|
Uitspraak
00/3097
AKW, 00/2440 AKW, 99/4942 AKW, 99/4945 AKW, 99/4941 AKW, 99/4944 AKW,
99/4943 AKW en 00/2399 AKW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant (hierna te noemen: SVB),
en
[A.], wonende te [B.], gedaagde 1,
[C.], wonende te [D.], gedaagde 2,
[E.], wonende te [B.], gedaagde 3,
[F.], wonende te [B.] gedaagde 4,
[G.], wonende te [B.], gedaagde 5,
[H], wonende te [B.], gedaagde 6,
[I.], wonende te [B.], gedaagde 7.
en
in het geding tussen:
[J.], wonende te [K.], appellante,
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft bij primaire besluiten aan
gedaagden 1 tot en met 7 en aan appellante met ingang van het derde
kwartaal van 1998 kinderbijslag geweigerd.
De tegen deze besluiten gemaakte bezwaren heeft de SVB ongegrond
verklaard bij besluiten d.dis respectievelijk 19 januari 1999, 20
januari 1999, 17 december 1998, 5 januari 1999, 27 januari 1999, 25
november 1998, 17 december 1998 en 7 januari 1999.
De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraken van
respectievelijk 27 april 2000 (gedaagde 1) en 4 augustus 1999 (gedaagde 3, 4, 5, 6, 7)
de beroepen tegen de besluiten van 19 januari 1999, 17 december 1998, 5
januari 1999, 27 januari 1999 en 25 november 1998 gegrond verklaard en
die besluiten vernietigd. Daarbij zijn tevens griffierechtvergoedingen
en proceskostenveroordelingen uitgesproken. De Arrondissementsrechtbank
te Utrecht heeft bij uitspraak van 20 maart 2000 het beroep van gedaagde
2 tegen het besluit van 20 januari 1999 gegrond verklaard en dat besluit
vernietigd. Ook hierbij is een griffierechtvergoeding en
proceskostenveroordeling uitgesproken.
De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 7
februari 2000 het beroep van appellante tegen het besluit van 7 januari
1999 ongegrond verklaard.
De SVB heeft op daartoe aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen
de uitspraken van de rechtbanken Amsterdam en Utrecht. Namens appellante
heeft mr. P.H. Visser, advocaat te Wormerveer, op daartoe aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem.
In de zaken van gedaagde 1, 3, 4, 5 en 7 is verweer gevoerd, alsmede in
de zaak van appellante, terwijl de SVB in de zaken van gedaagde 4 en 5
nog desgevraagd nadere inlichtingen heeft verstrekt.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft bij brief van 15
december 2000 enkele vragen van ’s Raads fungerend president
betreffende de zaken van gedaagde 3, 4, 5, 6 en 7 beantwoord.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op
4 april 2001. Namens appellante is daar verschenen mr. Visser,
voornoemd. Namens de SVB zijn verschenen mr. M.A.H. van Dalen - Van
Bekkum en C.J. Siemerink, beiden werkzaam bij de SVB. Gedaagden 1, 2, 3
en 6 zijn niet verschenen, namens gedaagde 4 is verschenen mr. J.W.
Bogaardt, advocaat te Wassenaar, namens gedaagde 5 is verschenen mr.
D.S. de Ploeg, advocaat te Amsterdam en namens gedaagde 7 is verschenen
mr. A. Barada, advocaat te Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.
Gedaagde 1 heeft de Marokkaanse nationaliteit en verblijft sedert 1991
in Nederland. Zij is gehuwd geweest met een man met de Nederlandse
nationaliteit, uit welk huwelijk drie kinderen zijn geboren. Zij heeft
niet gewerkt en ontvangt een uitkering ingevolge de Algemene
bijstandswet (Abw). Zij was sinds 1996 in procedure ter verkrijging van
een verblijfsvergunning, die haar in juli 2000 is verleend.
Gedaagde 2 heeft de Turkse nationaliteit en verblijft sedert 1988 in
Nederland. Met ingang van 31 maart 1998 is aan hem een uitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
toegekend. Vanaf 1994 ontving hij kinderbijslag. Op 22 augustus 1995
heeft hij een aanvraag om een verblijfsvergunning ingediend, die is
afgewezen. Het bezwaar daartegen is ongegrond verklaard en het beroep
daartegen is ongegrond verklaard bij uitspraak van 10 juli 1998. Op 2
december 1998 heeft hij nogmaals een aanvraag om een verblijfsvergunning
ingediend.
Gedaagde 3 heeft de Surinaamse nationaliteit en verblijft sedert 1993 in
Nederland. Hij ontvangt een Abw-uitkering en was op 1 juli 1998 in
procedure ter verkrijging van een verblijfsvergunning.
Gedaagde 4 heeft de Turkse nationaliteit. Haar echtgenoot is sedert 1986
in Nederland en heeft hier vanaf 1990 met onderbrekingen arbeid
verricht. Op 1 juli 1998 was appellante in procedure ter verkrijging van
een verblijfsvergunning, die haar met ingang van 1 oktober 1999 is
verleend op grond van de zogeheten witte-illegalenregeling.
Gedaagde 5 heeft de Marokkaanse nationaliteit en verblijft sedert 1976
in Nederland. Hij heeft afwisselend gewerkt, maar ontving op 1 juli 1998
een Abw-uitkering. Op 28 mei 1998 heeft hij een verblijfsvergunning
aangevraagd, die hem met ingang van 1 oktober 1999 op grond van de
zogeheten witte-illegalenregeling is verleend.
Gedaagde 6 heeft de Nigeriaanse nationaliteit en verblijft, na een
eerder verblijf van 1989 tot en met 1993, vanaf 1995 in Nederland. Op 19
juli 1995 heeft zij een aanvraag om een vergunning tot verblijf
ingediend, op welke aanvraag op 1 juli 1998 nog niet was beslist. Aan
haar is inmiddels een verblijfsvergunning op grond van de witte-illegalenregeling
verleend.
Gedaagde 7 heeft de Turkse nationaliteit. Hij verblijft sedert 15 juli
1991 in Nederland en werkt hier vanaf 19 april 1993. Op 30 december 1997
heeft hij een verblijfsvergunning aangevraagd, op welke aanvraag op 1
juli 1998 nog niet was beslist. Ook aan hem is inmiddels een
verblijfsvergunning verleend op grond van de witte-illegalenregeling.
Appellante heeft de Turkse nationaliteit en ontvangt een Abw-uitkering.
Zij verblijft sedert augustus 1990 in Nederland en heeft op 4 juli 1996
een verblijfsvergunning aangevraagd, op welke aanvraag op 1 juli 1998
nog niet was beslist.
Aan haar is met ingang van 22 oktober 1999 op grond van de witte-illegalenregeling
een verblijfsvergunning verleend.
De rechtbanken hebben het juridische kader van elk van de bestreden
besluiten op juiste wijze als volgt uiteengezet:
“Het bestreden besluit berust op de bepalingen van de
zogenaamde Koppelingswet (Stb. 1998, 204), die met ingang van 1 juli
1998 in werking is getreden. Vanaf die datum luidt artikel 6 van de AKW
als volgt:
"Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in
dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
2. Niet verzekerd is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland
verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de
Vreemdelingenwet.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van
het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven
aan de kring der verzekerden.
4. Bij een maatregel, als bedoeld in het derde lid, kan worden afgeweken
van het tweede lid ten aanzien van:
a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan wel
hebben verricht;
b. vreemdelingen die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben
gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de
Vreemdelingenwet, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf hebben
aangevraagd, dan wel bezwaar hebben gemaakt of beroep hebben ingesteld
tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die
aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.".
Artikel 1b Vw luidt als volgt:
"Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig verblijf:
1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van toelating
als gemeenschapsonderdaan tenzij deze onderdaan verblijf houdt in
strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag
tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
2. op grond van een besluit tot voorwaardelijke toelating;
3. in afwachting op een beslissing op een aanvraag om toelating,
voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze wet
dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op grond van
een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient
te blijven totdat op de aanvraag is besloten;
4. binnen de termijn bedoeld in artikel 8, eerste lid, mits voldaan is
aan de daar omschreven voorwaarden;
5. indien tegen de uitzetting beletselen bestaan vastgesteld bij
beschikking ingevolge deze wet.".
De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde en vierde lid
van artikel 6 AKW betrof ten tijde hier van belang KB 164. De artikelen
9a en 9b van KB 164 luidden als volgt:
"Art. 9a - 1. Verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de
in Nederland wonende vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland
verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1,
van de Vreemdelingenwet:
a. voor de beëindiging van dat verblijf een aanvraag heeft ingediend om
voortgezette toelating, of
b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde lid, of 33c van
de Vreemdelingenwet, of, buiten die termijn, in geval artikel 6:11 van
de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft
gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van de toelating
in de zin van artikel 1b, aanhef, en onder 1, van de Vreemdelingenwet.
2. De verzekering op grond van het eerste lid eindigt zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist,
of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting
ingevolge de Vreemdelingenwet of op grond van een rechterlijke
beslissing achterwege dient te blijven.
Art. 9b - 1. Verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de
vreemdeling die rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 1b,
aanhef en onder 2, 3, 4 of 5, van de Vreemdelingenwet indien hij in
overeenstemming met de Wet arbeid vreemdelingen arbeid in
dienstbetrekking verricht uit hoofde waarvan hij aan de loonbelasting
onderworpen is.
2. De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, blijft verzekerd op grond
van de volksverzekeringen indien hij uit hoofde van het verrichten van
arbeid als bedoeld in het eerste lid, recht heeft op betaling van loon
als bedoeld in artikel 629, van Boek 7, van het Burgerlijk Wetboek, of
recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet, de
Werkloosheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, alsmede indien de arbeid, bedoeld in
het eerste lid, tijdelijk is onderbroken als gevolg van betaald verlof,
staking of uitsluiting."
Aldus wordt in artikel 1b Vw een limitatieve opsomming gegeven van
gevallen waarin van een vreemdeling kan worden gezegd dat hij rechtmatig
in Nederland verblijft. Volgens artikel 6, tweede lid, AKW, is van de
rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen alleen de vreemdeling
als bedoeld in artikel 1b, sub 1 Vw rechtstreeks verzekerd. De categorieën
van rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, genoemd sub 2
tot en met 5 van artikel 1b Vw, zijn, ingevolge KB 164, alleen onder
nadere voorwaarden verzekerd. Aldus is een wettelijk systeem in het
leven geroepen, waarin sommige categorieën vreemdelingen weliswaar
rechtmatig in Nederland verblijf genieten (als bedoeld in artikel 1b Vw),
doch nochtans niet verzekerd zijn ingevolge de AKW.”.
Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad gaat er vanuit, dat
gedaagden en appellante ingevolge dit samenstel van Nederlandse
nationale formele en materiële rechtsregels op de in dit geding
relevante peildatum 1 juli 1998, niet verzekerd zijn ingevolge de AKW,
aangezien zij in afwachting waren van een beslissing op hun eerste
aanvraag om een vergunning tot verblijf, welke beslissing zij in
Nederland mochten afwachten. De rechtmatigheid van hun verblijf in
Nederland was daarmee gebaseerd op artikel 1b, aanhef en onder 3 Vw,
terwijl aan de voorwaarden voor verzekering van het KB 164 niet was
voldaan.
In hoger beroep is primair aan de orde de vraag of de uitsluiting van de
verzekering ingevolge de AKW van een vreemdeling die valt onder de
werking van artikel 6, tweede lid, van de AKW en die niet verzekerd kan
worden geacht op grond van artikel 9a of 9b van KB 164, maar die
nochtans rechtmatig in Nederland verblijft omdat hij onder de categorie
valt als omschreven in artikel 1b, aanhef en onder 3 van de Vw, kan
worden aangetast door de non-discriminatiebepalingen als neergelegd in
artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
politieke rechten (IVBPR) en artikel 14 van het Europees Verdrag tot
bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM),
dan wel door het voorschrift van gelijke behandeling naar nationaliteit
van artikel 3, eerste lid, van Besluit 3/80 van de Associatieraad
EG-Turkije van 19 september 1980 (nader: Besluit 3/80), respectievelijk
artikel 41, eerste lid van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en
Marokko (nader: de Samenwerkingsovereenkomst).
De rechtbank te Amsterdam heeft die vraag waar deze de toetsing aan
artikel 26 IVBPR betreft, bevestigend beantwoord in de zaken van
gedaagde 1, 3 en 6. In de zaken van gedaagde 4 en 7 heeft die rechtbank
met gelijkluidend resultaat, evenals de rechtbank te Utrecht in de zaak
van gedaagde 2, de uitsluiting van de verzekering getoetst aan artikel
3, eerste lid van Besluit 3/80, terwijl in de zaak van gedaagde 5 de
rechtbank te Amsterdam wederom met hetzelfde resultaat heeft getoetst
aan artikel 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst.
In het geding van appellante heeft de rechtbank te Haarlem de
uitsluiting van de AKW-verzekering niet in strijd geacht met artikel 26
IVBPR, artikel 14 EVRM jo. artikel 1 van het Eerste Protocol bij dat
verdrag, artikel 3, eerste lid, van Besluit 3/80 of het Europees Verdrag
betreffende sociale en medische bijstand (EVSMB).
Bij de toetsing aan artikel 26 IVBPR heeft de rechtbank te Amsterdam
overwogen dat "het hierboven weergegeven samenstel van bepalingen
(lees: van de koppelingswetgeving) een direct onderscheid naar
nationaliteit in het leven roept". De SVB heeft dit bestreden en
gesteld dat van een onderscheid naar verblijfsstatus moet worden
gesproken.
De Raad is, evenals in zijn heden gewezen uitspraken betreffende de
toepassing van de Koppelingswet in het kader van de Algemene
bijstandswet en de werknemersverzekeringswetten van oordeel dat bij
wetgeving als de onderhavige, waarbij aan vreemdelingen onder bepaalde
voorwaarden rechten worden verleend, c.q. onthouden, welke aan
Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, primair
een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is dat als zodanig binnen
de werkingssfeer van artikel 26 IVBPR valt. Het gaat hier immers steeds
om de vraag onder welke omstandigheden en in welke mate het
gerechtvaardigd is een niet-Nederlander anders te behandelen dan een
Nederlander. Dat uit de toepassing van de regeling voortvloeit dat
bepaalde categorieën vreemdelingen niet anders worden behandeld dan
Nederlanders, doet niet af aan het nationaliteitgebonden karakter van
het onderscheid.
De koppelingswetgeving introduceert in de AKW ingaande 1 juli 1998, kort
gezegd, het vereiste van een toegekende verblijfstitel om als verzekerde
te worden aangemerkt.
Voor deze vorm van onderscheid op zich (tussen Nederlanders en
vreemdelingen met verblijfstitel enerzijds en vreemdelingen zonder
zodanige titel anderzijds) acht de Raad een toereikende rechtvaardiging
aanwezig.
Daarbij stelt de Raad voorop dat een staat, binnen de grenzen van zijn
verplichtingen die uit de op dit punt geldende supra- en internationale
regelingen voortvloeien, vrij is in het vaststellen van de voorwaarden
waaronder vreemdelingen tot zijn grondgebied worden toegelaten. Eveneens
is aanvaardbaar dat gelegaliseerde toelating als vereiste geldt voor
deelname aan het stelsel van sociale verzekering, zoals in casu de
verzekering ingevolge de AKW, welke immers kan worden gezien als een
element van de deelname aan het maatschappelijk leven van de staat tot
welks grondgebied de betrokkene wenst te worden toegelaten.
Hierbij sluit aan de doelstelling van de koppelingswetgeving zoals deze
in de wetsgeschiedenis is neergelegd, te weten het wegnemen van de
mogelijkheid om ondanks het ontbreken van een verblijfstitel aanspraak
te maken op uitkeringen en verstrekkingen, hetgeen immers een aanzet kan
vormen tot de voortzetting van, in beginsel, wederrechtelijk verblijf en
uiteindelijk kan leiden tot een vorm van schijnlegaliteit wat de
verblijfspositie betreft; dit mede ter ondersteuning van een consistent
vreemdelingenbeleid, dat onder meer tot doel heeft degenen die geen
toelating verkrijgen het land te doen verlaten.
Het uitgangspunt van de koppelingswetgeving stuit wat zijn doelstelling
en gehanteerd middel betreft bij de Raad dan ook in het algemeen niet op
bedenkingen.
Dit geldt ook voor de toepassing van het koppelingsbeginsel op de
categorie vreemdelingen als bedoeld onder 3 van artikel 1b van de Vw,
hierboven geciteerd. Ook binnen het hierboven omschreven kader is het
goed denkbaar, en onder zekere omstandigheden uit humanitaire
overwegingen wellicht geboden, dat een vreemdeling in staat wordt
gesteld de beslissing op zijn verzoek om toelating in Nederland af te
wachten, zonder dat noodzakelijkerwijs aan dat rechtmatige verblijf de
rechtsposities worden gekoppeld die aan een volkomen gelegaliseerd
verblijf zijn verbonden. De alsdan ontstane frictie tussen rechtmatig
verblijf en de belemmering om bestaansmiddelen te verwerven, kan worden
opgelost door op die situatie toegesneden maatregelen te treffen, zoals
bijvoorbeeld omschreven in artikel 8c Vw.
Uitgaande van de hierboven geschetste benadering ziet de Raad ook geen
plaats voor het oordeel dat de op 1 juli 1998 in werking getreden regels
in strijd zouden zijn met de voorschriften van gelijke behandeling naar
nationaliteit van Besluit 3/80 en de Samenwerkingsovereenkomst, al
aangenomen dat deze regelingen van toepassing zouden zijn op niet door
middel van een verblijfstitel toegelaten Turkse, respectievelijk
Marokkaanse onderdanen. Aan deze regelingen op zich kunnen deze
onderdanen immers geen recht op verblijf ontlenen, en in de rechtspraak
van het Hof van Justitie van de EG vindt de Raad geen aanknopingspunten
voor het oordeel dat de in Nederland verblijvende Turk of Marokkaan die
enkel om toelating heeft verzocht, reeds op die grond aanspraak op
gelijke behandeling met Nederlanders zou kunnen maken.
Thans mede in ogenschouw nemend de feiten en omstandigheden van de
onderhavige gedingen moet de Raad constateren dat de gerechtvaardigdheid
van de koppelingswetgeving zoals deze gestalte heeft gekregen in de
AKW, in ieder geval ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling
op of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt, maar niet, althans in de
visie van de Raad niet in toereikende mate, voor diegenen die onder de
tot 1 juli 1998 geldende regeling op reguliere wijze hun
verzekeringspositie hebben verworven.
Anders dan door de SVB is betoogd, is de Raad van oordeel dat het hier
niet louter gaat om een overgangsrechtelijk punt, maar meent hij dat bij
de beoordeling of het onderhavige onderscheid gerechtvaardigd is, mede
in het licht van de hierboven - kort- geschetste motieven van de
wetgever, betekenis toekomt aan de feitelijke en juridische positie
waarin (een deel van) de groep die door de regeling wordt getroffen, ten
tijde van de inwerkingtreding van die regeling verkeert.
Ten aanzien van de categorie waartoe alle betrokkenen in de onderhavige
procedures behoren geldt het volgende. Aan de hand van de in deze
uitspraak vermelde feitelijke gegevens moet worden vastgesteld dat zij,
met passieve dan wel actieve instemming van de Nederlandse overheid, in
staat zijn gesteld een zekere mate van inburgering te verwerven, in casu
tot uiting komend in de verzekering ingevolge de AKW waarvan op grond
van de vermelde feiten aannemelijk is dat zij op ingezetenschap is
gebaseerd. De gevolgen van niet-gelegaliseerd verblijf welke de
koppelingswetgeving bedoelt te voorkomen, zijn hier reeds ingetreden,
zodat hier van een in betekenend opzicht andere situatie moet worden
gesproken dan die de wetgever kennelijk op het oog heeft gehad. Voorts
blijkt uit de feiten dat van een geschikt en noodzakelijk middel om het
gestelde doel te bereiken moeilijk kan worden gesproken, nu in zes van
de acht berechte gevallen in oktober 1999 juist op grond van de in het
verleden opgebouwde positie alsnog een verblijfstitel is verstrekt.
Naar het de Raad voorkomt, bestaat ten aanzien van deze gevallen
onvoldoende grond om de verworven rechtspositie op andere wijze te beëindigen
dan als voorzien in artikel 1b sub 3 Vw, te weten eerst wanneer sprake
is van een negatieve beslissing op het verzoek om toelating.
De Raad merkt tenslotte op dat zijn oordeel niet anders zou luiden bij
toepasselijkheid van artikel 14 van het EVRM juncto artikel 1, eerste
lid, van het Eerste Protocol bij dat Verdrag.
Uit het voorgaande volgt dat de hoger beroepen van de SVB niet kunnen
slagen. Van de SVB zal in de zaken van gedaagden 1 t/m 7 een recht
worden geheven van f 675,-- per zaak. Tevens zal de SVB worden
veroordeeld tot betaling van de kosten die gedaagden 1 t/m 7 in verband
met het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn
begroot op f 710,-- voor ieder van de zaken van gedaagde 1 en 3 en f
1420,-- voor ieder van de zaken van gedaagde 4, 5 en 7. In de zaken van
gedaagde 2 en 6 is de Raad niet gebleken van voor vergoeding in
aanmerking komende proceskosten.
Het hoger beroep van appellante slaagt. De aangevallen uitspraak van de
rechtbank Haarlem alsmede het besluit van 7 januari 1999 dienen te
worden vernietigd. De SVB zal worden opgedragen het door appellante
gestorte griffierecht ad in totaal f 225,-- aan haar te vergoeden.
Tevens zal de SVB worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten
van appellante, begroot op f 1420,-- in eerste aanleg en f 1420,-- in
hoger beroep.
Beslist wordt dan ook als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
In de zaken van gedaagden 1 t/m 7:
Bevestigt de aangevallen uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 27
april 2000 en 4 augustus 1999 en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Utrecht van
20 maart 2000;
Veroordeelt de SVB tot betaling van de proceskosten als vermeld in de
vorige rubriek, in de zaken van gedaagde 1 en 5 te betalen aan de
griffier van de Raad;
Bepaalt dat van de SVB een recht wordt geheven van f 675,-- per zaak.
In de zaak van appellante:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep gegrond en vernietigt het bestreden
besluit;
Veroordeelt de SVB tot betaling van de proceskosten van appellante in
totaal ad f 2.840,--, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de SVB het door appellante gestorte griffierecht in totaal
ad f 225,-- aan haar vergoedt.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der
Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) J.J.B.
van der Putten.
|
|