|
Uitspraak
99/1640
AKW en 01/4384 AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[A.], wonende te [B.], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 23 maart 1998 heeft appellant aan gedaagde een boete van
f 300,- opgelegd, omdat zij een wijziging in het inkomen van haar zoon C.
niet tijdig zou hebben doorgegeven aan appellant.
Bij beslissing op het bezwaar van 17 juli 1998 (hierna: besluit 1) is
het bezwaar tegen het besluit van 23 maart 1998 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 16
februari 1999 het tegen besluit 1 ingestelde beroep gegrond verklaard,
dat besluit vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen
en bepaald dat appellant het griffierecht aan gedaagde dient te
vergoeden.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend
beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft bij brief van 19 januari 2000 desgevraagd nog een stuk
aan de Raad gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 november
2000, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door H. van der
Most, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank, en waar gedaagde in
persoon is verschenen.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Naar aanleiding van de vraag vanwege de Raad tot welke gevolgen
toepassing van het Boetebesluit socialezekerheidswetten van 14 oktober
2000, Stb. 2000, 462 zou leiden, heeft appellant bij brief van 15
januari 2001 de Raad bericht besluit 1 niet langer te handhaven voor
zover het betreft de hoogte van de opgelegde boete en heeft appellant
bepaald dat de boete moet worden vastgesteld op f. 150,-. De Raad heeft
dit besluit tot oplegging van een boete van f. 150,- (hierna: besluit 2)
op grond van het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb) betrokken in deze procedure.
Bij brief van 20 juni 2001 heeft gedaagde gereageerd op besluit 2.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25
juli 2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. G.
van der Schuur, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank, en waar
gedaagde in persoon is verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet
(AKW) ontvangen voor haar zoon [D.], geboren in 1979, hierna te noemen:
C.. Vanaf 24 september 1996 heeft C. in het kader van het leerlingwezen
werkzaamheden verricht bij [X.] te [Y.]. Op een inlichtingenformulier
gedateerd 29 november 1997 heeft de werkgever van C. opgave gedaan van
het netto salaris vanaf september 1996. Uit dit formulier blijkt dat het
salaris van C. vanaf september 1996 f. 670,12 netto per maand bedroeg,
vanaf januari 1997 f. 679,77, in de maand juni 1997 f. 692,80, vanaf
juli 1997 f. 759,55 en vanaf oktober 1997 f. 854,19 netto per maand.
Tevens blijkt uit dit formulier dat C. op 30 juni 1997 f. 225,27 aan
vakantiegeld heeft ontvangen. Appellant heeft dit formulier op 9
december 1997 van gedaagde terugontvangen.
Bij besluit van 20 januari 1998 heeft appellant aan gedaagde medegedeeld
dat zij vanaf het tweede kwartaal van 1997 geen recht meer heeft op
kinderbijslag voor C. en is de teveel betaalde kinderbijslag over het
tweede en derde kwartaal van 1997 ad. f. 1.426,- van haar
teruggevorderd. Tevens heeft appellant in een begeleidende brief bij dat
besluit aan gedaagde kenbaar gemaakt voornemens te zijn haar een boete
van f. 300,- op te leggen. Bij besluit van 23 maart 1998 heeft appellant
aan gedaagde ingevolge artikel 17a van de AKW en het ter uitvoering van
dat artikel door de Sociale Verzekeringsbank vastgestelde Boetebesluit
AKW (Stcrt. 1996, 141, nadien gewijzigd) een boete van f. 300,-
opgelegd, omdat zij de wijziging in de inkomsten van C. in het tweede
kwartaal van 1997 niet binnen vier weken heeft gemeld. Daarbij is
overwogen dat niet is gebleken dat sprake is van geen of verminderde
verwijtbaarheid. Bij besluit 1 heeft appellant na bezwaar het besluit
van 23 maart 1998 gehandhaafd.
De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat gedaagde in
strijd met de in artikel 15 van de AKW neergelegde
mededelingsverplichting heeft gehandeld, maar heeft het bestreden
besluit vernietigd omdat de artikelen 6 en 7 van het Boetebesluit AKW
verbindende kracht missen wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel,
gelet op de in artikel 17a , tweede lid, van de AKW gegeven opdracht om
de hoogte van de boete af te stemmen op de ernst van de gedraging, de
mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden. Daarbij
heeft de rechtbank nog overwogen dat het evenredigheidsbeginsel is
geschonden omdat de hoogte van de boete alleen afhankelijk is van het
benadelingsbedrag en geen onderscheid wordt gemaakt tussen opzet en
nalatigheid.
Appellant heeft dit oordeel in hoger beroep betwist, aanvoerend dat aan
het evenredigheidsbeginsel inkleuring is gegeven in het perspectief van
de algemene rechtsnormen zoals die in de strafrechtelijke
rechtshandhaving worden gehanteerd.
Bij besluit 2 heeft appellant de opgelegde boete van f. 300,- vervangen
door een boete van f. 150,-. Onder verwijzing naar artikel 15, eerste
lid, derde volzin, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten
en politieke rechten en de uitspraak van de Raad van 1 maart 2000,
gepubliceerd in RSV 2000/87 en USZ 2000/113, heeft appellant het
Boetebesluit socialezekerheidswetten van 14 oktober 2000 van toepassing
geacht. Ingevolge artikel 2 van dit Besluit wordt de boete vastgesteld
op 10% van het benadelingsbedrag en naar boven afgerond op een veelvoud
van f. 25,-. Ingevolge artikel 1, aanhef en onderdeel q in verbinding
met onderdeel n, van dit Besluit wordt onder het benadelingsbedrag
verstaan het bruto bedrag dat ten onrechte als uitkering is verleend op
grond van de AKW, als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van
de inlichtingenplicht. Appellant heeft in het onderhavige geval het
benadelingsbedrag vastgesteld op f. 1.426,-, zijnde de aan gedaagde
onverschuldigd betaalde kinderbijslag over het tweede en derde kwartaal
van 1997.
De Raad stelt vast dat appellant besluit 1 niet langer handhaaft, nu uit
het in de loop van deze procedure kenbaar gemaakte besluit 2 voortvloeit
dat aan gedaagde een boete van f. 150,- wordt opgelegd. Dit betekent
eveneens dat appellant geen belang meer heeft bij het hoger beroep
betrekking hebbend op besluit 1, aangezien de grieven inzake dat besluit
bij de toetsing van besluit 2, waar nodig, aan de orde kunnen komen. Het
hoger beroep van appellant wordt derhalve niet-ontvankelijk geacht, nu
niet is gebleken van enig belang van appellant bij een inhoudelijk
oordeel van de Raad over besluit 1.
De Raad overweegt het volgende.
Krachtens het bepaalde in artikel 15 van de AKW is de verzekerde
verplicht aan de Sociale Verzekeringsbank, hetzij op verzoek hetzij
onverwijld uit eigen beweging, alle feiten en omstandigheden mee te
delen, waarvan het hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
zij van invloed kunnen zijn op, onder meer, het recht op en de hoogte
van de kinderbijslag. In artikel 3 van het Boetebesluit AKW is nader
bepaald dat de verplichting bedoeld in artikel 15 van de AKW in ieder
geval betrekking heeft op een reeks nader genoemde verplichtingen,
waaronder in sub g. van dat artikel:
"5. de inkomsten van het kind en de veranderingen in de hoogte
daarvan;"
In artikel 4 van het Boetebesluit is bepaald dat een verplichting als
hiervoor bedoeld geacht wordt niet te zijn nagekomen indien een feit of
omstandigheid niet binnen vier weken na het intreden ervan is
medegedeeld.
In het Besluit beleidsregels boeten AOW, Anw en AKW van 22 december
2000, Stcrt. 2001,7 en de daarbij behorende bijlage 4, getiteld
Medelingsverplichtingen Algemene Kinderbijslagwet, betreffende de
toepassing van het Boetebesluit socialezekerheidswetten van 14 oktober
2000 heeft de Sociale Verzekeringsbank bepalingen opgenomen die
overeenkomen met de genoemde bepalingen van het Boetebesluit AKW.
Tussen partijen is niet in geding dat appellant aan gedaagde ten behoeve
van haar zoon C. over het tweede en derde kwartaal van 1997 f. 1.426,-
onverschuldigd aan kinderbijslag heeft betaald.
In hoger beroep heeft gedaagde betwist dat zij niet tijdig aan haar
mededelingsverplichting heeft voldaan. Gedaagde stelt dat zij hetzij
telefonisch, hetzij schriftelijk appellant ervan op de hoogte heeft
gesteld dat haar zoon f. 100,- per maand meer zou gaan verdienen,
hetgeen volgens gedaagde voor appellant aanleiding was om haar
formulieren toe te sturen waarop de gewijzigde situatie kon worden
aangegeven. Gedaagde erkent dat zij niet kan aantonen appellant tijdig
te hebben geïnformeerd over de wijziging van het inkomen van haar zoon.
Appellant stelt zich op het standpunt dat eerst na de ontvangst van de
door gedaagde op 5 september 1997 ondertekende onderhoudsverklaring
betreffende het vierde kwartaal van 1997, waarop zij heeft aangegeven
dat C. werkzaam is en f. 754,- netto per maand verdient, een onderzoek
is ingesteld naar de inkomsten van het kind. Na de ontvangst van het
inlichtingenformulier gedateerd 29 november 1997 heeft appellant kunnen
vaststellen dat het inkomen van C. in het tweede en derde kwartaal van
1997 meer bedraagt dan f. 2.255,- per kwartaal en dat gedaagde om die
reden voor haar zoon C. geen recht heeft op kinderbijslag over die
kwartalen. Appellant ontkent bij een eerdere gelegenheid, mondeling of
schriftelijk, door gedaagde in kennis te zijn gesteld van het salaris
van C., de verandering in de hoogte daarvan en van het vakantiegeld dat
op 30 juni 1997 aan hem is uitbetaald.
Gelet op de gedingstukken en hetgeen gedaagde heeft aangevoerd, is de
Raad van oordeel dat als vaststaand moet worden aangenomen dat gedaagde
niet tijdig, te weten binnen vier weken, aan appellant opgave heeft
gedaan van de salarisverhoging van C. per juni 1997 en het uitbetaalde
vakantiegeld in die maand en evenmin van de salarisverhoging per juli
1997. In dat verband acht de Raad van belang dat door en namens gedaagde
naar aanleiding van appellants voornemen om de boete op te leggen en
tijdens de bezwaarschriftprocedure is erkend dat zij - naar alle
waarschijnlijkheid - vergeten was de wijziging door te geven. Bij die
gelegenheden is aangevoerd dat gedaagdes aandacht destijds volledig werd
opgeëist door het volgen van een sollicitatietraining, het veelvuldig
solliciteren en de werkkring die zij per 1 augustus 1997 heeft
verkregen. Voorts acht de Raad aannemelijk dat eerst bij het
inlichtingenformulier gedateerd 29 november 1997 was gevoegd een
afschrift van de loonafrekening over de maand juni 1997 met daarop de
aantekening dat C. in september 1997 een salarisverhoging van f. 100,-
bruto heeft gekregen. De Raad is derhalve met appellant van oordeel dat
gedaagde niet aan haar mededelingsverplichting heeft voldaan en dat als
gevolg daarvan over het tweede en derde kwartaal van 1997 aan gedaagde
de kinderbijslag ten behoeve van C. onverschuldigd is betaald.
Uit het vorenstaande volgt dat appellant in beginsel gehouden is met
toepassing van artikel 17a van de AKW een boete op te leggen. Onder
toepassing van het Boetebesluit socialezekerheidswetten heeft appellant
- uiteindelijk - een boete van f. 150,- opgelegd.
Ten aanzien van de hoogte van de boete merkt de Raad, onder verwijzing
naar zijn uitspraak van 7 september 1999, gepubliceerd in USZ 1999/290
en RSV 1999/296, op dat hij - anders dan de rechtbank- van oordeel is dat
het zogeheten benadelingsbedrag in beginsel een aanvaardbaar
uitgangspunt is om de ernst van de gedraging te bepalen in relatie tot
de op te leggen boete. Voorts heeft de Raad van belang geacht dat het in
dat geding aan de orde zijnde Boetebesluit van het Tijdelijk instituut
voor coördinatie en afstemming van 6 juni 1996 (Boetebesluit Tica)
voorziet in een verdere nuancering. Het Boetebesluit AKW voorziet
eveneens in een verdere nuancering doordat bij verminderde
verwijtbaarheid een lagere boete wordt opgelegd dan de in dat Besluit
opgenomen standaardbedragen, terwijl eveneens een lagere boete wordt
opgelegd indien de standaardboete voor de belanghebbende onevenredig
bezwaarlijk is. In het Boetebesluit AKW, zoals gewijzigd, wordt in enige
mate onderscheid gemaakt tussen opzet en nalatigheid. Dergelijke
nuanceringen zijn eveneens opgenomen in het Besluit beleidsregels boeten
AOW, Anw en AKW van de Sociale Verzekeringsbank.
Toepassing van het Boetebesluit socialezekerheidswetten leidt in het
onderhavige geval in beginsel tot het opleggen van een boete van f.
150,-. De Raad is van oordeel dat deze boete in rechte stand kan houden.
De door gedaagde aangevoerde omstandigheden vormen naar het oordeel van
de Raad onvoldoende reden om haar de schending van de
inlichtingenverplichting in verminderde mate aan te rekenen. Voorts is
de Raad niet gebleken dat het opleggen van de boete van f. 150,- voor
gedaagde onevenredig bezwaarlijk is.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep betrekking hebbend op besluit 1
niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep dat geacht wordt mede gericht te zijn tegen besluit
2 ongegrond.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 september
2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) J.J.B.
van der Putten.
|
|