|
Uitspraak
99/4723
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 12 november 1997 heeft gedaagde aan appellant
medegedeeld dat hij over het vierde kwartaal van 1996 tot en met het
derde kwartaal van 1997 geen recht heeft op kinderbijslag voor drie
kinderen en dat de teveel betaalde kinderbijslag over het vierde
kwartaal van 1996 tot en met het tweede kwartaal van 1997, ad f 3.634,-, van hem wordt teruggevorderd.
Bij beslissing op bezwaar van 18 mei 1998, het thans bestreden besluit,
is het bezwaar tegen het besluit van 12 november 1997 ongegrond
verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 4
augustus 1999 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29 november
2000, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich,
zoals telefonisch medegedeeld, niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Appellant woont in Nederland en heeft voor zijn in Egypte wonende
kinderen [kind 1], [kind 2] en [kind 3], geboren op respectievelijk in
1989, 1990 en 1993, kinderbijslag ontvangen.
Bij besluit van 13 december 1995 heeft gedaagde geweigerd vanaf het
vierde kwartaal van 1994 tweevoudige kinderbijslag aan appellant toe te
kennen voor [kind 1] en [kind 2], omdat zij niet uitwonend zouden zijn.
Appellant heeft in bezwaar en (hoger) beroep tegen dit besluit
aangevoerd dat deze kinderen wel uitwonend waren. Daarbij heeft hij,
blijkens 's Raads uitspraak van 5 augustus 1998, aangegeven dat [kind 1]
en [kind 2] vlakbij hun school in het huis van zijn familie in [plaats]
woonden, waar zijn broer de zorg voor hen had, dat zijn vrouw 30 km van
dit huis in Cairo woonde en dat zij vanwege onenigheid met de moeder van
appellant weinig in [plaats] bij de kinderen aanwezig was. De Raad heeft
gedaagdes weigering van tweevoudige kinderbijslag toen onderschreven,
overwegende dat indien wordt aangenomen dat de kinderen uitwonend zijn
geen recht bestaat op tweevoudige kinderbijslag, omdat geen causaal
verband bestaat tussen het uitwonend zijn van deze kinderen -vanaf 1992-
en het volgen van onderwijs -vanaf 1993-.
Bij brief van 11 april 1997 heeft appellant aan gedaagde medegedeeld dat
vanaf september 1996 ook zijn dochter [kind 3] uitwonend is bij zijn
broer te [plaats] en samen met haar zusjes [kind 1] en [kind 2] dezelfde
school bezoekt. Gedaagde heeft vervolgens aan appellant verzocht om
bewijsstukken ten aanzien van zijn bijdragen in het levensonderhoud van
de kinderen.
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 12 november 1997 heeft
gedaagde aan appellant medegedeeld dat hij vanaf het vierde kwartaal van
1996 tot en met het derde kwartaal van 1997 geen recht heeft op
kinderbijslag voor [kind 1], [kind 2] en [kind 3], omdat hij niet heeft
aangetoond hen in belangrijke mate te onderhouden, en dat de tot en met
het tweede kwartaal van 1997 betaalde kinderbijslag ad f 3.634,- van
hem wordt teruggevorderd.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Ter
zitting van de Raad heeft appellant verklaard dat zijn echtgenote vanaf
begin 1997, toen zijn moeder ernstig ziek was, bij de familie (en de
kinderen) in [plaats] is gaan wonen en dat zij daar ook na het
overlijden van zijn moeder -in mei 1997- is blijven wonen.
De Raad stelt voorop dat gedaagde bij het bestreden besluit ten aanzien
van het vierde kwartaal van 1996 en het eerste en tweede kwartaal van
1997 ten nadele van appellant is teruggekomen van de toekenning van
kinderbijslag over die kwartalen. Zoals in 's Raads vaste jurisprudentie
tot uitdrukking komt, is een zodanige intrekking in het algemeen in
strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Er zijn echter uitzonderingen
denkbaar waarin van strijd met dat beginsel geen sprake is. Hierbij kan
onder meer worden gedacht aan gevallen waarin het toekennen of het
ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg was van een
onjuiste of onvolledige informatieverschaffing door betrokkene, terwijl
een andere - minder gunstige - beslissing zou zijn genomen, indien de
juiste feiten bekend zouden zijn geweest.
Gelet op de zich in deze zaak voordoende feiten en omstandigheden is de
Raad van oordeel dat zich hier ten aanzien van de kinderen [kind 1] en
[kind 2] geen uitzonderingssituatie voordoet in evenbedoelde zin. Uit de
hiervoor weergegeven feiten blijkt immers dat appellant reeds in 1995
aan gedaagde heeft medegedeeld dat deze kinderen uitwonend waren in
[plaats]. Niet is gebleken van enige, nadien ingetreden, wijziging in
hun omstandigheden welke van invloed zou kunnen zijn op de aanspraak op
kinderbijslag voor deze kinderen. Gedaagdes besluit om terug te komen
van de toekenning van kinderbijslag ten aanzien van [kind 1] en [kind 2]
over voornoemde kwartalen kan derhalve reeds op deze grond niet in stand
blijven.
Voorts heeft appellant ter zitting medegedeeld dat zijn echtgenote vanaf
begin 1997 ook in [plaats] woont bij zijn kinderen en zijn familie. De
Raad is van oordeel dat deze mededeling van appellant, hoewel niet
geheel overeenstemmend met eerdere verklaringen, gelet op de ter zitting
genoemde details geenszins onaannemelijk is te achten. Dit betekent dat
thans niet als vaststaand kan worden aangenomen dat voor [kind 3] over
het vierde kwartaal van 1996 tot en met het tweede kwartaal van 1997 ten
onrechte kinderbijslag is betaald en dat gedaagdes weigering van
kinderbijslag ten behoeve van [kind 1], [kind 2] en [kind 3] over het
derde kwartaal van 1997 onzorgvuldig is voorbereid en genomen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat de
aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Gedaagde zal
een nieuw besluit dienen te nemen met inachtneming van het hiervoor
overwogene.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant in beroep, welke worden begroot op f 1.420,-
voor verleende rechtsbijstand. De Raad is voorts niet gebleken van voor
vergoeding in aanmerking komende kosten gemaakt in hoger beroep. Deze kosten dienen aan de griffier van de Raad betaald te
worden, aangezien ten behoeve van appellant een toevoeging is verleend
krachtens de Wet op de rechtsbijstand.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in
artikel 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad vast dat
gedaagde het griffierecht ad f 225,- aan appellant dient te vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming
van het hiervoor overwogene;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag ad
f 1.420,-, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat gedaagde het griffierecht ad f 225,- aan appellant dient te
vergoeden.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en
mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der
Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 december 2000.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|