|
Uitspraak
00/1590
AKW
B E S L I S S I N
G
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [B.], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. INLEIDING
Namens appellant is mr. M.Ph. de Witte, advocaat te Den Haag, op bij
aanvullend beroepschrift van 9 juni 2000 aangegeven gronden in hoger
beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Den Haag
onder dagtekening 25 februari 2000 tussen partijen gegeven uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 29 mei 2001 heeft gedaagde desgevraagd een ongeschoonde
brief van de attaché voor sociale zaken te Ankara van 21 oktober 1997
ingediend onder gelijktijdig verzoek ex artikel 8:29, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit stuk niet aan appellant ter inzage
te verstrekken.
Bij brief van 27 augustus 2001 heeft appellant, gelet op artikel 8:29,
vijfde lid, van de Awb, toestemming geweigerd om mede op grond van dit
stuk recht te doen.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld ter zitting van de Raad te
worden gehoord, uitsluitend in verband met de vraag of beperking van de
kennisneming van enkele stukken als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb
gerechtvaardigd is. Appellant is op die zitting niet verschenen, terwijl
gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.
II. MOTIVERING
Ingevolge artikel 8:29, eerste lid, van de Awb kan een partij die
verplicht is stukken over te leggen, indien daarvoor gewichtige redenen
zijn, de rechtbank mededelen dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen
van die stukken.
Ingevolge artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de rechtbank of de
in het eerste lid bedoelde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd
is.
Ingevolge artikel 21, derde lid, van de Beroepswet is artikel 8:29,
derde lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing op het hoger
beroep.
Gedaagde heeft naar aanleiding van het verzoek van de rechtbank om de
processtukken in te zenden een gedeeltelijk geschoonde versie van een
brief van 21 oktober 1997 van de attaché voor sociale zaken te Ankara
ingezonden en daarmee, de rechtbank kennelijk impliciet verzocht om
toepassing van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb, welk verzoek de
rechtbank impliciet heeft gehonoreerd.
Voorts heeft gedaagde stukken met betrekking tot in opdracht van de
Nederlandse Ambassade in Ankara verricht onderzoek aan de rechtbank
gezonden, welke zijn opgenomen als gedingstuk A21, met het verzoek
kennisneming van deze stukken aan appellant te onthouden. Dit verzoek
heeft de rechtbank bij beslissing van 22 november 1999 gehonoreerd.
Gelet op artikel 21, derde lid, van de Beroepswet zal de Raad thans
beoordelen of beperking van de kennisneming van bovengenoemde stukken
als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb in hoger beroep
gerechtvaardigd is, aangezien gedaagde ook in hoger beroep om toepassing
van dit artikel verzoekt.
Gedaagde heeft zich ter rechtvaardiging van zijn verzoek beroepen op het
belang van bescherming van de bij het onderzoek betrokken personen en op
het belang van bescherming van de gebruikte onderzoeksmethode.
Wat betreft de brief van de attaché voor sociale zaken te Ankara van 21
oktober 1997 heeft de Raad niet de overtuiging verkregen dat de door
gedaagde vermelde belangen in het onderhavige geval opgeld doen. Voor de
door gedaagde gewenste anonimisering ziet de Raad onvoldoende grond in
de door gedaagde ter zitting naar voren gebrachte, niet nader
geconcretiseerde en aan beweerdelijke ervaringen in andere landen dan
Turkije ontleende vrees voor bedreiging van betrokkenen. Waar gedaagde
tijdens de hoorzitting aan appellant en zijn gemachtigde reeds heeft
vermeld dat de attaché voor sociale zaken naar het dorp Kokluce Koyu is
gegaan en daar de plaatselijke autoriteit heeft gesproken, ziet de Raad
evenmin voldoende grond waarop appellant de vermelding van de functie
van die autoriteit moet worden onthouden. Van enig belang bij
geheimhouding van de brief van 21 oktober 1997 op de door gedaagde
aangegeven gronden is naar het oordeel van de Raad geen sprake.
Wat betreft het rapport van de Nederlandse Ambassade heeft de Raad
evenmin de overtuiging verkregen dat de door gedaagde vermelde belangen
zwaarder wegen dan het belang van appellant om inzage in dat stuk te
krijgen. Gedaagde heeft ook hier er slechts op gewezen dat uit
ervaringen in ander landen is gebleken dat bij onderzoek betrokken
personen gevaar kunnen lopen. Gedaagde heeft echter ook in dit verband
op geen enkele wijze onderbouwd dat de in het onderhavige geval bij het
onderzoek betrokken personen wezenlijk gevaar lopen bij bekendmaking van
het betreffende rapport. Wat betreft het argument dat de
onderzoeksmethode beschermd dient te worden overweegt de Raad dat hij
ook daaraan niet die betekenis kan hechten die gedaagde daaraan
toegekend wenst te zien. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat, zo
heeft de gemachtigde van gedaagde ter zitting aangegeven, het onderzoek
naar tweelingen in Turkije inmiddels is afgerond, zij het dat er nog
enkele vervolgonderzoeken plaatsvinden. Voorts acht de Raad de methode
van onderzoek in een geval als het onderhavige dermate voor de hand
liggend dat het belang van bescherming daarvan niet opweegt tegen het
belang van appellant op inzage in het rapport.
Hieruit volgt dat de Raad beperking van de kennisneming van voormelde
stukken in hoger beroep niet gerechtvaardigd acht. Dit betekent dat deze
stukken alsnog volledig aan appellant dienen te worden toegezonden.
Onder vermelding dat de behandeling van het hoger beroep op een nader te
bepalen datum zal worden voortgezet, beslist de Raad als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bepaalt dat beperking van de kennisneming van de brief van 21 oktober
1997 van de attaché voor sociale zaken te Ankara, alsmede het rapport
van de Nederlandse Ambassade in Turkije, opgenomen als gedingstuk A21,
niet gerechtvaardigd is.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van
Diepenbeek en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in
tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 10 oktober 2001.
(get.) H.
van Leeuwen.
(get.) J. Verrips.
|
|