|
Uitspraak
99/1630
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 16 januari 1997 heeft gedaagde vastgesteld dat appellant
met ingang van het vierde kwartaal van 1996 geen recht op kinderbijslag
ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) heeft voor zijn zoon [A.].
Bij brief van 10 februari 1997 heeft appellant tegen dit besluit bezwaar
gemaakt.
Bij besluit van 6 februari 1998 heeft gedaagde dit bezwaar kennelijk
ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 11
februari 1999, verzonden 16 februari 1999, het beroep van appellant
tegen het besluit van 6 februari 1998 (hierna: het bestreden besluit)
ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. M.H. Samama, advocaat te 's-Gravenhage, bij
brief van 29 maart 1999 tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Bij
brief van 27 augustus 1999 heeft deze gemachtigde - onder overlegging
van een aantal bijlagen - de gronden van het hoger beroep ingediend.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 31 mei 2000 heeft gedaagde gereageerd op een vraagstelling
van de Raad.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12
september 2001, waar alleen de gemachtigde van appellant is verschenen.
II. MOTIVERING
[A.], geboren [in] 1978, volgde op 1 oktober 1995 onderwijs aan een
school, genaamd Tarik B. Ziad te Midar in Marokko en vanaf 1 oktober
1996 aan het instituut Ibn Alkhatis aldaar.
Bij het primaire besluit van 16 januari 1997, gehandhaafd bij het
bestreden besluit, heeft gedaagde ingaande het vierde kwartaal van 1996
aan appellant voor [A.] kinderbijslag geweigerd. De wettelijke grondslag
voor deze weigering vindt zijn oorsprong in de wijziging van de AKW per
1 oktober 1986, waarbij het recht op kinderbijslag voor studerende
kinderen vanaf 18 jaar in verband met de inwerkingtreding van de Wet op
de studiefinanciering is afgeschaft, echter met een overgangsregeling
krachtens welke het recht op kinderbijslag voor dergelijke kinderen,
mits geboren voor 1 oktober 1986, gehandhaafd bleef. Bij de Wet van 21
december 1995, Stb 691, is deze overgangsregeling met het oog op een
versnelde afbouw in die zin gewijzigd, dat - krachtens artikel XII van
die wet - het recht op kinderbijslag vervalt op het moment dat het kind
ophoudt te studeren aan de opleiding die het op de eerste dag van het
vierde kwartaal van 1995 volgde. Gedaagde heeft in dit kader in het
bestreden besluit het standpunt ingenomen dat [A.] op 1 oktober 1996 19
jaar is en dat hij niet meer onder het overgangsrecht van de Wet van 21
december 1995 valt omdat hij per 1 oktober 1996 duidelijk een andere
opleiding volgt dan op 1 oktober 1995. Om deze reden kan appellant,
aldus gedaagde, voor [A.] geen aanspraak meer maken op kinderbijslag.
Uit het bestreden besluit blijkt voorts dat gedaagde naar aanleiding van
het bezwaar in dit geval met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder
b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het horen heeft afgezien
omdat naar zijn mening het bezwaar geen enkele kans van slagen heeft.
Gedaagde heeft er in dit verband op gewezen dat appellant niet heeft
gereageerd op hem op 17 april en 18 augustus 1997 gevraagde nadere
gegevens van de school van [A.]
Uit de stukken is de Raad gebleken dat gedaagde bij brief van 17 april
1997 appellant heeft medegedeeld dat gedaagde een nader onderzoek zal
instellen. Dit nader onderzoek, zo valt uit de stukken af te leiden,
hield in dat gedaagde in april 1997 aan appellant een nieuw model van de
schoolverklaring heeft gezonden. Toen appellant het formulier niet
binnen de door gedaagde aangegeven termijn had teruggezonden, heeft
gedaagde bij brief van 18 augustus 1997 appellant andermaal verzocht het
desbetreffende formulier - en wel deze keer binnen vier weken na
dagtekening van deze laatste brief - in te zenden, hetgeen volgens
gedaagde niet is geschied. Deze gang van zaken is voor gedaagde
aanleiding geweest een hoorzitting met toepassing van artikel 7:3,
aanhef en onder b, van de Awb achterwege te laten, omdat, zo geeft
gedaagde in het verweerschrift in eerste aanleg aan, hij het houden
daarvan niet zinvol meer acht omdat appellant bekend is met de
weigeringsgrond van de kinderbijslag en weet welke nadere gegevens
moeten worden overgelegd.
Naar aanleiding van de in beroep aangevoerde bezwaren tegen de
besluitvorming op het bezwaar van appellant zonder het houden van een
hoorzitting heeft de rechtbank, vaststellende dat gelet op de
beschikbare informatie omtrent het door [A.] op de betreffende peildata
gevolgde onderwijs, nog nadere informatie nodig was om te kunnen
vaststellen of appellant nog recht had op kinderbijslag voor [A.], de
handelwijze van gedaagde onderschreven omdat appellant ondanks herhaalde
verzoeken van gedaagde in het geheel niets van zich heeft laten horen en
derhalve zijn bezwaar niet heeft onderbouwd. In verband met een en ander
heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daarbij is de
rechtbank voorbij gegaan aan de verklaring van de gemachtigde van
appellant ter zitting van de rechtbank op 6 januari 1999, waar gedaagde
niet was vertegenwoordigd, dat hij het desbetreffende formulier wel
heeft teruggezonden en dat dit op 26 juni 1997 is ingekomen bij
gedaagde. Voorts heeft de rechtbank uit een oogpunt van goede procesorde
overlegging van dat formulier op die zitting geweigerd.
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant zijn bezwaren tegen
het achterwege laten van een hoorzitting in dit geval in essentie
herhaald.
De Raad overweegt dat, zoals eerder in zijn jurisprudentie omtrent de
toelaatbaarheid van de toepassing van artikel 7:3 van de Awb tot
uitdrukking is gebracht, tot het achterwege laten van een hoorzitting op
grond van dit artikel in het algemeen met grote voorzichtigheid dient te
worden besloten. De Raad wijst er op dat, mede gelet op het karakter van
de bezwaarprocedure waarbij onder andere een volledige heroverweging van
het aangevochten besluit op de grondslag van het ingebrachte bezwaar aan
de orde is, met het gebruik van het woord "kennelijk" in onder
andere het onderdeel b van artikel 7:3 tot uitdrukking is gebracht dat
slechts van het horen kan worden afgezien als, wat betreft de in geding
zijnde toepassing, in redelijkheid geen twijfel mogelijk is omtrent het
oordeel dat het bezwaar ongegrond is. Daarvan is, anders dan de
rechtbank met gedaagde aannam, naar het oordeel van de Raad in dit geval
geen sprake. Zoals gedaagde in zijn brief van 31 mei 2000 heeft
opgemerkt, geeft de schoolverklaring voor het schooljaar 1995/1996 geen
uitsluitsel over het soort onderwijs dat [A.] in dat schooljaar volgde.
Deze schoolverklaring lag gedaagde bij het nemen van het bestreden
besluit ter beoordeling voor. Bij gebreke van volledige informatie
omtrent het in dat schooljaar gevolgde onderwijs had gedaagde niet
zonder meer kunnen concluderen dat op de betreffende peildata niet
dezelfde opleiding werd gevolgd. Naast het opvragen van deze informatie,
zoals gedaagde in de bezwaarprocedure heeft gedaan, biedt het houden van
de hoorzitting bij uitstek de gelegenheid die informatie te vergaren dan
wel te doen vaststellen welke informatie nu precies vereist is of welke
redenen appellant er toe hebben gebracht deze informatie, ondanks een
hem toegezonden formulier, niet te verschaffen. Het houden van een
hoorzitting had dan ook in dit geval niet achterwege mogen blijven.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat het bestreden
besluit is genomen in strijd met artikel 7:3, onder b, van de Awb en om
die reden dient te worden vernietigd. Dit brengt mee dat de aangevallen
uitspraak, waarin de rechtbank zich achter de handelwijze van gedaagde
met betrekking tot dit artikelonderdeel heeft gesteld, eveneens dient te
worden vernietigd en dat het inleidend beroep alsnog gegrond dient te
worden verklaard.
Met betrekking tot de proceskosten van appellant overweegt de Raad dat
hij termen aanwezig acht gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb
daarin te veroordelen in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden
begroot op f 1.420,= in beroep en f 1.420,= in hoger beroep voor
verleende rechtsbijstand in beide instanties, derhalve in totaal op f
2840,=. Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet
gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op de artikelen 24 en 25,
eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het
door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte
griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit alsnog
gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg
tot een bedrag van f 1.420,= en in hoger beroep tot een bedrag van
eveneens f 1.420,=, te betalen wat betreft het bedrag aan proceskosten
in hoger beroep aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 225,=
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. J.Th.
Wolleswinkel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr.
M.B.M. Vermeulen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24
oktober 2001.
(get.) T.L.
de Vries.
(get.) M.B.M.
Vermeulen.
|
|