|
Uitspraak
99/5741
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 27 oktober 1997 heeft gedaagde de aanvraag van appellant
om kinderbijslag voor de kinderen [A.], [B.], [C.] en [D.] afgewezen.
Bij besluit van 14 december 1998 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 27 oktober 1997 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Almelo heeft bij uitspraak van 15 oktober
1999 het beroep tegen het besluit van 14 december 1998 niet-ontvankelijk
verklaard.
Namens appellant heeft mr. F.J. ten Seldam, advocaat te Haarlem, op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen de uitspraak van 14 december 1998.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19
september 2001. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door
mr. Ten Seldam, voornoemd. Gedaagde is, na voorafgaande mededeling, niet
verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.
Ten tijde van de aanvraag om kinderbijslag woonde appellant in [woonplaats
2] en het besluit van 27 oktober 1997 is door gedaagde naar het toen
bekende adres van appellant in [woonplaats 2] gezonden. Namens appellant
is door S.A. Minks, advocaat te Voorhout, op 8 december 1997 bezwaar
gemaakt tegen dat besluit. In de aanbiedingsbrief van het bezwaar is
appellants adres in [woonplaats 2] vermeld, terwijl in het
bezwaarschrift een adres van appellant in [woonplaats] staat vermeld. De
verdere correspondentie tussen gedaagde en appellant is daarna via zijn
gemachtigde verlopen. Ook het thans bestreden besluit van 14 december
1998 heeft gedaagde aan die gemachtigde gezonden. In dat besluit is
vermeld dat daartegen beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank te
Haarlem, wat namens appellant is gedaan door genoemde gemachtigde bij
beroepschrift van 22 januari 1999. Bij brief van 15 maart 1999 heeft de
griffier van de rechtbank te Haarlem het beroepschrift doorgezonden naar
de rechtbank te Almelo, die het beroep bij de aangevallen uitspraak
niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe heeft de rechtbank te Almelo
overwogen dat gedaagde, door de rechtbank te Haarlem als de bevoegde
rechtbank aan te wijzen, op basis van de gegevens waarover hij beschikte
ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een juiste toepassing
heeft gegeven aan artikel 6:23 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Gedaagde kon immers niet weten dat een andere rechtbank bevoegd was, nu
appellant had verzuimd om tijdig de juiste informatie aan gedaagde te
verschaffen. Daarnaast had het appellant, gelet op het bepaalde in
artikel 8:7, tweede lid van de Awb, ook zonder meer duidelijk moeten
zijn dat het beroepschrift niet bij de rechtbank te Haarlem, maar bij de
rechtbank te Almelo had moeten worden ingediend, waarbij de rechtbank
van belang heeft geacht dat appellant zich heeft laten bijstaan door een
professionele rechtshulpverlener. Nu geen van de in artikel 6:15, derde
lid, van de Awb vermelde situaties van toepassing is, is niet het
tijdstip van indiening van het beroepschrift bij de rechtbank te Haarlem
bepalend voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend, maar
het tijdstip waarop het bij de rechtbank te Almelo is ingediend. Ook
indien de rechtbank te Haarlem het beroepschrift zo spoedig mogelijk
(dit is: uiterlijk binnen twee weken) zou hebben doorgezonden, zou het
niet tijdig zijn ingediend.
In hoger beroep heeft appellant erop gewezen dat hij in het
bezwaarschrift zijn nieuwe adres heeft doorgegeven. Gedaagde stelt zich
op het standpunt dat die opmerking in het bezwaarschrift niet hoefde te
worden opgemerkt als een verhuisbericht.
De Raad overweegt als volgt.
In artikel 6:15, derde lid, aanhef en sub a, van de Awb is bepaald dat
het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend is voor de
vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend indien geen
juiste toepassing aan artikel 3:45 of artikel 6:23 is gegeven.
In artikel 6:23, tweede lid, van de Awb is bepaald dat bij het bekend
maken van de beslissing op bezwaar wordt vermeld door wie, binnen welke
termijn en bij welk orgaan beroep kan worden ingesteld. De voor gedaagde
uit deze bepaling voortvloeiende verplichting behelst derhalve mede een
juiste voorlichting te geven over de vraag bij welke rechtbank beroep
kan worden ingesteld, wat betekent dat gedaagde zich in dat aspect bij
het afgeven van een beslissing op bezwaar op een zorgvuldige wijze dient
te verdiepen. De vermelding van een ander adres in het bezwaarschrift
had dan ook niet onopgemerkt mogen blijven. Het feit dat in de
aanbiedingsbrief van het bezwaarschrift nog het tot dan toe bij gedaagde
bekende adres staat vermeld, kan daaraan niet afdoen, te minder daar ook
in een nadien aan gedaagde gezonden afschrift van een brief van de
gemachtigde van appellant aan de Ambassade van het Koninkrijk der
Nederlanden in Bangladesh van 4 mei 1998 staat vermeld dat appellant in
Almelo woont.
Het voorgaande betekent dat gedaagde geen juiste toepassing heeft
gegeven aan het bepaalde in artikel 6:23, tweede lid, van de Awb,
terwijl er evenmin sprake is van een situatie waarin dit gedaagde niet
is aan te rekenen.
Dat betekent dat aan appellant een beroep toekomt op het bepaalde in
artikel 6:15, derde lid, aanhef en sub a, van de Awb. Dat hij werd
bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener is daarbij niet van
belang.
De rechtbank te Almelo heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat het
moment van indiening van het beroepschrift bij de rechtbank te Haarlem
niet bepalend is voor de vraag of het tijdig is ingediend. Nu het
beroepschrift voor het verstrijken van de beroepstermijn is ingediend
bij de rechtbank te Haarlem, is het tijdig ingediend. De aangevallen
uitspraak dient dan ook te worden vernietigd en de Raad dient de zaak,
gelet op het bepaalde in artikel 26, eerste lid en onder a, van de
Beroepswet, terug te wijzen naar de rechtbank te Almelo.
De Raad ziet tevens aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de
Awb voorwaardelijk, voor het geval het bestreden besluit niet in rechte
kan stand houden, te veroordelen in de proceskosten van appellant in
hoger beroep. De proceskosten in hoger beroep worden begroot op f
1.420,-- voor verleende rechtsbijstand. Tevens ziet de Raad aanleiding
te bepalen dat gedaagde het door appellant gestorte griffierecht aan hem
vergoedt.
Beslist wordt dan ook als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak terug naar de Arrondissementsrechtbank te Almelo;
Veroordeelt gedaagde voorwaardelijk in de proceskosten van appellant tot
een bedrag groot f 1.420,--;
Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte griffierecht ad f
170,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. F.P. Zwart als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2001.
(get.) F.P.
Zwart.
(get.) M.F.
van Moorst.
|
|