|
Uitspraak
99/2092
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A], wonende te [B], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 16 januari 1997 heeft gedaagde appellante medegedeeld
dat zij over het vierde kwartaal van 1996 geen recht heeft op
kinderbijslag voor de kinderen [C], geboren [in], en [D], geboren [in]
1985.
Bij besluit van 5 juni 1997 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit
van 16 januari 1997 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van
4 maart 1999 het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. F.L. Teerling, werkzaam bij het Buro voor
Rechtshulp te 's-Hertogenbosch, op daartoe in het beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 24 juli 2000 heeft gedaagde desgevraagd nadere
inlichtingen verstrekt, waarop appellante bij brief van 20 december 2000
heeft gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 januari
2001. Namens appellante zijn daar verschenen haar echtgenoot en mr.
P.F.L.M. Verhey, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te
's-Hertogenbosch, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen
door mr. P. Buskens, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante heeft gedaagde bij brief van 20 augustus 1996 medegedeeld dat
de kinderen [C] en [D] met ingang van 10 juli 1996 op een kostschool in
Marokko verblijven. Volgens opgave d.d. 27 oktober 1996 van appellante
werden de kinderen verzorgd door [E] en droegen zowel appellante als [E]
f 400,-- per maand bij in het onderhoud van de kinderen. Met betrekking
tot het vierde kwartaal van 1996 heeft appellante op 29 oktober 1996 f
1.017,50 overgemaakt aan [F] en op 13 november 1996 f 880,-- aan [F],
die de bedragen, naar de echtgenoot van appellante op 6 januari 1997
heeft verklaard, zouden hebben overhandigd aan [E]. Bij brief van 14
januari 1997 heeft appellante doorgegeven dat vanaf dat moment [F] de
verzorger van de kinderen was. Gedaagde heeft daarna het besluit van 17
januari 1997 afgegeven. Tijdens de bezwaarprocedure heeft appellante een
verklaring van de school van de kinderen overgelegd, waarin de ontvangst
van 10.000 dirham aan schoolgeld wordt bevestigd. Tevens is duidelijk
geworden dat appellante in september 1996 kreeg te horen dat [E] niet
langer als verzorger kon optreden, waarna uiteindelijk [F] bereid werd
gevonden als verzorger op te treden. In de tussentijd is een betaling
overgemaakt aan een neef, [F], die dat heeft overhandigd aan [F]. Bij
het bestreden besluit heeft gedaagde het besluit van 17 januari 1997
gehandhaafd, en daartoe overwogen dat appellante niet heeft aangetoond
dan wel aannemelijk gemaakt dat de in oktober en november 1996
overgemaakte gelden ten goede zijn gekomen aan de kinderen, nu die
bedragen niet zijn overgemaakt aan de verzorger van de kinderen of de
school. Van het overgemaakte schoolgeld zou een bedrag ad f 1.275,-- in aanmerking kunnen worden genomen als bijdrage in het
onderhoud van de kinderen, maar dat bedrag is te laag om voor
kinderbijslag in aanmerking te kunnen komen, waarbij gedaagde ook heeft
opgemerkt dat onduidelijk is wanneer en door wie dat bedrag is betaald.
De rechtbank heeft gedaagdes standpunt onderschreven.
Appellante is van mening dat zij in voldoende mate heeft aangetoond dat
zij aan de onderhoudseis heeft voldaan door bedragen over te maken aan
de tijdelijke verzorgers van de kinderen. Door het plotselinge wegvallen
van [E] moest zij een andere vaste verzorger vinden, wat niet direct
lukte. Volgens appellante is voldoende aannemelijk gemaakt dat de
betalingen ten goede zijn gekomen van de kinderen.
De Raad overweegt als volgt.
De kinderen [C] en [D] waren ten tijde hier van belang jonger dan 16
jaar en behoorden door of in verband met het volgen van onderwijs niet
tot het huishouden van appellante. Dit heeft tot gevolg dat het bepaalde
in artikel 6 van het op artikel 7, vierde lid, van de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) berustende Besluit onderhoudsvoorwaarden
kinderbijslag, Stb. 1995, 451 (KB 451) van toepassing is, zodat
appellante, wil zij recht kunnen hebben op kinderbijslag, ten tijde hier
van belang een bijdrage in het onderhoud van de kinderen diende te
leveren van minimaal f 740,-- per kind per kwartaal, terwijl voorts het
inkomen van de kinderen minder dan f 3.193,-- per kind per kwartaal
diende te bedragen.
Met betrekking tot het antwoord op de vraag of appellante aan de
genoemde onderhoudseis heeft voldaan, overweegt de Raad dat uit zijn
vaste jurisprudentie, onder meer gepubliceerd in RSV 1992/16, volgt dat
de aanvrager van kinderbijslag desgevraagd op eenvoudig controleerbare
wijze dient aan te tonen, dan wel aannemelijk dient te maken dat de
vereiste onderhoudsbijdrage is geleverd. De meest voor de hand liggende
methode daarbij is overmaking van de gelden per bank, giro of
internationale postwissel aan de verzorger van het kind. Hiervan kan
onder bijzondere omstandigheden worden afgeweken, maar ook dan dient,
desgevraagd, te worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de vereiste
bijdrage is geleverd.
Van deze aan de betalingen te stellen voorwaarden heeft gedaagde
appellante bij brieven van 26 augustus 1996 in kennis gesteld. Voorts
heeft appellante op 27 oktober 1996, op welk moment zij, naar achteraf
is gebleken, al wist dat deze opgave niet meer juist was, opgegeven dat
[E] de verzorger van de kinderen was. Eerst bij brief van 14 januari
1997 heeft appellante medegedeeld dat [F] vanaf dat moment de verzorger
was. Gelet hierop kan niet anders worden geconcludeerd dan dat in het
vierde kwartaal van 1996 geen controleerbare betalingen door appellante
zijn verricht aan degene die volgens opgave optrad als verzorger van de
kinderen. Dit betekent dat niet is voldaan aan de hiervoor vermelde
voorwaarden die gesteld moeten worden aan de betalingen. Van bijzondere
omstandigheden om hiervan af te wijken, is de Raad niet gebleken. Het
had op de weg van appellante gelegen, nadat zij had vernomen dat [E]
niet langer als verzorger van de kinderen kon optreden, met gedaagde
contact op te nemen, teneinde zich te laten voorlichten omtrent de
mogelijkheden om in haar omstandigheden op voor de toepassing van de AKW
te accepteren wijze bijdragen in het onderhoud van de kinderen te
leveren.
Het voorgaande betekent dat gedaagde terecht heeft geweigerd aan
appellante kinderbijslag toe te kennen over het vierde kwartaal van 1996
voor haar kinderen [C] en [D]. De aangevallen uitspraak dient dan ook te
worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een
proceskostenvergoeding.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) M.B.M.
Vermeulen.
|
|