|
Uitspraak
00/1480
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 29 september 1998 heeft gedaagde aan appellant
medegedeeld dat hij geen recht heeft op kinderbijslag ingevolge de
Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor zijn kinderen [D.], [E.]. en [F.],
omdat hij niet de verzorgende ouder van die kinderen is.
Bij beslissing op bezwaar van 12 april 1999, het thans bestreden
besluit, is het bezwaar tegen eerdergenoemd besluit ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 22 februari
2000 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 augustus
2001, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich
heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens, werkzaam bij de
Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant is gehuwd geweest met [C.], uit welk huwelijk drie kinderen
zijn geboren, te weten: [D.], in 1980, [E.] in 1981 en [F.] in 1983. In
1994 is dit huwelijk door echtscheiding ontbonden. In het toen
opgestelde echtscheidingsconvenant is, onder meer, overeengekomen dat de
ouderlijke macht over de kinderen in stand blijft en dat appellant een
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal
betalen van f 850,- per kind per maand.
Bij brief van 1 september 1998 heeft appellant aan gedaagde verzocht hem
de helft van de kinderbijslag ten behoeve van zijn drie kinderen toe te
kennen, omdat sprake is van een co-ouderschapssituatie. Appellant had al
eerder aan gedaagde medegedeeld dat in 1994 is afgesproken dat beide
ouders de ouderlijke macht zouden behouden met als doel te komen tot een
volledig co-ouderschap. De kinderen wonen sinds de echtscheiding echter
bij C. en verblijven gedurende 26 weekeinden en zes vakantieweken per
jaar bij appellant. Een in mei 1995 gemaakte (mondelinge) afspraak dat
de kinderen vaker bij appellant zouden verblijven is volgens appellant
slechts gedurende twee maanden nageleefd.
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 29 september 1998 heeft
gedaagde geweigerd de helft van de kinderbijslag voor de drie kinderen
van appellant aan hem te betalen, omdat uit het echtscheidingsconvenant
niet blijkt dat sprake is van een co-ouderschapsregeling in de zin van
de AKW.
De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde onderschreven en het
beroep van appellant ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft
appellant wederom aangevoerd dat mondeling is overeengekomen dat beide
ouders de kinderen zouden opvoeden in het kader van co-ouderschap en dat
C. deze afspraak niet wenst uit te voeren.
De Raad stelt voorop dat gedaagde zijn aanspraak op de helft van de
kinderbijslag voor zijn drie kinderen baseert op artikel 5a van het
Koninklijk besluit van 20 december 1991, Stb. 756 (hierna: besluit
samenloop), zoals dat besluit sedert 1 oktober 1995 luidt. Het besluit
samenloop is gebaseerd op artikel 18, zesde lid, van de AKW, waarin is
bepaald dat met betrekking tot situaties van samenloop nadere en
aanvullende regels kunnen worden getroffen waarbij kan worden afgeweken
van het vierde en vijfde lid van artikel 18. In artikel 5a van het
besluit samenloop is bepaald dat indien twee personen op basis van een
overeenkomst een kind overwegend in gelijke mate verzorgen en
onderhouden, zonder met elkaar een gemeenschappelijke huishouding te
voeren, de kinderbijslag gelijk verdeeld aan hen wordt betaald.
Beoordeeld dient derhalve te worden of appellant en C. hun kinderen
overwegend in gelijke mate verzorgen. Daarbij is de feitelijke mate van
verzorging door beide ouders in beginsel bepalend en kan, wanneer de
feitelijke situatie niet vastgesteld kan worden dan wel de betrokkenen
daarover tegenstrijdige verklaringen afleggen, ook aan andere gegevens,
zoals hetgeen betrokkenen daaromtrent zijn overeengekomen, betekenis
toegekend worden.
De Raad stelt vast dat appellant sedert de echtscheiding in 1994 zijn
drie kinderen in ieder geval niet in overwegend gelijke mate als C.
feitelijk verzorgt, nu de kinderen het merendeel van de tijd bij haar
verblijven en zij tot haar huishouden behoren. Voorts is in het
echtscheidingsconvenant niets overeengekomen over de mate waarin
appellant en C. de kinderen feitelijk zouden verzorgen. Nadien zijn
volgens appellant wel nadere afspraken daaromtrent gemaakt, doch deze
afspraken hebben - daargelaten nog de vraag of de gestelde afspraken voldoen aan de
hiervoor weergegeven voorwaarden - in ieder geval niet geleid tot een
duurzame wijziging in de feitelijke verzorging van de kinderen. De Raad
is derhalve van oordeel dat niet aangenomen kan worden dat appellant en
C. hun kinderen overwegend in gelijke mate verzorgen, zodat appellant op
grond van artikel 5a van het besluit samenloop geen aanspraak heeft op
de helft van de kinderbijslag voor zijn kinderen.
Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd kan niet tot een
ander oordeel leiden, nu uit het hiervoor overwogene voortvloeit dat
niet alleen de gemaakte afspraken over de verzorging bepalend zijn in
het kader van artikel 5a van het besluit samenloop, doch dat in dit
kader met name betekenis toekomt aan de feitelijke mate van verzorging,
en appellant niet heeft betwist dat hij de kinderen in ieder geval
feitelijk niet overwegend in gelijke mate verzorgt.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding
van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H. Bolt en
mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B.
van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26
september 2001.
(get.) T.L.
de Vries.
(get.) J.J.B
van der Putten.
|
|