|
Uitspraak
99/1928
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 26 november 1997 heeft gedaagde alsnog geweigerd
appellant kinderbijslag toe te kennen over het derde kwartaal van 1992
tot en met het derde kwartaal van 1997 ten behoeve van de in [C.]
verblijvende kinderen [D.] , F. en [E.], alsmede de over die kwartalen
onverschuldigd betaalde kinderbijslag ten bedrage van f. 47.226,-
teruggevorderd.
Bij besluit van 31 maart 1998 heeft gedaagde het tegen dit besluit
gerichte bezwaar ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 26
februari 1999 het beroep tegen het besluit van 31 maart 1998 ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. O. van den Arend, advocaat te Den Haag, in
hoger beroep gevorderd de uitspraak van de rechtbank te vernietigen.
Gedaagde heeft verweer gevoerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 8 augustus 2001.
Verschenen zijn daar J.Y. van den Berg en mr. A.H. Gersie namens gedaagde. Appellant is niet verschenen.
II. MOTIVERING
In het bestreden besluit van 31 maart 1998 heeft gedaagde overwogen dat
hij aanleiding heeft gezien de rechtsfeiten met betrekking tot
appellants kinderbijslagaanspraken rechtstreeks te doen controleren door
middel van een onderzoek door een bij de Nederlandse Ambassade te
Islamabad ([C.]) geaccrediteerde vertrouwensadvocaat.
In het besluit zijn de conclusies van het onderzoek, kort, weergegeven;
zij vormen de basis voor het besluit van gedaagde, waarbij kinderbijslag
alsnog is geweigerd en teruggevorderd. Die conclusies zijn van de zijde
van appellant in deze procedure steeds bestreden.
Voorts heeft gedaagde in het besluit meegedeeld dat en waarom hij
appellant tijdens de bezwaarprocedure geen inzage heeft gegeven in het
rapport van de vertrouwensadvocaat.
Tot de bij brief van 17 juni 1998 door gedaagde aan de rechtbank
toegezonden stukken behoort niet vorenbedoeld rapport. Bij de inzending
is geen melding gemaakt van de niet-inzending van enig stuk, dan wel de
weigering zulks te doen. Tot de aan de rechtbank toegezonden stukken
behoort wel een drietal, op de inventarislijst als 34 A-B, 35 A-B en 36
A-B genummerde verklaringen, opgesteld in het Urdu en vergezeld van een
vertaling in het Nederlands, waarvan wordt vermeld dat het verklaringen
zijn, "opgetekend in het bijzijn van vertrouwensadvocaat". De
stukken genummerd 34 B en 35 B dragen het stempel "Enclosure",
met het cijfer 5, respectievelijk 6.
Uit het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat gedaagde niet ten
volle heeft voldaan aan het voorschrift van artikel 8:42 van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb) om de op de zaak betrekking hebbende stukken aan
de rechtbank over te leggen.
Artikel 8:29 van de Awb voorziet in een procedure voor het geval een
partij, op wie de verplichting rust stukken over te leggen, om
gewichtige redenen weigert zulks te doen, dan wel de kennisneming van
die stukken wenst te beperken.
De Raad acht het een fundamenteel beginsel van het bestuursprocesrecht
dat de justitiabele in beginsel over alle stukken kan beschikken welke
met betrekking tot zijn zaak onder het bestuursorgaan berusten. Indien
gewichtige redenen zich tegen volledige kennisneming verzetten, dient de
met waarborgen omklede procedure van artikel 8:29 van de Awb te worden
gevolgd.
Door voorbij te gaan aan de kenbare onvolledige toezending van stukken
heeft de rechtbank voormelde bepalingen van de Awb, welke de uitdrukking
vormen van het zojuist bedoelde fundamentele procesrechtelijke beginsel,
geschonden, zodat de uitspraak van de rechtbank niet in stand kan worden
gelaten. Het komt de Raad aangewezen voor de zaak, na vernietiging van
de aangevallen uitspraak, naar de rechtbank terug te wijzen.
Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. Nu de
rechtbank zich omtrent de inhoudelijke aspecten van de zaak nog dient
uit te spreken, ziet de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel
8:75 van de Awb voorwaardelijk - voor het geval het bestreden besluit
niet in stand kan blijven - te veroordelen in de proceskosten van
appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 710,-- voor
verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak ter verdere behandeling terug naar de
Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage;
Veroordeelt gedaagde voorwaardelijk in de proceskosten van appellant in
hoger beroep ad f 710,--.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 september
2001.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|