|
Uitspraak
99/5216
AKW en 99/5217 AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.] en [C.], wonende te [B.], appellanten,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 17 september 1998 heeft gedaagde aan appellanten kennis
gegeven van zijn beslissing de te veel betaalde kinderbijslag ad f
28.644,- volledig te verrekenen met de aan appellanten toekomende
kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 1997.
Bij beslissing op bezwaar van 19 januari 1999, het thans bestreden
besluit, is het bezwaar tegen eerdergenoemd besluit ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 1
september 1999 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
Namens appellanten is mr. J. Mons, burgerraadsvrouw te Leiden, van die
uitspraak in hoger beroep gekomen op bij beroepschrift aangevoerde
gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij brief van 18
april 2000 een vraag van de Raad beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 juni
2000, waar namens appellanten is verschenen mr. Mons, voornoemd, en waar
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.H. Gersie,
werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
De Raad heeft vervolgens het onderzoek in deze procedure heropend en bij
brief van 11 juli 2000 een aantal vragen voorgelegd aan gedaagde. Bij
brief van 13 november 2000 heeft gedaagde deze vragen beantwoord.
Het geding is wederom behandeld ter zitting van de Raad op 8 augustus
2001, waar partijen in dezelfde samenstelling zijn verschenen als ter
zitting van 21 juni 2000.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft bij besluit van 24 februari 1998 van appellanten een
bedrag van f 28.644,- teruggevorderd terzake van ten onrechte aan hen
betaalde kinderbijslag, over enkele kwartalen gelegen voor het derde
kwartaal van 1997, ten behoeve van hun kinderen [D.], geboren in 1983, [E.],
geboren in 1985 en [F.], geboren in 1986.
Bij het primaire besluit van 17 september 1998 heeft gedaagde ten
aanzien van de invordering van het terug te betalen bedrag ad f 28.644,-
beslist dat voorlopig alleen verrekening zal plaatsvinden met de vanaf
het derde kwartaal van 1997 nog aan appellanten toekomende
kinderbijslag, omdat de beslagvrije ruimte reeds door een andere
schuldeiser werd opgeëist.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het bezwaar van appellanten
ongegrond verklaard, met dien verstande dat de invordering van de ten
onrechte betaalde kinderbijslag verder -vanaf het derde kwartaal van
1998- zal gebeuren middels verrekening met de helft van het aan
appellanten toekomende bedrag aan kinderbijslag. Daarbij heeft gedaagde
overwogen dat appellanten aldus beschikken over een inkomen dat hoger is
dan de beslagvrije voet.
De rechtbank heeft het beroep van appellanten tegen het bestreden
besluit ongegrond verklaard, overwegende dat uit het bepaalde in de
artikelen 17g en 24a van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en 475c tot
en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
afgeleid kan worden dat de regeling van de beslagvrije voet niet geldt
terzake van kinderbijslag en dat de kinderbijslag dus tot de volledige
aflossingscapaciteit van appellanten dient te worden gerekend. Voorts
heeft de rechtbank overwogen dat het bepaalde in artikel 23, eerste lid,
onder c, van de AKW niet ziet op de verrekening door gedaagde als
verstrekker van kinderbijslag.
In hoger beroep is namens appellanten, kort samengevat, aangevoerd dat
op grond van artikel 475c, sub b, Rv voor kinderbijslag geen beslagvrije
voet geldt, hetgeen mede gelet op artikel 23 van de AKW inhoudt dat op
kinderbijslag geen beslag mogelijk is. Voorts is aangevoerd dat gedaagde
op grond van artikel 17g, tweede lid, van de AKW wel mag verrekenen,
maar dat de verrekening, gelet op het achtste lid van dat artikel,
zodanig dient te geschieden dat de betrokkene altijd blijft beschikken
over de beslagvrije voet plus de volledige kinderbijslag.
Gedaagde heeft de stellingen van appellanten bestreden en primair
aangevoerd dat de verwijzing in artikel 17g, achtste lid, AKW naar Rv
geen consequenties kan hebben voor de dwingend voorgeschreven
verrekening met toekomstige kinderbijslag. Verder heeft gedaagde,
subsidiair, aangevoerd dat sprake is van een op grond van artikel 23,
sub c, van de AKW toegestaan beslag, aangezien de ten onrechte betaalde
kinderbijslag is betaald voor het onderhoud van het kind. Daarbij heeft
gedaagde nog verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 4 november
1966, NJ 67/35.
De Raad overweegt het volgende.
Tussen partijen is in geschil of gedaagdes besluit tot verrekening,
aanvankelijk geheel en vanaf het derde kwartaal van 1998 gedeeltelijk,
van de appellanten toekomende kinderbijslag met gedaagdes vordering
terzake van teveel betaalde kinderbijslag aan appellanten, in rechte
stand kan houden.
De Raad stelt voorop dat nu gedaagde in 1998 heeft besloten tot
verrekening de beoordeling van het geschil dient te geschieden op grond
van de AKW zoals die wet luidt vanaf 1 augustus 1996, met ingang van
welke datum - onder meer - de artikelen 17g en 24a AKW zijn ingevoerd.
Krachtens artikel 24a van de AKW is met betrekking tot de
tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering artikel 17g van die
wet van overeenkomstige toepassing. In het tweede lid van laatstgenoemd
artikel is bepaald dat indien degene van wie kinderbijslag wordt
teruggevorderd kinderbijslag, ouderdomspensioen op grond van de Algemene
Ouderdomswet (AOW), of uitkering op grond van de Algemene
nabestaandenwet (Anw) ontvangt, de terugvordering ten uitvoer gelegd wordt
door verrekening met die bijslag of die uitkering. Voorts is in het
achtste lid van artikel 17g AKW het volgende bepaald:
"De tenuitvoerlegging van een besluit met toepassing van dit
artikel geschiedt zodanig dat de verzekerde en degene met wie hij een
huishouden vormt, blijven beschikken over een inkomen gelijk aan de
beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering."
Artikel 475c, sub b, Rv bepaalt dat een beslagvrije voet is verbonden
aan (beslag op) vorderingen tot periodieke betaling van uitkeringen op
grond van sociale zekerheidswetten, uitgezonderd kinderbijslag onder
welke benaming ook. Verder is in artikel 475d Rv nader uitgewerkt hoe de
beslagvrije voet wordt vastgesteld.
De artikelen 475c e.v. zijn ingevoerd bij de Wet van 13 december 1990,
Stb. 605, bij welke wet tevens de beslagverboden op uitkeringen in
vrijwel alle sociale zekerheidswetten ingaande 1 april 1991 zijn
opgeheven. In de AKW is toen, in artikel 23, het beslagverbod op
kinderbijslag - met een hierna te bespreken specifieke uitzondering -
echter wel gehandhaafd. Dit betekent dat sindsdien een beslagvrije voet
in acht genomen dient te worden bij beslag op uitkeringen en dat
kinderbijslag daarbij in het algemeen buiten beschouwing dient te
blijven, met uitzondering van gevallen waarin de specifieke afwijking
van het beslagverbod bedoeld in artikel 23 van de AKW aan de orde is. In
aanmerking genomen dat bij de invoering van artikel 475c e.v. Rv de
mogelijkheid van beslag onder zekere beperkingen op sociale uitkeringen
is ingevoerd, onder handhaving van het beslagverbod op kinderbijslag,
verstaat de Raad de verwijzing in artikel 17g, achtste lid, van de AKW
naar artikel 475 Rv zo, dat het daar bedoelde inkomen van de verzekerde
mede omvat zijn kinderbijslagaanspraak. Gedaagde dient derhalve steeds
te beoordelen of de periodieke inkomsten van de betrokkene, afgezien van
andere beslagen, meer bedragen dan 90% van de voor betrokkene geldende
bijstandsnorm, vermeerderd met zijn aanspraak op kinderbijslag.
Met betrekking tot laatstgenoemde toetsing blijkt uit de gedingstukken
dat de periodieke inkomsten van appellanten ten tijde hier van belang
minder bedroegen dan 90% van de voor hen geldende bijstandsnorm,
vermeerderd met hun aanspraak op kinderbijslag, zodat het gedaagde niet
vrij stond de kinderbijslag geheel of gedeeltelijk op deze grond te
verrekenen.
Het hiervoor overwogene met betrekking tot de reikwijdte van artikel 17g
van de AKW betekent tevens dat daarbij ook de uitzondering op het
beslagverbod van artikel 23 AKW in aanmerking dient te worden genomen.
Deze uitzondering houdt in dat beslag op kinderbijslag wel mogelijk is
"voor zoveel dit dient tot verhaal van een uitkering tot
levensonderhoud van het kind". Blijkens de wetsgeschiedenis van
deze bepaling is deze mogelijkheid tot beslag geïntroduceerd om te
voorkomen dat kinderbijslag voor een ander doel wordt aangewend dan de
verzorging van het betreffende kind en wordt beslag uitgesloten voor
verhaal van uitkeringen voor onderhoud van anderen dan het betrokken
kind. De Raad stelt vast dat de ten onrechte door gedaagde aan
appellanten betaalde kinderbijslag strekte tot onderhoud van de drie
hiervoor genoemde kinderen van appellanten, zodat voor gedaagdes
vordering terzake in beginsel op grond van artikel 23 AKW verrekening
mogelijk is met toekomstige aanspraken van appellanten op kinderbijslag
ten behoeve van die kinderen. Voor deze opvatting vindt de Raad steun in
het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 4 november 1966,
waarin - anders dan in deze zaak - niet kon worden vastgesteld dat en in
hoeverre de uitkering was gedaan tot onderhoud van de kinderen van
betrokkene.
Nu op grond van artikel 23 AKW voor gedaagdes vordering beslag mogelijk
is, leidt het hiervoor overwogene tot de slotsom dat gedaagde op grond
van artikel 17g, tweede en achtste lid, AKW de teveel aan appellanten
betaalde kinderbijslag in beginsel kan verrekenen met toekomstige
aanspraken op kinderbijslag, met dien verstande dat de verrekening per
kind gespecificeerd dient te worden en slechts betrekking kan hebben op
toekomstige aanspraken met betrekking tot het betreffende kind tot het
maximum van hetgeen ten behoeve van dat kind teveel aan kinderbijslag is
betaald.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het bestreden besluit en de
aangevallen uitspraak niet in stand kunnen blijven, nu gedaagde er ten
onrechte vanuit is gegaan dat kinderbijslag onder alle omstandigheden
geheel voor verrekening vatbaar is. Uit het hiervoor overwogene vloeit
weliswaar voort dat gedaagde wellicht (een deel van) de teveel betaalde
kinderbijslag kan verrekenen, doch op grond van de thans bekende
gegevens kan de Raad niet beoordelen of aan de voorwaarden daartoe wordt
voldaan.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellanten in beroep en in hoger beroep. Deze kosten
worden begroot op f 1420,- in beroep en f 1775,- in hoger beroep.
Tevens dient gedaagde aan appellanten het griffierecht in twee
instanties, in totaal f 230,-, te vergoeden.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en
vernietigt dat besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten in beroep en in
hoger beroep tot een bedrag van f 3195,-;
Bepaalt dat gedaagde het griffierecht ad f 230,- aan appellanten dient
te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 september
2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) M.B.M.
Vermeulen.
|
|