|
Uitspraak
98/8055
AKW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.] (Marokko), opposant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Opposant is in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank te
Amsterdam op 4 april 1997 tussen partijen gewezen uitspraak.
Bij uitspraak van 29 september 1999 heeft de Raad het ingestelde hoger
beroep niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat opposant het griffierecht
niet heeft voldaan.
Opposant is van die uitspraak tijdig in verzet gekomen.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 20 juni 2000, waar partijen - geopposeerde met bericht - niet zijn
verschenen.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
II. MOTIVERING
Ingevolge artikel 22 van de Beroepswet is opposant bij het instellen van
hoger beroep een griffierecht verschuldigd van f 160,-.
Opposant is op de verschuldigdheid daarvan door de griffier gewezen bij
brief van 13 april 1999. Bij brief van 27 april 1999 heeft opposant de Raad
medegedeeld op dat moment geen geld te hebben om het griffierecht te voldoen. Hij heeft
daarbij verzocht het griffierecht te mogen voldoen zodra hij de gelden
waarop hij meent aanspraak te kunnen maken, heeft ontvangen.
Bij brief van 6 juli 1999 heeft de griffier opposant medegedeeld dat
geen uitstel wordt verleend en dat het verschuldigde recht uiterlijk op
17 augustus 1999 dient te zijn bijgeschreven op rekening van de Centrale
Raad van Beroep dan wel ter griffie te zijn gestort en dat
overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van
het hoger beroep. In een op 13 september 1999 door de Raad ontvangen
brief heeft opposant de Raad laten weten dat hij niets aan zijn eerdere
brief heeft toe te voegen.
Bij de hierboven genoemde uitspraak van 29 september 1999 heeft de Raad
overwogen dat redelijkerwijs niet kon worden geoordeeld dat opposant
niet in verzuim was geweest en is hij tot het oordeel gekomen dat het
beroep kennelijk niet-ontvankelijk was.
In verzet heeft opposant (wederom) aangevoerd dat hij geen geld heeft om
het griffierecht te voldoen doordat hij ziek is en niet werkt.
De Raad moet thans, in deze verzetsfase, de vraag beantwoorden of in de
uitspraak van 29 september 1999 terecht is geoordeeld dat het hoger
beroep van opposant kennelijk niet-ontvankelijk is. De Raad beantwoordt
die vraag ontkennend.
“Kennelijk” in artikel 8:54 van de Awb wil zeggen dat over de
uitslag van een beroepszaak in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. In
de uitspraak van 29 september 1999 is terecht vastgesteld dat opposant
het griffierecht niet binnen de gestelde termijn heeft betaald en
derhalve slechts in zijn hoger beroep kan worden ontvangen indien
redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest.
Gegeven de gang van zaken zoals hierboven geschetst, waarin opposant
zich in een vroegtijdig stadium heeft beroepen op betalingsonmacht en
heeft verzocht om een betalingsregeling, kan evenwel niet zonder meer
worden gezegd dat van dit laatste geen sprake is en dat boven twijfel is
dat opposant in zijn hoger beroep niet kan worden ontvangen. De Raad zal
zich nader omtrent het door opposant naar voren gebrachte dienen te
beraden, waarbij onder andere een rol zal moeten spelen hoe, mede in het
licht van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
en de Fundamentele Vrijheden, ten aanzien van vergelijkbare verzoeken
wordt gehandeld.
Het verzet dient derhalve met toepassing van artikel 21 van de
Beroepswet in samenhang met artikel 8:55, derde lid van de Awb gegrond
te worden verklaard. Gegeven het bepaalde in het zevende lid van
laatstbedoeld artikel vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan
en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Ten overvloede en ter voorlichting van opposant overweegt de Raad dat
uit het vorenstaande niet voortvloeit dat opposants hoger beroep
ontvankelijk moet worden geacht. Het betekent slechts dat de
ontvankelijkheid nader moet worden bezien.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb, nu hem niet van voor vergoeding in aanmerking komende
kosten is gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet gegrond.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. J.Th.
Wolleswinkel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van B.C.
Rog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2001.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) B.C. Rog.
III. DECISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale);
statue:
Déclare le recours fondé.
Par conséquent, décidée par M. le maître M.M. van der Kade en qualité
de président,
M. le maître J.Th. Wolleswinkel et M. le maître H.J. Simon comme
membres, en présence de B.C. Rog en qualité de greffier, ainsi que
prononcée en public,
le 20 mars 2001.
|
|