|
Uitspraak
99/6256
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Gedaagde heeft bij besluit van 4 november 1997 aan appellante ingaande
het vierde kwartaal van 1997 de aanspraak op kinderbijslag ingevolge de
Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor haar dochter [C.] ontzegd.
Bij beslissing op bezwaar van 29 april 1998, het bestreden besluit,
heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 4 november 1997 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 9
november 1999 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
Appellante is van deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift
uiteengezette gronden in hoger beroep gekomen.
Aan partijen is toegezonden het arrest d.d. 20 maart 2001 van het Hof
van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak C-33/99.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met een drietal soortgelijke zaken, behandeld ter
zitting van de Raad, gehouden op 22 augustus 2001, waar namens
appellante is verschenen [D.] en waar gedaagde zich niet heeft doen
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Appellantes dochter [C.], geboren in 1975, heeft van 1993 tot 1997 aan
de Universiteit van Exeter gestudeerd voor een bachelorīs degree,
gevolgd - ingaande 3 oktober 1997 - door een studie aan de Universiteit
van Bristol voor een masterīs degree.
Bij het primaire besluit van 4 november 1997, gehandhaafd bij het
bestreden besluit, heeft gedaagde ingaande het vierde kwartaal van 1997
aan appellante voor [C.] kinderbijslag geweigerd. De wettelijke
grondslag voor deze weigering vindt zijn oorsprong in de wijziging van
de AKW per 1 oktober 1986, waarbij het recht op kinderbijslag voor
studerende kinderen vanaf 18 jaar in verband met de inwerkingtreding van
de Wet op de studiefinanciering is afgeschaft, echter met een overgangsregeling krachtens welke het recht op kinderbijslag voor dergelijke
kinderen, mits geboren voor 1 oktober 1986, gehandhaafd bleef. Bij de
Wet van 21 december 1995, Stb. 691, is deze overgangsregeling met het
oog op een versnelde afbouw in die zin gewijzigd, dat - krachtens
artikel XII van die wet - het recht op kinderbijslag vervalt op het
moment dat het kind ophoudt te studeren aan de opleiding die het op de
eerste dag van het vierde kwartaal van 1995 volgde. Gedaagde heeft in
dit kader bij het bestreden besluit met betrekking tot [C.] het
standpunt ingenomen dat de studie voor een masterīs degree niet
dezelfde opleiding is als die voor een bachelorīs degree, zodat [C.]
ingaande 3 oktober 1997 niet langer de opleiding volgde die zij op 1
oktober 1995 volgde en er derhalve vanaf het vierde kwartaal van 1997
geen recht op kinderbijslag meer bestond.
De rechtbank heeft dit besluit in stand gelaten, zich met bovengenoemd
standpunt van gedaagde verenigend. Appellante heeft tegen deze uitspraak
doen aanvoeren dat de studie voor de masterīs degree na de studie voor
de bachelorīs degree te beschouwen is als een voortgezette studie en
niet als een andere opleiding. In Nederland wordt, aldus appellante, bij
voortzetting van de studie rechten na de propedeuse ook niet gesproken
van een andere studie. Het feit dat voor de bachelorīs degree een
afzonderlijk examen wordt gedaan doet daar volgens appellante niet aan
af, nu in Nederland de propedeuse ook wordt afgesloten met een examen.
Voorts heeft appellante er een beroep op gedaan dat in Nederland alleen
de combinatie van een bachelorīs degree en een masterīs degree
gelijkwaardig wordt geacht aan het afronden van een Nederlands doctoraal
programma.
De Raad oordeelt als volgt.
Ten aanzien van het begrip "dezelfde opleiding" is in de
Memorie van Toelichting op het ontwerp dat geleid heeft tot de Wet van
21 december 1995 overwogen dat daarvan sprake is zolang het kind
dezelfde schoolsoort blijft volgen en verder dat een door een verhuizing
gedwongen wisseling van school geen invloed heeft zolang de studie aan
dezelfde schoolsoort wordt voortgezet (Kamerstukken 1994-1995, 24326,
nr. 3, blz. 43). In de beleidsregels van gedaagde is opgenomen dat
sprake dient te zijn van "dezelfde soort opleiding van hetzelfde
soort onderwijs" (SVB Beleidsregels 1997). De Raad oordeelt
overeenkomstig deze beleidsregels dat het, wil er van dezelfde opleiding
gesproken kunnen worden, moet gaan om een zelfde soort opleiding en een
zelfde soort onderwijs. In casu is er geen sprake van een zelfde soort
opleiding, nu de studie voor de bachelorīs degree een andere inhoud
heeft dan die voor de masterīs degree en met een ander examen wordt
afgesloten. Voorts kan bij een studie voor de bachelorīs degree die
wordt gevolgd door een studie voor de masterīs degree naar īs Raads
oordeel niet gesproken worden van een zelfde opleiding in twee stappen,
zoals appellante verdedigt, nu de graad van bachelor in het
maatschappelijk verkeer een zelfstandige betekenis heeft, die in een tot
de gedingstukken behorende brief van 26 februari 1998 van de Nederlandse
organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (Nuffic)
tot uitdrukking komt in de mededeling dat het grootste gedeelte van de
Britse studenten na de bachelorīs opleiding de universiteit verlaat,
waarna zij in veel gevallen wel hun studie vervolgen, maar niet aan de
universiteit. Hiermee is naar īs Raads oordeel tevens een, beslissend,
verschil gegeven met de propedeuse in het kader van de studie aan een
Nederlandse universiteit.
Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) M.F.
van Moorst.
|
|