|
Uitspraak
99/3128
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 16 oktober 1997 heeft gedaagde onder meer geweigerd aan
appellant kinderbijslag toe te kennen over het vierde kwartaal van 1996
voor de kinderen [C.], geboren in 1980, [D.], geboren in 1982, [G.],
geboren in 1985, en [F.], geboren in 1987.
Bij besluit op bezwaar van 9 maart 1998 is het bezwaar tegen het besluit
van 16 oktober 1997 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 10 mei
1999 het beroep tegen het besluit van 9 maart 1998 gegrond verklaard en
dat besluit vernietigd voor zover daarin is gehandhaafd de beslissing
dat appellant over het vierde kwartaal van 1996 geen recht heeft op
kinderbijslag voor het kind [C.]. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat
gedaagde binnen zes weken nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden
een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming
van hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Tevens heeft de rechtbank
bepaald dat gedaagde het door appellant gestorte griffierecht aan hem
vergoedt.
Appellant heeft op daartoe in het beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 10 mei 1999.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en daarbij tevens het
besluit van 6 oktober 1999 ingezonden, waarbij appellants bezwaar tegen
het besluit van 16 oktober 1997, voor zover dit betrekking heeft op het
recht op kinderbijslag ten behoeve van [C.], gegrond is verklaard.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13 juni
2001. Appellant is daar in persoon verschenen, terwijl gedaagde, zoals
was aangekondigd, zich niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
In geschil is het antwoord op de vraag of de weigering van gedaagde om
aan appellant kinderbijslag toe te kennen voor [D.], [G.] en [F.] over
het vierde kwartaal van 1996 in rechte kan standhouden. De Raad gaat bij
de beantwoording van die vraag uit van de volgende feiten.
Appellant is gehuwd geweest met [H.]. Op 11 januari 1996 is de
echtscheiding uitgesproken en is de moeder belast met het ouderlijk
gezag over de kinderen. Bij beschikking van 4 april 1996 heeft de
rechtbank Rotterdam bepaald dat appellant de kinderen één dag per week
bij zich mag hebben.
Op 26 januari 1997 heeft appellant kinderbijslag aangevraagd voor de
kinderen. Daarbij was een afschrift gevoegd van een brief van [C.] van
24 januari 1997 aan de sector familierecht van de rechtbank Rotterdam,
waarin zij onder meer meedeelt dat de kinderen vanaf 5 augustus 1996 bij
appellant verblijven. Op die datum heeft hun moeder de voormalige
echtelijke woning verlaten en is appellant daar weer komen wonen. [D.]
heeft volgens [C.] tot november 1996 bij appellant gewoond, waarna zij
bij haar moeder is gaan wonen. Op 27 mei 1997 heeft een
buitendienstbeambte van gedaagde gesproken met appellant en de kinderen
[F.] en [G.], die blijkens het ter zake opgemaakte rapport hebben
bevestigd dat zij vanaf 5 augustus 1996 bij hun vader wonen en maar een
heel enkele keer bij hun moeder op bezoek zijn geweest. Een
buitendienstbeambte van gedaagdes districtskantoor Hengelo heeft op 28
mei 1997 een onderhoud gehad met de moeder van de kinderen, die sedert
april 1997 in [V.] woont, waarbij zij blijkens het ter zake opgemaakte
rapport heeft medegedeeld dat zij op 5 augustus 1996 met de kinderen [D.],
[F.] en [G.] is verhuisd van de voormalige echtelijke woning naar de [P.]straat
te [B.]. Tot de kerstvakantie verbleven de kinderen doorgaans bij haar,
elk weekend en in de herfstvakantie waren de kinderen bij appellant. Het
schoolgeld en de premie voor de ziektekostenverzekering zouden door haar
zijn betaald. [F.] en [G.] zouden in de kerstvakantie te kennen hebben
gegeven dat zij bij appellant willen blijven wonen. [D.] is bij haar
moeder gebleven, terwijl [C.] vanaf augustus 1996 bij appellant woont.
Gedaagde heeft daarop het besluit van 16 oktober 1997 afgegeven en
daarin overwogen dat door de tegenstrijdige verklaringen van appellant
en zijn ex-echtgenote niet is vast te stellen bij wie de kinderen op 1
oktober 1996 verbleven, waardoor gedaagde genoodzaakt is om het
echtscheidingsconvenant te hanteren. Daarin is bepaald dat de kinderen
aan hun moeder zijn toegewezen, zodat zij op 1 oktober 1996 geacht
worden tot haar huishouden te behoren. Ingaande het eerste kwartaal van
1997 heeft gedaagde wel kinderbijslag toegekend aan appellant voor [C.],
[G.] en [F.].
In bezwaar heeft appellant verklaringen van drie buren overgelegd,
waarin deze de lezing van appellant bevestigen. Uit onderzoek bij de
gemeentelijke basisadministratie blijkt dat de kinderen van 4 juni 1996
tot 16 april 1997 waren ingeschreven op het adres [P.]straat te [B.].
Bij het thans bestreden besluit heeft gedaagde zijn standpunt
gehandhaafd.
De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van de verblijfplaats van
[C.] geen tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd. Zij verbleef op de
peildatum van het vierde kwartaal van 1996 bij appellant, zodat ten
onrechte is geweigerd voor haar kinderbijslag toe te kennen aan
appellant over het vierde kwartaal van 1996.
Ten aanzien van de verblijfplaats van de kinderen [D.], [G.] en [F.] op
1 oktober 1996 zijn wel tegenstrijdige verklaringen afgelegd. In zo'n
geval bestaat er aanleiding doorslaggevende betekenis toe te kennen aan
inhoud en strekking van ten aanzien van betrokkenen opgelegde regelingen
en/of door betrokkenen duidelijk overeengekomen, objectief verifieerbare
afspraken betreffende opvoeding en verblijf van een kind. Slechts indien
bedoelde regelingen en/of afspraken ontbreken of te weinig uitsluitsel
bieden, kunnen andere aanknopingspunten op de voorgrond treden. Nu het
gezag over de kinderen aan de moeder is toegewezen en gelet op de
vastgestelde omgangsregeling, heeft de rechtbank daarmee voldoende
grondslag aanwezig geacht om te kunnen concluderen dat de kinderen [D.],
[G.] en [F.] op 1 oktober 1996 tot het huishouden van hun moeder
behoorden.
Appellant blijft bij zijn standpunt dat de kinderen ten tijde van belang
bij hem verbleven.
De Raad overweegt als volgt.
Bepalend voor het antwoord op de vraag tot wiens huishouden een kind
behoort is met name de feitelijke situatie. Zoals gedaagde in zijn
beleidsregels heeft weergegeven behoort een kind tot het huishouden
wanneer het op het adres waar het huishouden wordt gevormd het merendeel
van de voor de nachtrust bestemde tijd doorbrengt. In de jurisprudentie
van de Raad (o.a. gepubliceerd in RSV 1992/20) is op dat uitgangspunt in
zoverre een uitzondering gemaakt dat onder omstandigheden de inhoud en
strekking van de omgangsregeling bepalend is voor het antwoord op de
vraag tot wiens huishouden een kind van gescheiden ouders behoort. Deze
uitzondering heeft echter betrekking op de situatie waarin sprake is van
co-ouderschap en daaruit voortvloeiende samenloop van het recht op
kinderbijslag van beide ouders. Deze uitzondering kan niet zonder meer
worden toegepast op een situatie als de onderhavige, waarin uitsluitend
de ouder tot wiens huishouden het kind behoort recht heeft op
kinderbijslag.
In een situatie als de onderhavige, waarin door de ouders tegenstrijdige
verklaringen worden afgelegd met betrekking tot de verblijfplaats van de
kinderen, rust op gedaagde een plicht om te trachten aan de hand van een
onderzoek een coherent beeld van de feiten te verkrijgen. Dit onderzoek
dient uitgebreider te zijn dan thans heeft plaatsgehad. Eerst wanneer
ook na een zorgvuldig en gedegen onderzoek blijkt dat het niet mogelijk
is vast te stellen bij wie de kinderen hebben verbleven kan aan andere
gegevens, zoals een vastgestelde omgangsregeling, een zekere betekenis
worden toegekend.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet kan worden
gedragen door de daarin vermelde motivering en voorts in strijd is met
het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit
betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te
worden vernietigd. Het inleidende beroep zal alsnog gegrond worden
verklaard en het bestreden besluit zal, voor zover dat in stand is
gelaten door de rechtbank, worden vernietigd. Gedaagde zal met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is vermeld een nieuw besluit
op het bezwaar van appellant dienen te nemen.
Met het oog op het door gedaagde te nemen besluit merkt de Raad op dat
door appellant en zijn ex-echtgenote weliswaar tegenstrijdige
verklaringen zijn afgelegd, maar dat de lezing van appellant lijkt te
worden bevestigd door de kinderen [C.], [G.] en [F.] en drie buren. Aan
de inschrijving in het bevolkingsregister kan naar het oordeel van de
Raad weinig gewicht worden toegekend, nu ook [C.] heeft ingeschreven
gestaan op het adres [P.]straat te [B.], terwijl niet in geschil is dat
zij daar nimmer heeft gewoond. De suggestie van appellant dat navraag
zou worden gedaan bij de school van de kinderen, is door gedaagde -
zonder nadere toelichting - niet opgevolgd.
Nu het hoger beroep slaagt, zal gedaagde worden veroordeeld tot
vergoeding van de kosten die appellant in verband met het hoger beroep
redelijkerwijs heeft moeten maken. Dit betreft de reiskosten ad f 44,58
alsmede de door appellant gevorderde verletkosten van in totaal f
600,--.
Ook dient gedaagde het door appellant in hoger beroep gestorte
griffierecht ad f 170,-- aan hem te vergoeden.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verklaart het inleidende beroep gegrond en vernietigt het bestreden
besluit, voor zover dat door de rechtbank in stand is gelaten;
Bepaalt dat gedaagde met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is
overwogen een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellant;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van de proceskosten van appellant,
begroot op f 644,58;
Bepaalt dat gedaagde het door appellant gestorte griffierecht ad f
170,-- aan hem vergoedt.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en prof. mr. W.M. Levelt-Overmars als leden, in tegenwoordigheid
van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op
25 juli 2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) M.B.M.
Vermeulen.
|
|