|
Uitspraak
00/996
AKW (Rectificatie)
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 25 februari 1998 heeft gedaagde aan appellante
medegedeeld dat zij ingaande het derde kwartaal van 1997 geen recht meer
heeft op kinderbijslag voor [C.], geboren [in] 1983. Tevens heeft
gedaagde de over het derde kwartaal van 1997 betaalde kinderbijslag voor
[C.] ad f 521,-- van appellante teruggevorderd.
Bij besluit van 2 februari 1999 is het bezwaar tegen het besluit van 25
februari 1998 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 10
februari 2000 het beroep tegen het besluit van 2 februari 1999 ongegrond
verklaard.
Namens appellante heeft mr. M.J. Blom, advocaat te Spijkenisse, op bij
beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de
uitspraak van 10 februari 2000.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 oktober
2001. Appellante is daar niet verschenen, namens gedaagde is verschenen
drs. J.W.P.M. van Rooij, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.
Appellante is gehuwd geweest met de vader van [C.], welk huwelijk door
echtscheiding is ontbonden. Appellante was laatstelijk met het ouderlijk
gezag over [C.] belast. De vader van [C.] heeft in september 1997 een
aanvraag om kinderbijslag ingediend en daarin vermeld dat [C.] sedert 14
juni 1997 bij hem verblijft. Uit een door gedaagde ingesteld onderzoek
is daarna gebleken dat appellante en de vader van [C.] zijn
overeengekomen dat [C.] vanaf 14 juni 1997 bij wijze van proef gedurende
tweeënhalve maand bij zijn vader zou gaan wonen, waarna [C.] heeft
aangegeven bij zijn vader te willen blijven wonen.
Aan het besluit van 5 februari 1998 heeft gedaagde ten grondslag gelegd
dat [C.] met ingang van het derde kwartaal van 1997 niet meer tot het
huishouden van appellante behoort. Dit standpunt is gehandhaafd bij het
thans bestreden besluit van 2 februari 1999, waarbij gedaagde erop heeft
gewezen dat de feitelijke situatie op de peildatum van het derde
kwartaal van 1997 bepalend is om vast te stellen of het kind tot het
huishouden van appellante behoorde.
De rechtbank heeft dit standpunt onderschreven, overwegende dat [C.]
ingaande het derde kwartaal van 1997 feitelijk niet meer tot het
huishouden van appellante behoorde.
Appellante heeft aangevoerd dat zij op 1 juli 1997 nog het ouderlijk
gezag over [C.] had en dat hij op grond van een proefregeling bij zijn
vader is gaan wonen. Pas later zou worden bezien of hij daadwerkelijk
bij zijn vader zou blijven wonen en ook pas later is hierover
duidelijkheid ontstaan.
De Raad overweegt als volgt.
Primair is in geschil of [C.] op de peildatum van het derde kwartaal van
1997 nog tot het huishouden van appellante behoorde. In beginsel is voor
het antwoord op die vraag bepalend de feitelijke situatie. Dit kan
echter anders zijn indien sprake is van een situatie die een tijdelijk
karakter heeft, zoals gedaagde ook in zijn beleidsregels heeft
weergegeven.
Uit de beschikbare gegevens, waaronder de correspondentie tussen de
raadslieden van appellante en de vader van [C.], kan de Raad niet anders
afleiden dan dat [C.] op 14 juni 1997 bij zijn vader is gaan wonen in
het kader van een proefregeling, die tweeënhalve maand zou duren, in
welke periode hij ook nog met appellante op vakantie zou gaan. Eerst
daarna zou worden bezien of [C.] definitief bij zijn vader zou blijven.
Dit betekent dat op 1 juli 1997 de bestendigheid aan het verblijf van
[C.] bij zijn vader nog volledig ontbrak, zodat niet gezegd kan worden
dat hij op die datum niet meer behoorde tot het huishouden van
appellante.
Het voorgaande betekent dat gedaagde ten onrechte kinderbijslag voor
[C.] heeft geweigerd over het derde kwartaal van 1997. Aan de
terugvordering van de betaalde kinderbijslag over dat kwartaal komt
daardoor de grondslag te ontvallen.
De rechtbank heeft het beroep ten onrechte ongegrond verklaard. De
aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd, terwijl het
bestreden besluit, onder gegrondverklaring van het inleidende beroep,
eveneens zal worden vernietigd. De Raad heeft tevens aanleiding gezien,
onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb), zelf in de zaak te voorzien en te
bepalen dat het bezwaar van appellante gegrond wordt verklaard en het
besluit van 25 februari 1998 wordt vernietigd.
De Raad zal gedaagde veroordelen tot betaling van de kosten die
appellante in verband met haar beroep bij de rechtbank en hoger beroep
bij de Raad redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot
op f 1420,-- in verband met verleende rechtsbijstand. Tevens dient
gedaagde het door appellante gestorte griffierecht van in totaal f
230,-- aan haar te vergoeden.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep alsnog gegrond en vernietigt het
bestreden besluit;
Bepaalt dat het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 februari
1998 gegrond wordt verklaard en dat dit besluit wordt vernietigd;
Veroordeelt gedaagde tot betaling van de proceskosten van appellante ten
bedrage van f. 1.420,-;
Bepaalt dat gedaagde het door appellante gestorte griffierecht van in
totaal f 230,-- aan haar vergoedt.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 november 2001.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|