|
Uitspraak
99/6521
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 1 oktober 1998 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld
dat zij geen aanspraak heeft op kinderbijslag ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) voor haar zoon [D.], met een langere
terugwerkende kracht dan één (lees: drie) jaar voor de datum van
aanvraag.
Bij beslissing op bezwaar van 11 januari 1999, het thans bestreden
besluit, heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 1 oktober 1998
ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Maastricht heeft bij uitspraak van 9
december 1999 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
Namens appellante is haar echtgenoot [C.] van die uitspraak in hoger
beroep gekomen op bij beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 28 maart 2001 heeft gedaagde enige vragen van de Raad
beantwoord. Voorts heeft [C.] bij brief van 28 september 2001 het
standpunt van appellante nog nader toegelicht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 oktober
2001, waar appellante in persoon is verschenen bijgestaan door [C.],
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr.
J.S. Bartstra en mr. M.F. Sturmans, beiden werkzaam bij de Sociale
Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante heeft op 15 april 1998 kinderbijslag aangevraagd bij gedaagde
voor haar zoon [D.], geboren [in] 1985, die dubbelgehandicapt is.
Daarbij heeft zij aangegeven dat tot omstreeks 1987 kinderbijslag is
ontvangen voor [D.], maar dat na de plaatsing van [D.] in een pleeggezin
in 1987 geen kinderbijslag meer voor hem is aangevraagd, omdat toen door
de bemiddelende instantie - de William Schrikkerstichting - was
medegedeeld dat geen recht meer bestond op kinderbijslag aangezien het
pleeggezin daartoe gerechtigd was. Nadat zij in 1998 van een andere
instantie had vernomen dat wel aanspraak zou bestaan op kinderbijslag
heeft appellante alsnog verzocht om met terugwerkende kracht
kinderbijslag aan haar toe te kennen.
Gedaagde heeft vervolgens bij besluit van 11 augustus 1998 met ingang
van het tweede kwartaal van 1995 kinderbijslag aan appellante toegekend
voor [D.]. Daarbij is gedaagde ervan uitgegaan dat op grond van een
overgangsbepaling bij de Wet van 21 december 1995 (Stb. 691) nog de
voordien geldende tekst van artikel 14 van de AKW van toepassing is,
zodat een terugwerkende kracht van drie jaar mogelijk is.
Bij brief van 20 september 1998 heeft appellante aangevoerd dat sprake
is van een bijzonder geval en heeft zij verzocht om alsnog vanaf 1988
kinderbijslag aan haar toe te kennen voor [D.]. Bij het in bezwaar
gehandhaafde besluit van 1 oktober 1998 heeft gedaagde afwijzend op dit
verzoek beslist. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat voor de toekenning
van kinderbijslag met een langere terugwerkende kracht voldaan moet zijn
aan twee voorwaarden. Ten eerste moet sprake zijn van een bijzonder
geval en ten tweede moet op grond van het door gedaagde terzake gevoerde
beleid sprake zijn van hardheid, waarvan sprake is indien de betrokkene
financiële schade heeft geleden die het direct gevolg is van de
gebeurtenis die aanspraak geeft op kinderbijslag. Deze schade wordt
ingevolge dit beleid geacht te zijn opgetreden indien het netto inkomen
van de betrokkene, mede door het niet tijdig aanvragen van de
kinderbijslag, onder de voor hem geldende minimumnorm is gedaald. Deze
norm is voor de AKW gelijk aan het netto-uitkeringsbedrag krachtens de
AOW, verhoogd met de kinderbijslag waarop eventueel recht zou hebben
bestaan. Ten aanzien van appellante heeft gedaagde overwogen dat wel
sprake is van een bijzonder geval maar dat niet gesproken kan worden van
hardheid als hiervoor bedoeld.
De rechtbank heeft het bestreden besluit, onder verwijzing naar
rechtspraak van de Raad met betrekking tot het hardheidsbeleid van
gedaagde, in stand gelaten. In hoger beroep is aangevoerd dat de AKW een
principieel andere regeling is dan de wetten waarop de genoemde
rechtspraak betrekking heeft, zijnde dit alle wetten die een
bodemvoorziening vormen, zodat anders dan bij die wetten bij de AKW de
hoogte van het inkomen van de betrokkene geen doorslaggevende rol mag
spelen.
De Raad overweegt het volgende.
In deze procedure is tussen partijen niet in geschil dat sprake is van
een bijzonder geval, zodat gedaagde op grond van artikel 14, derde lid
van de AKW in beginsel bevoegd is de kinderbijslag met een verdere
terugwerkende kracht dan de toegepaste termijn van drie jaar toe te
kennen. Gedaagde heeft van deze bevoegdheid echter geen gebruik gemaakt,
omdat niet is voldaan aan de in zijn beleid bij het gebruik maken van
deze bevoegdheid nader gestelde voorwaarde ten aanzien van hardheid als
hiervoor nader omschreven. De Raad dient derhalve te beoordelen of dit
besluit in rechte stand kan houden.
De Raad stelt voorop dat gedaagde de aanvraag van appellante van 20
september 1998 terecht heeft getoetst aan het beleid dat ten tijde van
die aanvraag werd gehanteerd, zijnde het sinds april 1998 geldende
beleid dat op dit punt sedertdien niet is gewijzigd. Met gedaagde is de
Raad namelijk van oordeel dat ten aanzien van een besluit op een
aanvraag om toekenning van een uitkering met terugwerkende kracht, het
beleid terzake zoals dat geldt op het tijdstip van aanvraag bepalend
dient te zijn.
Gedaagde heeft op grond van dat beleid vastgesteld dat geen sprake is
van financiële hardheid, omdat het gezinsinkomen van appellante nimmer
onder de hiervoor bedoelde minimumnorm is gedaald. Namens appellante is
deze norm betwist. Daarbij heeft zij erop gewezen dat de AKW, anders dan
de AWW en de AOW, niet als een bodemvoorziening gekenschetst kan worden.
De Raad kan dit standpunt niet onderschrijven. Een AKW-uitkering is
weliswaar inkomensonafhankelijk, maar de Raad leidt zowel uit het
systeem van de Algemene bijstandswet, waarin niet is voorzien in
toeslagen voor kinderen omdat ouders geacht worden daarvoor over
kinderbijslag te beschikken, als uit artikel 23 van de AKW, waarin is
bepaald dat kinderbijslag niet vatbaar is voor beslag, af dat de AKW wel
beoogt een gegarandeerde bodemvoorziening te verschaffen aan ouders met
kinderen. De Raad is derhalve van oordeel dat het in gedaagdes
hardheidsbeleid gekozen uitgangspunt van een beoordeling van de financiële
situatie van de betrokkene aan de hand van een bepaalde minimumnorm een
redelijk uitgangspunt is te achten.
Uitgaande van een aldus vast te stellen hardheid is tussen partijen niet
in geschil dat ten aanzien van appellante geen sprake is van hardheid,
nu het gezinsinkomen van appellante gedurende de hier van belang zijnde
kwartalen een zodanige norm nimmer heeft benaderd. De Raad kan en zal
derhalve in het midden laten wat er verder zij van de door gedaagde
gekozen nadere invulling van dit hardheidsbeleid.
Ten aanzien van het door appellante gesignaleerde verschil is
behandeling tussen personen met een laag en een hoog inkomen merkt de
Raad ten slotte nog op dat nu uit het vorenstaande voortvloeit dat de
AKW een bodemvoorziening is, een objectieve rechtvaardiging voor dit uit
het beleid voortvloeiende onderscheid bestaat, zodat geen sprake kan
zijn van een verboden onderscheid naar inkomen als bedoeld in de door
appellante genoemde nationale en internationale bepalingen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 november 2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) M.F. Moorst.
|
|