|
Uitspraak
99/2338
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A., wonende te B., appellante
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Gedaagde heeft bij besluit van 12 november 1996 aan appellante ingaande
het vierde kwartaal van 1996 de aanspraak op kinderbijslag ingevolge de
Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor haar dochter C. ontzegd.
Bij beslissing op bezwaar van 21 februari 1997, het bestreden besluit,
heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 12 november 1996
ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden heeft bij uitspraak van 25
maart 1999 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Appellante is van deze uitspraak op bij beroepschrift van 5 mei 1999
uiteengezette gronden in hoger beroep gekomen.
Bij schrijven van 12 oktober 1999 heeft gedaagde een verweerschrift
ingediend.
Aan partijen is toegezonden het arrest d.d. 20 maart 2001 van het Hof
van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak C-33/99.
Appellante heeft op 1 augustus 2001 een nader stuk ingediend.
Het geding is, gevoegd met een drietal soortgelijke zaken, behandeld ter
zitting van de Raad, gehouden op 22 augustus 2001, waar namens
appellante is verschenen haar echtgenoot [D.] en waar gedaagde zich niet
heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Appellantes dochter C., geboren in 1973, heeft met ingang van augustus
1995 gestudeerd aan het Edinburgh's Telford College in Schotland, waar
zij de opleiding "Access to Science, Engineering & Technology"
volgde.
Met ingang van 1 oktober 1996 ging zij studeren aan de Heriot-Watt
University in Edinburgh, voor de graad "Bachelor of Science in
Biological Sciences".
In het bestreden besluit van 21 februari 1997 heeft gedaagde ingaande
het vierde kwartaal van 1996 aan appellante voor C. kinderbijslag
geweigerd. De wettelijke grondslag voor deze weigering vindt zijn
oorsprong in de wijziging van de AKW per 1 oktober 1986, waarbij het
recht op kinderbijslag voor studerende kinderen vanaf 18 jaar in verband
met de inwerkingtreding van de Wet op de studiefinanciering is
afgeschaft, echter met een overgangsregeling krachtens welke het recht
op kinderbijslag voor dergelijke kinderen, mits geboren voor 1 oktober
1986, gehandhaafd bleef. Bij de Wet van 21 december 1995, Stb. 691, is
deze overgangsregeling met het oog op een versnelde afbouw in die zin
gewijzigd, dat - krachtens artikel XII van die wet - het recht op
kinderbijslag vervalt op het moment dat het kind ophoudt te studeren aan
de opleiding die het op de eerste dag van het vierde kwartaal van 1995
volgde. Gedaagde heeft in dit kader bij het bestreden besluit met
betrekking tot C. het standpunt ingenomen dat de studie aan het Telford
College niet dezelfde opleiding is als die aan de Heriot-Watt University,
zodat C. ingaande het vierde kwartaal van 1996 niet langer de opleiding
volgde die zij op 1 oktober 1995 volgde en er derhalve vanaf het vierde
kwartaal van 1996 geen recht op kinderbijslag meer bestond.
De rechtbank heeft dit besluit in stand gelaten, zich met bovengenoemd
standpunt van gedaagde verenigend.
Appellante heeft tegen deze uitspraak aangevoerd dat C. al vanaf haar
twaalfde jaar bioloog wil worden, hetgeen blijkt uit een stukje uit de
schoolkrant van C.'s basisschool uit 1985. Aangezien zij HAVO heeft
gedaan diende zij in Schotland eerst "Acces to Science, Engineering
& Technology" te volgen aan het Telford College om daarmee
toegang tot de universiteit te krijgen. In de visie van appellante neemt
dat echter niet weg dat sprake is van dezelfde opleiding tot bioloog,
waarop C. haar vakkenpakket heeft afgestemd en welke na het Telford
College nog niet was afgerond.
In de visie van gedaagde volgde C. op 1 oktober 1996 niet langer
dezelfde opleiding als op 1 oktober 1995 omdat de opleiding aan het
Telford College geen geïntegreerd onderdeel uitmaakt van de opleiding
aan de Heriot-Watt University en de opleiding aan het Telford College
met een certificaat is afgesloten.
De Raad oordeelt als volgt.
Ten aanzien van het begrip "dezelfde opleiding" is in de memorie van
toelichting op het ontwerp dat geleid heeft tot de Wet van
21 december 1995 overwogen dat daarvan sprake is zolang het kind
dezelfde schoolsoort blijft volgen en verder dat een door een verhuizing
gedwongen wisseling van school geen invloed heeft zolang de studie aan
dezelfde schoolsoort wordt voortgezet (Kamerstukken 1994-1995, 24326,
nr. 3, blz. 43). In de beleidsregels van gedaagde is opgenomen dat
sprake dient te zijn van "dezelfde soort opleiding van hetzelfde
soort onderwijs" (SVB Beleidsregels 1997). De Raad oordeelt
overeenkomstig deze beleidsregels dat het, wil er van dezelfde opleiding
gesproken kunnen worden, moet gaan om een zelfde soort opleiding en een
zelfde soort onderwijs. In casu is geen sprake van een zelfde soort
opleiding nu de opleiding aan het Telford College met een certificaat is
afgerond welk certificaat in het maatschappelijk verkeer een
zelfstandige betekenis heeft namelijk het toegang verkrijgen tot het
(hogere) onderwijs aan een universiteit. Dat een student daarbij het
vakkenpakket reeds afstemt op de later te volgen universitaire studie
doet niet af aan die zelfstandige betekenis.
In de visie van appellante zou al het onderwijs dat is gericht op het
uiteindelijk te behalen resultaat, te weten het worden van bioloog, als
dezelfde opleiding gezien moeten worden, hetgeen naar het oordeel van de
Raad een veel te ruime uitleg vormt van het begrip dezelfde opleiding
als bedoeld in artikel XII.
Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) M.F.
van Moorst.
|
|