|
Uitspraak
99/2308
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A., wonende te B., appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 23 oktober 1997 heeft gedaagde geweigerd aan appellant
vanaf het derde kwartaal van 1996 kinderbijslag ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen ten behoeve van de kinderen C., D.
en E..
Bij beslissing op bezwaar van 26 maart 1998, het thans bestreden
besluit, is het bezwaar tegen eerdergenoemd besluit ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft bij uitspraak van 6 april
1999 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Namens appellant is mr. R.A. Wolleswinkel, advocaat te Barneveld, van
die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 31 januari
2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
Wolleswinkel, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. G. van der Schuur, werkzaam bij de Sociale
Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant is sedert 1963 wettig gehuwd met F., geboren in 1943, uit welk
huwelijk een zoon is geboren.
Op 23 september 1997 heeft appellant kinderbijslag aangevraagd voor de
kinderen C. en D., beiden geboren in 1992, en E., geboren in 1995, die
in Turkije verblijven bij hun moeder G.. Uit een door appellant
overgelegd uittreksel uit het bevolkingsregister blijkt dat hij deze
kinderen heeft erkend. Namens appellant is verklaard dat hij in 1984
kerkelijk is gehuwd met G.
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 23 oktober 1997 heeft
gedaagde geweigerd kinderbijslag ten behoeve van deze kinderen aan
appellant toe te kennen, onder meer, omdat de kinderen niet als eigen
kinderen van appellant in de zin van de AKW zijn te beschouwen.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard,
overwegende dat de erkenning van de kinderen C., D. en E. naar Turks
recht niet gelijk te stellen is met een erkenning naar Nederlands recht.
Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat in het Turkse recht, wat
betreft de vereisten voor een rechtsgeldige erkenning, sprake is van
twee essentiële verschillen met het Nederlandse recht, nu in het Turkse
recht de voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder voor een
erkenning niet is vereist en voorts een erkenning door een man die
gehuwd is met een andere vrouw dan de moeder van het kind mogelijk is.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat het gemaakte
onderscheid ten aanzien van de toestemming door de moeder niet te
rechtvaardigen is, aangezien G. geen enkel bezwaar had en heeft tegen de
erkenning. Naar de mening van appellant leidt het standpunt van gedaagde
tot rechtsongelijkheid. Voorts is aangevoerd dat, blijkens het arrest
van de Hoge Raad van 10 november 1989 (NJ 1990, 450), in het Nederlandse
recht een erkenning door een gehuwde man mogelijk is wanneer aannemelijk
is dat tussen de man en de moeder een band bestaat of heeft bestaan die
in voldoende mate met een huwelijk op één lijn valt te stellen.
De Raad stelt voorop dat het geschil tussen partijen is beperkt tot de
vraag of de kinderen C., D. en E. kunnen worden aangemerkt als eigen
kinderen van appellant in de zin van artikel 7 van de AKW.
Zoals al eerder is overwogen, onder meer in de uitspraak 7 april 1999 (RSV
1999/189), acht de Raad het in gevallen als het onderhavige een juist
uitgangspunt dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van
eigen kinderen in de zin van de AKW het criterium wordt gehanteerd zoals
dat met name bij adopties naar buitenlands recht in de rechtspraak is
ontwikkeld. Dit criterium houdt in dat beoordeeld moet worden of de
betreffende buitenlandse rechtsfiguur wat betreft de daarvoor geldende
vereisten en de daaraan verbonden rechtsgevolgen gelijk is te stellen
met de overeenkomstige Nederlandse rechtsfiguur.
De Raad stelt vast dat in het Turkse recht, anders dan in het
Nederlandse recht, ten aanzien van erkenningen niet de eis geldt van
voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder. Reeds op grond van
dit verschil tussen de in het Turkse en het Nederlandse recht gestelde
vereisten ten aanzien van erkenning, moet geconcludeerd worden dat de
erkenning naar Turks recht voor de toepassing van de AKW niet
gelijkgesteld kan worden met een erkenning naar Nederlands recht. Het
feit dat G. wel toestemming voor de erkenning had willen geven kan niet
tot een ander oordeel leiden, aangezien bepalend is welke vereisten het
Turkse recht voor een erkenning stelt. Een bespreking van het door
gedaagde verder nog gesignaleerde verschil ten aanzien van de
mogelijkheden voor gehuwde mannen om kinderen te erkennen acht de Raad
dan ook niet meer noodzakelijk. Ten aanzien van het - niet nader
uitgewerkte - beroep van appellant op rechtsongelijkheid merkt de Raad
ten slotte nog op dat niet is gebleken van een schending van het
gelijkheidsbeginsel.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat gedaagde terecht C., D.
en E. niet als eigen kinderen van appellant in de zin van artikel 7 van
de AKW heeft aangemerkt en dat het besluit tot weigering van
kinderbijslag in stand moet worden gelaten.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding
van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2001.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|