|
Uitspraak
98/4376
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [B.], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 22 juni 1995 heeft gedaagde vastgesteld dat appellante
geen aanspraak kan maken op kinderbijslag ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) over het derde kwartaal van 1990 tot en met het
tweede kwartaal van 1995 ten behoeve van de kinderen [C.], [D.], [E.], [F.]
en [G.], geboren op respectievelijk [in] 1971, [in] 1974, [in] 1975,
[in] 1979 en [in] 1983.
Bij besluit van 31 oktober 1995 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde het
door appellante bij brief van 6 juli 1995 tegen het besluit van 22 juni
1995 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen besluit 1 heeft mr. Ph. Burgers, medewerkster van het Buro voor
Rechtshulp te Amsterdam, namens appellante bij brief van 21 november
1995 beroep ingesteld.
Bij besluit van 11 juni 1996 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde -onder
vervanging van besluit 1 door besluit 2- vastgesteld dat appellante ten
behoeve van haar hiervoor genoemde kinderen alsnog recht op
kinderbijslag heeft over het eerste kwartaal van 1992 tot en met het
tweede kwartaal van 1995 en dat zij over het derde kwartaal van 1990 tot
en met het vierde kwartaal van 1991 geen recht op kinderbijslag ten
behoeve van deze kinderen heeft.
De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 1 mei
1998 het beroep van appellante gegrond verklaard, besluit 1 vernietigd,
besluit 2 in stand gelaten, onder veroordeling van gedaagde tot
vergoeding aan appellante van het door haar betaalde griffierecht en
onder afwijzing van de vordering tot vergoeding van schade en
proceskosten.
De gemachtigde van appellante heeft bij beroepschrift van 5 juni 1998
tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft de gemachtigde, voornoemd, bij brief van 4 mei 2000
enkele stukken overgelegd.
Bij brief van 18 juni 2001 heeft deze gemachtigde nog een stuk
overgelegd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 juni 2001, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en
[de man], en waar namens gedaagde is verschenen mr. J.S. Bartstra,
werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak en de overige gedingstukken ontleent de
Raad de volgende voor de beoordeling van dit geschil van belang zijnde
feiten en omstandigheden.
Appellante, eerder woonachtig in de Filippijnen, is op 30 oktober 1989
naar Nederland gekomen en haar is in maart 1990 een vergunning tot
verblijf in Nederland wegens verblijf bij haar partner, de heer [de
man], verleend. Van 27 oktober 1990 tot 4 januari 1991 en van 14 juli
1991 tot en met het einde van dat jaar verbleef appellante in de
Filippijnen bij haar kinderen uit een eerdere relatie en op 21 december
1991 is zij aldaar gehuwd met [de man]. Op 9 november 1992 is met ingang
van het eerste kwartaal 1990 kinderbijslag aangevraagd voor de vijf
kinderen van appellante, welke aanvraag nadien is beperkt tot de periode
met ingang van het derde kwartaal van 1990. Bij de aanvraag zijn
schoolverklaringen betreffende de kinderen gevoegd en een schriftelijke
verklaring van de oudste twee kinderen dat zij allen kinderen van
appellante zijn. In maart 1993 is vanwege gedaagde aan appellante
medegedeeld dat voor de behandeling van de aanvraag geboorteakten van de
kinderen nodig zijn. Uiteindelijk zijn op 15 mei 1995 door de
gemachtigde van appellante geboorteakten van de kinderen overgelegd.
Daarbij is een toelichting verstrekt omtrent het gebruik in die
geboorteakten van de naam [G.] als achternaam van appellante. Bij het
bij besluit 1 gehandhaafde besluit van 22 juni 1995 is de aanspraak op
kinderbijslag afgewezen. Bij besluit 1 is onder meer mede naar
aanleiding van de ter hoorzitting verstrekte toelichting omtrent het
gebruik van verschillende namen en data in de betreffende geboorteakten
overwogen dat uit die akten niet onomstotelijk is komen vast te staan
dat appellante de natuurlijke moeder van de kinderen is. Voorts is
gesteld dat appellante geen overtuigend bewijs overgelegd of gegeven
heeft waaruit de conclusie kan worden getrokken dat zij inderdaad de
natuurlijke moeder van de kinderen is. Uit een tweetal telefoonnotities
van gedaagde van 3 en 16 november 1995 blijkt dat appellante met
gedaagde heeft overlegd omtrent het laten uitvoeren van DNA-onderzoek
teneinde te laten vaststellen dat appellante de natuurlijke moeder van
de kinderen is. In haar beroepschrift tegen besluit 1 van 21 november
1995 heeft de gemachtigde van appellante de rechtbank omtrent een en
ander bericht en heeft zij de rechtbank verzocht de behandeling van het
beroep aan te houden tot na een nadere standpuntbepaling van gedaagde
omtrent het DNA-onderzoek. Vervolgens hebben partijen hieromtrent verder
overleg gevoerd en bij brief van 12 december 1995 heeft gedaagde de
gemachtigde van appellante bericht akkoord te gaan met de te volgen
procedure bij het laten verrichten van het DNA-onderzoek. Daarbij heeft
gedaagde tevens laten weten er vanuit te gaan dat de kosten van het
DNA-onderzoek geheel voor rekening van appellante komen. In februari
1996 zijn aan gedaagde de voor appellante positieve resultaten van het
DNA-onderzoek toegezonden, waarvan de rechtbank bij brief van 4 april
1996 mededeling is gedaan. De resultaten van het DNA-onderzoek zijn voor
gedaagde aanleiding geweest tot het nemen van besluit 2. Voorzover
daarbij kinderbijslag is geweigerd over het derde kwartaal van 1990 tot
en met het vierde kwartaal van 1991, is daaraan ten grondslag gelegd dat
appellante niet op eenvoudig controleerbare wijze heeft kunnen aantonen
in belangrijke mate te hebben bijgedragen in het onderhoud van de
kinderen. Voorts heeft gedaagde gesteld dat appellante in de tijdvakken
voorafgaand aan het verblijf bij haar kinderen op de Filippijnen niet en
wat betreft het verblijf in 1990 ook niet in de tijdvakken daarna aan de
onderhoudseis heeft voldaan, zodat dit verblijf ook niet als aanvullend
bewijs kan dienen dat appellante in de dit verblijf betreffende
kwartalen aan de onderhoudseis heeft voldaan.
In beroep heeft appellante, zoals blijkt uit de door haar gemachtigde
ter zitting van de rechtbank van 12 februari 1998 voorgedragen
pleitnota, haar vordering met betrekking tot de kwartalen, waarover bij
besluit 2 kinderbijslag is geweigerd, beperkt tot de in het jaar 1991
vallende kwartalen. Ter toelichting heeft appellante gesteld dat zij in
januari 1991 ten behoeve van de kinderen f 40.000,- heeft overgemaakt
naar een gezamenlijke rekening van haar en haar halfbroer, waarvan voor
ongeveer f 25.000,- een huis is aangeschaft dat de kinderen op 1 april
1991 hebben betrokken en waarvan het restant is aangewend voor het
levensonderhoud en schoolkosten van de kinderen. Deze halfbroer had zijn
werkplek in de buurt van het gekochte huis en hield een oogje in het
zeil, aldus appellante. Voorts heeft [de man] op 6 augustus en 17
september 1991 aan appellante tijdens haar verblijf op de Filippijnen
naar hun gezamenlijke bankrekening aldaar f 7.000,- onderscheidenlijk f 10.000,- overgemaakt. Appellante heeft in
beroep ook verzocht gedaagde te veroordelen tot betaling van de
wettelijke rente vanaf 22 juni 1995 over de haar ingevolge besluit 2
nabetaalde kinderbijslag en tot vergoeding van de proceskosten met
inbegrip van de kosten van het DNA-onderzoek.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank wat betreft het recht van
appellante op kinderbijslag over 1991 voorop gesteld dat zij eind
oktober 1989 met haar komst naar Nederland met [de man] een nieuw
huishouden is gaan voeren, dat iemand als regel één huishouden heeft
en dat, nu appellante voorzieningen heeft getroffen voor de opvoeding
van de kinderen, het huishouden waarvan zij en de kinderen destijds
gezamenlijk deel uitmaakten, is verbroken. Voorts heeft de rechtbank
niet aangenomen dat appellante tijdens haar verblijf in 1991 bij de
kinderen weer hun verzorgster is geworden of met hen weer één
huishouden vormde. Uit een en ander heeft de rechtbank afgeleid dat
appellante alleen recht op kinderbijslag heeft als wordt voldaan aan de
zogenaamde onderhoudseis. Dienaangaande heeft de rechtbank - min of meer
in lijn met het standpunt van gedaagde - overwogen dat het doen van een
storting op een bankrekening die (mede) op eigen naam van de verzekerde
staat en het doen van een storting op een bankrekening van iemand die
niet als verzorger van de kinderen kan worden aangemerkt, waarvoor
minstens het samenwonen met de kinderen is vereist, niet een voor
gedaagde eenvoudig controleerbare manier van bijdragen in het onderhoud
vormen. De stortingen in 1991 op eigen rekening van appellante en door
haar tijdens haar verblijf bij de kinderen gedane betalingen kunnen,
aldus de rechtbank, ook niet dienen als een aanvullend bewijs van het
bijdragen in het onderhoud van de kinderen, nu niet is komen vast te
staan dat in de kwartalen voorafgaand aan die verblijfsperiode wel op
eenvoudig controleerbare wijze is voldaan aan de onderhoudseis.
Wat betreft het recht van appellante op kinderbijslag over het jaar 1991
kan de Raad zich, gelet ook op haar constante jurisprudentie ter zake,
in grote lijnen verenigen met de hiervoor - samengevat weergegeven -
overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak. Wat betreft
het leveren van een voor gedaagde op eenvoudige wijze te controleren
bijdrage in het onderhoud van de kinderen heeft appellante in hoger
beroep geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten aangevoerd. Anders dan
namens appellante ter zitting is betoogd, brengt ook het enkele feit dat
zij, na vorming van een nieuw huishouden in Nederland met [de man], in
1991 gedurende ongeveer een half jaar in de Filippijnen heeft verbleven
bij haar kinderen, die aldaar sedert haar vertrek naar Nederland een
zelfstandig huishouden voerden, niet mede dat zij - al dan niet met
tijdelijke verbreking van haar huishouden in Nederland - gedurende die
tijd met haar kinderen weer één huishouden is gaan vormen.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep in zoverre niet slaagt.
Ten aanzien van het verzoek van appellante gedaagde te veroordelen tot
betaling van schadevergoeding in de vorm van de wettelijke rente, te
rekenen vanaf 22 juni 1995, over de ingevolge besluit 2 nabetaalde
kinderbijslag over het eerste kwartaal van 1992 tot en met het tweede
kwartaal van 1995 en tot betaling van de proceskosten (met inbegrip van
de kosten van het DNA-onderzoek) is de rechtbank van oordeel dat dit
verzoek niet voor toewijzing in aanmerking komt.
Ter zake heeft de rechtbank het volgende overwogen:
"Dat verweerder besluit I heeft ingetrokken brengt op zich nog niet
de onrechtmatigheid van dat besluit mee. Wel staat de onrechtmatigheid
van het besluit I en van het daaraan ten grondslag liggende besluit van
22 juni 1995, voorzover bij die besluiten kinderbijslag is geweigerd
over het eerste kwartaal van 1992 tot en met het tweede kwartaal van
1995, thans (behoudens hoger beroep) tussen partijen in rechte vast door
de vernietiging van besluit I. Er is echter in casu naar het oordeel van
de rechtbank sprake van een bijzondere omstandigheid, die meebrengt dat
desondanks toch geen veroordelingen van de Sociale Verzekeringsbank als
gevraagd dienen plaats te vinden. Die omstandigheid is daarin gelegen,
dat aan eiseres van het gebrek in besluit I een verwijt kan worden
gemaakt. Immers, naar de rechtbank in het voorgaande heeft overwogen was
het aan eiseres om het bestaan van een familierechtelijke
rechtsbetrekking tussen haarzelf en de kinderen aannemelijk te maken en
kan niet worden gezegd dat verweerder daarnaar onvoldoende onderzoek
heeft verricht. De rechtbank verwijst in dit verband naar CRvB 9 januari
1996, AB 1996/401, en naar Rechtbank 's-Hertogenbosch 9 december 1997, NA 1998, nr. 74. Zij laat nadrukkelijk
in het midden of de op eiseres rustende verplichting om informatie te
verschaffen zó ver gaat dat gezegd zou kunnen worden dat zij gehouden
was aan een DNA-onderzoek mee te werken. Nu zij echter zelf het
initiatief tot zo'n onderzoek heeft genomen is er naar het oordeel van
de rechtbank geen rechtvaardiging voor het feit dat tot het op deze
wijze aannemelijk maken van de relatie tussen eiseres en de kinderen pas
vlak voor het instellen van het beroep op de rechtbank stappen zijn
ondernomen. Het overleg dat zijdens de gemachtigde van eiseres met
verweerder over dit onderwerp is geëntameerd had in ieder geval naar
aanleiding van het besluit van 22 juni 1995, tijdens de behandeling van
het bezwaarschrift, kunnen plaatshebben. Het komt de rechtbank verder
ongerijmd voor dat kosten die verbonden zijn aan het verschaffen van
inlichtingen níét voor vergoeding in aanmerking zouden komen indien de
betrokkene die kosten in een vroeg stadium maakt en wél indien die
kosten pas gemaakt worden nadat een bezwaarschriftprocedure of zelfs een
gerechtelijke procedure noodzakelijk is geworden.
Voor dit geding ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat, ook als
eiseres wel recht zou kunnen doen gelden op vergoeding van de door haar
gemaakte proceskosten, voor vergoeding van de kosten van het
DNA-onderzoek ad in totaal fl. 5.100,- in dat kader geen plaats zou
zijn, omdat die kosten niet gemaakt zijn in verband met de behandeling
van het beroep bij de rechtbank. In dit verband wijst zij erop dat de
gemachtigde van eiseres uitsluitend met verweerder heeft overlegd over
het wel of niet doen van dergelijk onderzoek, dat dit overleg al is
gestart voordat van beroep op de rechtbank sprake was en dat de
uitkomsten van het onderzoek niet in het geding zijn gebracht maar
uitsluitend aan verweerder zijn overgelegd; dit alles, gevoegd bij de
duidelijke bewoordingen waarin gemachtigde van eiseres de rechtbank op
de hoogte heeft gesteld van het onderzoek en van de uitkomsten die
partijen daaraan zouden verbinden en hebben verbonden, wijst erop dat
hier geen sprake is van een in verband met het beroep bij de rechtbank
uitgebracht rapport van een deskundige, maar eerder van poging van
partijen om te komen tot een buitengerechtelijk vergelijk.".
Wat betreft evenbedoeld verzoek onderschrijft de Raad in grote lijnen
hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen, voorzover dit betreft de
gevraagde schadevergoeding en de vergoeding - in het kader van artikel
8:75 van de Awb - van de kosten van het DNA-onderzoek.
Wat betreft de kosten van het DNA-onderzoek wijst de Raad er overigens
op, dat hem, afgaande op de stukken en in het bijzonder op een door de
gemachtigde van appellante bij brief van 18 juni 2001 overgelegde
overschrijvingskaart van de Postbank van de girorekening van [de man]
en/of appellante naar de girorekening van het Centraal Laboratorium voor
de Bloedtransfusiedienst te [B.] met daarop de datumaantekening "8-2-96", gebleken is dat deze kosten f 5.100,- hebben
bedragen.
Wat betreft deze kosten overweegt de Raad voorts dat partijen van mening
verschillen of deze post, zoals appellante meent, deel uitmaakt van de
krachtens artikel 8:75, eerste lid, van de Awb voor vergoeding in
aanmerking te nemen proceskosten, dan wel buiten deze vergoeding valt,
zoals gedaagde van opvatting is in het spoor van de hiervoor uit de
aangevallen uitspraak aangehaalde overwegingen ten overvloede ter zake
van het karakter van deze post in dit geschil.
De Raad is met betrekking tot de kosten van het DNA-onderzoek van
oordeel dat, ook indien in dit geval zou moeten worden uitgegaan van
kosten in verband met de behandeling van het beroep van appellante tegen
besluit 1, deze kosten niet voor vergoeding krachtens artikel 8:75,
eerste lid, van de Awb in aanmerking komen omdat in het algemeen het
leveren van bewijs door middel van onderbouwing met deugdelijke stukken
ten aanzien van de vraag of ter zake van de vaststelling van het recht
op kinderbijslag ingevolge de AKW al dan niet sprake is van eigen
kinderen, in de risicosfeer van de betrokkene is gelegen. De Raad is
niet gebleken van redenen om in dit geval van een andere
bewijslastverdeling uit te gaan. In elk geval acht de Raad daarvoor niet
een reden gelegen in het feit dat appellante ook in de bezwaarprocedure
niet slaagde in het - op haar weg gelegen - leveren van bewijs op de in
zaken als deze gebruikelijke wijze.
Met betrekking tot de gevorderde wettelijke rente overweegt de Raad -
onder verwijzing naar zijn uitspraak van 24 april 1996 (AB 1996, 428) -
dat bij de toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) behoudens bijzondere omstandigheden wordt uitgegaan van een
gehoudenheid tot schadevergoeding van het bestuursorgaan dat het
onrechtmatig gebleken besluit heeft genomen. Met de rechtbank, die
blijkens de aangevallen uitspraak ook is uitgegaan van evengenoemd
uitgangspunt, is de Raad van oordeel dat er zich in dit geval ten
aanzien van het nadien gebleken gebrek in besluit 1 en het daaraan ten
grondslag liggende primaire besluit van 22 juni 1995 een bijzondere
omstandigheid voordoet. Weliswaar is het naar het oordeel van de Raad op
zichzelf niet onbegrijpelijk dat appellante aanvankelijk, mede ook gelet
op het ter zake van haar aanvraag om kinderbijslag met gedaagde gevoerde
overleg omtrent de door haar in te dienen bewijsstukken, heeft volstaan
met de in zaken als deze gebruikelijke wijze van pogen aan te tonen dat
de betreffende kinderen ook haar natuurlijke kinderen waren, te weten
het overleggen van in dit geval door de Nederlandse ambassade te Manilla
gelegaliseerde geboorteakten van de kinderen en dat appellante voorts,
nadat gedaagde deze akten vanwege enige door hem vastgestelde
onduidelijkheden in de naamgeving van appellante en in daarin vermelde
data niet had geaccepteerd, in de bezwaarprocedure heeft gepoogd een en
ander toe te lichten en op te helderen, alvorens tijdens de
beroepstermijn tegen besluit 1, toen haar gebleken was dat gedaagde deze
poging bij besluit 1 niet als geslaagd aanmerkte, het vergaande en
kostbare bewijsmiddel van DNA-onderzoek te beproeven; een en ander kan
evenwel naar oordeel van de Raad, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen
omtrent de bewijslastverdeling in zaken als deze, niet wegnemen dat de
eventuele nadelige gevolgen van door appellante in verschillende fasen
van het gehele bestuurlijke en rechterlijke traject gemaakte keuzen met
betrekking tot de op haar weg gelegen bewijslevering voor haar rekening
en risico dienen te blijven.
Voor zover de gevraagde proceskostenveroordeling in eerste aanleg ziet
op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
welke kosten worden begroot op een bedrag van ƒ 2.130,-, ziet de Raad
evenwel geen grond voor het achterwege laten van toekenning daarvan in
verband met de vernietiging bij de aangevallen uitspraak van besluit 1.
De aangevallen uitspraak komt, gelet op al het vorenstaande, derhalve
alleen voor vernietiging in aanmerking, voorzover daarbij aan appellante
geen vergoeding van de kosten van evenbedoelde rechtsbijstand is
toegekend en dient voor het overige te worden bevestigd.
De Raad acht voorts termen aanwezig om gedaagde eveneens te veroordelen
in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden
begroot op ƒ 1.420,- voor verleende rechtsbijstand en ƒ 21,- aan
reiskosten.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op artikel 25, eerste
lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door
appellante in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te
worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het verzoek van
appellante tot vergoeding van de proceskosten in verband met de
vernietiging van besluit 1, voorzover betreffende de kosten van door een
derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, is afgewezen;
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep
aangevochten,
voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de even omschreven proceskosten van appellante,
in eerste aanleg tot een bedrag van ƒ 2.130,- en te betalen aan de
griffier van de Raad, en in hoger beroep tot een bedrag van ƒ 1.420,-;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van ƒ 160,-
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 september
2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) M.F.
van Moorst.
|
|