|
Uitspraak
99/819
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 26 maart 1997 heeft gedaagde de betaling van de
kinderbijslag voor appellants kinderen [C.] en [D.] met ingang van het
tweede kwartaal van 1995 geschorst.
Bij besluit van 16 maart 1998 heeft gedaagde het tegen het besluit van
26 maart 1997 over de periode van het tweede kwartaal 1995 tot en met
het tweede kwartaal 1996 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond
verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 30 december
1998 het door appellant bij brief van 24 april 1998 ingestelde beroep
tegen het besluit van 16 maart 1998 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. P.R. Klaver, advocaat te Bergen op Zoom, op bij
aanvullend beroepschrift van 6 september 1999 aangegeven gronden in
hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 31 januari
2001.
Partijen zijn - beide met kennisgeving - niet ter zitting verschenen.
II. MOTIVERING
Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellant ontving voor zijn destijds bij de moeder in Soedan
verblijvende zoon [C.], geboren [in] 1990, kinderbijslag ingevolge de
Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en heeft met ingang van het derde
kwartaal van 1995 kinderbijslag gevraagd voor zijn eveneens bij de
moeder verblijvende dochter [D.], geboren [in] 1995. In juni 1996 zijn
moeder en de kinderen naar Nederland gekomen.
Bij het primaire besluit van 26 maart 1997 heeft gedaagde de betaling
van de kinderbijslag ten behoeve van de beide kinderen geschorst omdat
er nog onderzoek liep om te kunnen vaststellen of de kinderen in
Nederland verblijven dan wel in leven zijn.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het tegen het primaire besluit
gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. In de aangevallen
uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat het bestreden besluit een
combinatie van besluiten omvat. In de eerste plaats is de schorsing ten
aanzien van [C.] wat betreft het tweede kwartaal van 1995 ongedaan
gemaakt. In zoverre is, aldus de rechtbank sprake van een besluit op
bezwaar. Voorts is eerst bij het bestreden besluit omtrent het recht op
kinderbijslag van [D.] een beslissing genomen en is ten aanzien van
beide kinderen bepaald dat over het derde kwartaal van 1995 tot en met
het tweede kwartaal van 1996 geen recht op kinderbijslag bestaat. In
zoverre is volgens de rechtbank sprake van primaire besluitvorming.
Gelet op de overwegingen van het bestreden besluit, mede bezien in
samenhang met de inhoud van de daarbij behorende aanbiedingsbrief van 16
maart 1998, komt de duiding van de strekking en de reikwijdte van het
bestreden besluit, zoals de rechtbank die in de aangevallen uitspraak
heeft gegeven, de Raad op zichzelf niet onjuist voor. De Raad voegt daar
nog aan toe dat gedaagde bij afzonderlijk besluit van 16 maart 1998 aan
appellant ten behoeve van beide kinderen met ingang van het derde
kwartaal van 1996 kinderbijslag heeft toegekend.
Het bij de rechtbank ingestelde beroep zag onmiskenbaar alleen op die
onderdelen van het bestreden besluit, welke door de rechtbank als
primaire besluitvorming zijn geduid.
De rechtbank heeft, ondanks het feit dat met betrekking tot de in het
bestreden besluit vervatte primaire besluitvorming niet de in artikel
7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven
bezwaarprocedure is gevolgd, het bestreden besluit met inbegrip van deze
primaire besluitvorming beoordeeld en heeft er van afgezien het
beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 van de Awb door te zenden
naar gedaagde ter behandeling als bezwaarschrift. Voor deze wijze van
afdoening heeft, zo blijkt uit de aangevallen uitspraak, de rechtbank
gekozen omdat tijdens de op 27 augustus 1998 gehouden comparitie van
partijen als bedoeld in artikel 8:44 van de Awb het recht op
kinderbijslag van eiser voor beide kinderen over de in de primaire
besluitvorming bedoelde kwartalen in de bezwaarfase reeds inhoudelijk
aan de orde is geweest en beide partijen terugwijzing van de zaak naar
gedaagde ter behandeling van het beroepschrift als bezwaarschrift niet
zinvol achtten. De rechtbank heeft voorts in aanmerking genomen dat
appellant door deze gang van zaken niet in zijn belangen is geschaad en
dat zijn bezwaren tegen het primaire besluit van 26 maart 1997 in grote
lijnen overeenkomen met zijn bezwaren tegen de bij het bestreden besluit
eveneens gevallen primaire beslissing over het recht op kinderbijslag
vanaf het tweede kwartaal van 1995. Tenslotte heeft de rechtbank er in
dit verband op gewezen dat het ook uit een oogpunt van proceseconomie de
voorkeur heeft het bestreden besluit in zijn geheel ten gronde te
beoordelen.
Wat betreft de inhoudelijk kant van de in het bestreden besluit begrepen
primaire besluitvorming heeft de rechtbank geoordeeld dat terecht door
gedaagde is vastgesteld dat ten behoeve van beide kinderen geen recht op
kinderbijslag bestaat over het derde kwartaal van 1995 tot en met het
tweede kwartaal van 1996. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat
weergegeven - overwogen dat appellant niet op voor gedaagde eenvoudig te
controleren wijze heeft aangetoond dat hij beide kinderen in de
betreffende kwartalen in belangrijke mate heeft onderhouden. Voorts
heeft de rechtbank, mede gelet op geregelde openbaarmaking van
informatie van de zijde van gedaagde over het recht op kinderbijslag,
ook voor in het buitenland verblijvende kinderen, en de uitgifte van
folders daarover, de grief van appellant verworpen dat gedaagde ten
aanzien van appellant op dit punt is tekort geschoten.
In hoger beroep heeft appellant uitsluitend aangevoerd dat het op de weg
van gedaagde had gelegen om appellant in een eerder stadium te wijzen op
zijn verplichtingen ter zake van het leveren van de vereiste
onderhoudsbijdrage, bijvoorbeeld in de brief van gedaagde aan appellant
van 7 maart 1996, waarin werd gevraagd om een gelegaliseerd
geboortebewijs van de kinderen en een akte van in leven zijn.
De Raad stelt vast dat gedaagde met het bestreden besluit gedeeltelijk
niet is gebleven binnen de grondslag en de reikwijdte van het primaire
besluit van 26 maart 1997. Voorzover bij het bestreden besluit ook is
beslist omtrent het recht op kinderbijslag van de beide kinderen over
het derde kwartaal van 1995 tot en met het tweede kwartaal van 1996 is
onmiskenbaar sprake van primaire besluitvorming. Daartegen dient
ingevolge artikel 7:1 van de Awb, nu de daarin vervatte uitzonderingen
op de in het stelsel van de Awb verplichte bezwaarprocedure hier niet
van toepassing zijn, alvorens beroep kon worden ingesteld, bezwaar te
worden gemaakt. Hoewel het oordeel van de rechtbank de Raad op zichzelf
niet onbegrijpelijk voorkomt, ziet de Raad voor verdergaande
uitzonderingen op het volgen van de bezwaarprocedure, gegeven ook de
centrale plaats van deze procedure in de Awb, geen grond.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover
betrekking hebbend op de hiervoor omschreven primaire besluitvorming,
niet in stand kan blijven en dat appellants inleidende beroep alsnog
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Onder analoge toepassing
van artikel 6:15 van de Awb, dat ingevolge artikel 6:24 van die wet in
hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, dient het bij de
rechtbank ingediende beroepschrift te worden doorgezonden aan gedaagde
ter behandeling als bezwaarschrift.
Met betrekking tot het tot de zorgvuldigheid van informatieverschaffing
beperkte geschilpunt in hoger beroep overweegt de Raad, thans geheel ten
overvloede, dat hem hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen
rechtens niet onjuist voorkomt.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant, welke worden
begroot op f 1420,= in eerste aanleg en op f 710,= in hoger beroep als
kosten van verleende rechtsbijstand. Tevens dient op grond van artikel
25, eerste lid, van de Beroepswet aan appellant het door hem in twee
instanties gestorte griffierecht, tezamen f 220,=, te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart appellant alsnog niet-ontvankelijk in zijn inleidende beroep
tegen het bestreden besluit, voorzover daarbij is beslist over het recht
op kinderbijslag ten behoeve van de kinderen [C.] en [D.] over het derde
kwartaal van 1995 tot en met het tweede kwartaal van 1996;
Gelast dat gedaagde aan appellant het griffierecht van f 220,= vergoedt;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
f 2130,=.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) M.B.M.
Vermeulen.
|
|