|
Uitspraak
99/2099
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 18 december 1997 heeft gedaagde geweigerd appellant
vanaf het vierde kwartaal van 1997 kinderbijslag ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen ten behoeve van zijn dochter [C.].
Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit d.d.
25 februari 1998.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 8
maart 1999 het beroep tegen het besluit van 25 februari 1998 ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. C.M. Zeyl-Terzol, advocaat te Den Haag, in
hoger beroep gevorderd de uitspraak van de rechtbank te vernietigen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Bij brief van 6 maart 2000 is vanwege de Raad aan partijen meegedeeld
dat de afhandeling van het hoger beroep wordt opgeschort totdat het Hof
van Justitie van de EG uitspraak heeft gedaan in de zaak C-33/99 (zie
RSV 1999/211 en USZ 2001/144).
Een afschrift van bedoeld arrest, gegeven op 20 maart 2001, is aan
partijen toegezonden.
Vervolgens is het geding behandeld ter zitting van de Raad van 22
augustus 2001, waar van partijen alleen appellant is verschenen bij zijn
gemachtigde mr. Zeyl-Terzol, voornoemd.
II. MOTIVERING
De toepasselijke rechtsregels zijn door de rechtbank in de aangevallen
uitspraak met juistheid als volgt weergegeven:
"Ten aanzien van het wettelijk kader overweegt de rechtbank dat met
ingang van 1 januari 1996 de artikelen 26 tot en met 29 van de AKW - waarbij overgangsrecht op kinderbijslag was opgenomen
voor kinderen geboren voor 1 oktober 1986 - zijn vervallen.
Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW had de
verzekerde recht op kinderbijslag voor zijn kinderen die geboren zijn v๓๓r
1 oktober 1986 en 18 jaar of ouder doch jonger dan 25 jaar waren, van
wie de voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag genomen
werden door of in verband met het volgen van onderwijs of van een
beroepsopleiding, indien zij in belangrijke mate op zijn kosten werden
onderhouden.
Ingevolge het overgangsrecht ter zake van het vervallen van de artikelen
26 tot en met 29 van de AKW (zoals neergelegd in artikel XII van de Wet
van 21 december 1995, Stb. 1995, 691, laatstelijk gewijzigd bij Wet van
23 januari 1997, Stb. 1997, 33) vervallen voornoemde artikelen van de AKW voor een verzekerde die over het vierde kwartaal van 1995 recht
heeft op kinderbijslag voor een kind als bedoeld in artikel 26, eerste
lid, onderdeel a, of voor een kind dat op 30 september 1995 17 jaar of ouder is, eerst op het moment dat dat kind ophoudt te
studeren aan de opleiding die het op de eerste dag van dat kwartaal
volgde of aanspraak krijgt op een tegemoetkoming in de studiekosten als
bedoeld in hoofdstuk III van de AKW."
Feitelijk is van belang dat appellants dochter [C.] is geboren in 1978.
Blijkens de gegevens uit het dossier heeft zij het (Marokkaanse)
Enseignement Fondamental, dat zij op 1 oktober 1995 volgde, afgerond in
het schooljaar 1996/1997 en is zij in het schooljaar 1997/1998 begonnen
met het Enseignement Secondaire.
Op grond van het hierboven weergegeven overgangsrecht eindigt de
aanspraak op kinderbijslag voor [C.] op het moment waarop zij ophoudt te
studeren aan de opleiding die zij op 1 oktober 1995 volgde. Onder
verwijzing naar hetgeen gedaagde en de rechtbank op dit punt hebben
overwogen, oordeelt de Raad dat bedoeld moment hier is gelegen direct
voorafgaande aan het vierde kwartaal van 1997, toen [C.] met de
opleiding in het Enseignement Secondaire is begonnen. De stelling namens
appellant dat de laatste drie jaren van het Enseignement Fondamental,
tezamen met het (driejarige) Enseignement Secondaire, moet worden
beschouwd als voortgezet onderwijs dat een en dezelfde opleiding
beslaat, vindt geen steun in de gegevens met betrekking tot het
Marokkaanse schoolssysteem. Dat het schooljaar 1997/1998 ten aanzien van
[C.] een andere opleiding dan de voorafgaande betrof, wordt overigens
ook bevestigd door de directeur van de betreffende school in de door
appellant overgelegde schoolverklaring.
Namens appellant is voorts betoogd dat de onderhavige overgangsregeling
discrimineert naar nationaliteit. Ter zitting van de Raad is dit als
volgt toegelicht:
"Ik heb de uitspraak van het Hof van Justitie bestudeerd.
Het Hof heeft vastgesteld, dat de Samenwerkingsovereenkomst tussen de
Europese Economische Gemeenschap en het koninkrijk Marokko, noch artikel
48 EG-Verdrag en evenmin de Verordening 1408/71 van de raad en
wijzigingen zich verzetten tegen de geleidelijke afschaffing van de
kinderbijslag, voorzover die afschaffing plaats vindt zonder
discriminatie op grond van nationaliteit.
Ik heb niet gesteld, dat de Nederlandse Staat niet gerechtigd was de
kinderbijslag geleidelijk aan af te schaffen en een overgangsmaatregel
vast te stellen. Ik heb betoogd, dat er hier wel degelijk sprake is van
een discriminatie op grond van nationaliteit, omdat het onderwijs in
Marokko een tweedeling kent in het voortgezet onderwijs, waardoor cli๋nt
geen aanspraak kan maken op deze overgangsregeling.
Niet het afschaffen van de kinderbijslag, maar de overgangsmaatregel
levert in mijn visie de verboden discriminatie op.
Voorzover ik kan nagaan is dit punt niet aan de orde geweest in de aan
het Hof voorgelegde zaken. Deze vraag staat nu dus nog steeds open.
Het is duidelijk, dat deze vraag wel belangrijk is nu het Hof heeft
uitgemaakt, dat artikel 41 van de Samenwerkingsovereenkomst zich niet
verzet tegen het feit, dat wanneer de ten laste van een Marokkaanse
werknemer komende kinderen niet in Nederland wonen zij geen aanspraak
kunnen maken op studiefinanciering.
Nu kinderen van een Marokkaanse werknemer vaker voortgezet onderwijs in
Marokko volgen dan Nederlandse kinderen is hier wel degelijk sprake van
een onderscheid naar nationaliteit.".
Ook in eerste aanleg is namens appellant deze stelling betrokken,
waarbij is verwezen naar artikel 14 van het Europees Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM),
in verbinding met de artikelen 1 en 2 van het Eerste Protocol bij dat
verdrag, alsmede naar artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
Anders dan gedaagde in zijn verweerschrift heeft betoogd, is de Raad van
oordeel dat appellant artikel 14 EVRM kan inroepen, in weerwil van het
feit dat Marokko geen partij is bij dat verdrag: als partij bij het
verdrag is Nederland uit hoofde van zijn verdragsverplichtingen gehouden
die norm ook ten aanzien van de AKW-verzekerde Essaaidi in acht te
nemen.
Aan het betoog van appellant ligt ten grondslag de veronderstelling dat
de regel van artikel XII van de Wet van 21 december 1995 (Stb. 691),
waarvan de inhoud hierboven is weergegeven, nadelig uitwerkt voor
kinderen die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten, en in het
bijzonder dat als gevolg van de inrichting van het (algemeen vormende)
Marokkaanse onderwijs een structureel nadeel optreedt ten opzichte van
de Nederlandse situatie voor Marokkaanse kinderen, althans kinderen van
Marokkaanse ouders, van 18 jaar en ouder, die immers verhoudingsgewijs
het vaakst Marokkaans onderwijs zullen volgen.
Op het enkele feit echter dat het Marokkaanse onderwijssysteem, anders
dan (bijvoorbeeld) het Nederlandse, een cesuur aanbrengt na een (eerste)
cyclus van negen jaren, en vervolgens wederom een cesuur na drie jaren,
valt geenszins de stelling te baseren dat dat systeem voor de
kinderbijslagaanspraak op grond van artikel XII van voornoemde wet
verhoudingsgewijs nadelig uitwerkt.
Het hoger beroep slaagt derhalve niet, zodat de aangevallen uitspraak
kan worden bevestigd.
Er zijn geen termen voor een veroordeling in proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) M.F.
van Moorst.
|
|