het bestreden besluit rechtens juist is, zodat de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) M.F.
van Moorst.
|
|