|
Uitspraak
99/5702
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 25 november 1997 heeft appellant geweigerd terug te
komen van zijn besluit van 24 juli 1997, waarbij over het eerste en
tweede kwartaal van 1997 aan gedaagde aanspraak op kinderbijslag
ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) is ontzegd ten behoeve van
vier kinderen.
Bij beslissing op bezwaar van 12 mei 1998, het thans bestreden besluit,
heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 25 november 1997
ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 12
oktober 1999 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen binnen zes
weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met veroordeling van
appellant in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend
beroepschrift aangevoerde gronden.
Namens gedaagde heeft mr. A. Khan, advocaat te Hoofddorp, een
verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19
september 2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door
mr. J.W.P.M. van Rooij, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank en waar
namens gedaagde is verschenen mr. Khan, voornoemd.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 24 juli 1997 heeft appellant aan gedaagde kinderbijslag
geweigerd over het eerste en tweede kwartaal van 1997 voor vier toen nog
in Irak verblijvende kinderen op de grond dat gedaagde, die sedert 13
augustus 1996 als vluchteling hier te lande verblijft, gedurende die
kwartalen duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote en kinderen,
zodat geen sprake was van een gezamenlijk huishouden, en dat gedaagde
niet op eenvoudig controleerbare wijze heeft aangetoond zijn kinderen
toen in belangrijke mate te hebben onderhouden. Gedaagde heeft geen
rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit.
Bij brief van 8 oktober 1997 is namens gedaagde een verklaring van zijn
echtgenote aan appellant gezonden, waarin wordt medegedeeld dat in april
1997 via een derde bedragen in buitenlandse valuta afkomstig van
gedaagde zijn ontvangen, met het verzoek de weigering van kinderbijslag
nog eens te bekijken.
Bij het besluit van 25 november 1997 heeft appellant medegedeeld dat
geen nieuwe feiten zijn aangetroffen welke aanleiding zouden kunnen
geven tot herziening van het besluit van 24 juli 1997. In het bestreden
besluit heeft appellant overwogen dat gedaagde gedurende het eerste en
tweede kwartaal van 1997 geen huishouden vormde met zijn gezin in Irak
en dat door middel van de overgelegde verklaring niet wordt aangetoond
of aannemelijk gemaakt dat hij zijn kinderen in voldoende mate heeft
onderhouden. Namens gedaagde is in beroep aangevoerd dat hij aan de
(morele) plicht zijn gezin te onderhouden heeft voldaan, maar dat hij
dit niet kan aantonen omdat het onmogelijk is per bank geld over te
maken naar Irak.
De rechtbank heeft het beroep van gedaagde gegrond verklaard,
overwegende dat de periode vanaf de binnenkomst van gedaagde in
Nederland tot zijn erkenning als vluchteling en de indiening van de
aanvraag om gezinshereniging, niet dermate lang heeft geduurd dat op
grond daarvan niet langer gezegd zou kunnen worden dat een breuk in het
huishouden niet geacht moet worden te zijn ontstaan. Appellant heeft dit
oordeel in hoger beroep betwist.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad stelt vast dat het besluit van appellant van 25 november 1997
een reactie is op gedaagdes verzoek van 8 oktober 1997 om terug te komen
van het besluit van 24 juli 1997. Dit verzoek had uitsluitend betrekking
op de in laatst genoemd besluit genoemde (subsidiaire) weigeringsgrond
dat gedaagde niet heeft aangetoond in voldoende mate te hebben
bijgedragen in het levensonderhoud van de kinderen. Het bestreden
besluit kan derhalve uitsluitend betrekking hebben op dit aspect van de
weigering van kinderbijslag. In het bestreden besluit heeft appellant
weliswaar overwogen dat gedaagde op de peildata van de in geschil zijnde
kwartalen geen huishouden vormde met zijn gezin in Irak, doch deze
overweging betreft naar ´s Raads oordeel slechts een herhaling van een
juridisch element in het primaire besluit van 24 juli 1997, waarop het
herzieningsverzoek geen betrekking had. Voorts stelt de Raad vast dat
namens gedaagde in beroep slechts grieven zijn aangedragen tegen het
bestreden besluit met betrekking tot de door gedaagde geleverde
onderhoudsbijdrage voor zijn kinderen.
Nu het bestreden besluit slechts betrekking heeft op de door gedaagde
aangetoonde bijdragen in het levensonderhoud van zijn kinderen en zijn
grieven in beroep ook uitsluitend op dit aspect betrekking hebben, is de
Raad van oordeel dat de rechtbank buiten de grenzen van de aan haar
voorgelegde rechtsstrijd tussen partijen is getreden door te beoordelen
of gedaagde gedurende voornoemde kwartalen nog één huishouden vormde
met zijn gezin in Irak. De aangevallen uitspraak kan derhalve op deze
grond niet in stand kan blijven. De Raad ziet voorts geen aanleiding
deze zaak terug te wijzen naar de rechtbank en zal op grond van artikel
24 van de Beroepswet doen wat de rechtbank had behoren te doen.
Appellant heeft de aanspraken van gedaagde op kinderbijslag over de in
geschil zijnde kwartalen opnieuw inhoudelijk beoordeeld op grond van de
door gedaagde overgelegde verklaring van zijn echtgenote. De Raad dient
onder deze omstandigheden te beoordelen of met betrekking tot het in
rechte onaantastbaar geworden besluit van 24 juli 1997 is gebleken van
feiten of omstandigheden die de evidente onjuistheid van dat besluit
aantonen. Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend. Blijkens vaste
rechtspraak van de Raad voldoet alleen een verklaring van de echtgenote
dat bepaalde bedragen via een tussenpersoon zijn ontvangen, ook in
gevallen waarin - zoals in dit geval - normaal betalingsverkeer per bank
niet mogelijk is, niet aan de eis dat de gestelde onderhoudsbijdragen op
eenvoudig controleerbare wijze aangetoond moeten worden.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt, zij het
op andere gronden dan door appellant aangevoerd, zodat de aangevallen
uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en het inleidend beroep
alsnog ongegrond verklaard dient te worden.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak en verklaart het inleidend beroep
alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. F.P. Zwart als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2001.
(get.) F.P.
Zwart.
(get.) M.F.
van Moorst.
|
|