|
Uitspraak
99/918
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 21 juli 1997 heeft appellant geweigerd gedaagde met
ingang van het tweede kwartaal van 1997 kinderbijslag ingevolge de
Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen.
Het hiertegen gerichte bezwaar is bij het thans bestreden besluit, de
beslissing op bezwaar van 7 januari 1998, ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 januari 1999 heeft de Arrondissementsrechtbank te
's-Gravenhage het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit
gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat (thans)
appellant (thans) gedaagde ingaande het tweede kwartaal van 1997 als
ingezetene dient te beschouwen.
Op de gronden, aangevoerd bij aanvullend beroepschrift van 12 juli 1999
en aangevuld bij brief van 3 augustus 2001, heeft appellant de Raad
verzocht de uitspraak van de rechtbank te vernietigen.
Gedaagde heeft verweer gevoerd bij brief van 21 juli 1999.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 5 september 2001.
Van partijen is daar alleen gedaagde verschenen, bijgestaan door zijn
zuster [C.], wonende te [woonplaats].
II. MOTIVERING
Het besluit van appellant tot weigering van kinderbijslag berust op de
overweging dat gedaagde met ingang van het tweede kwartaal van 1997 niet
meer als ingezetene van Nederland is aan te merken en bij gebreke van
een andere verzekeringsgrond niet meer verzekerd is ingevolge de AKW.
Voorts heeft appellant in het bestreden besluit overwogen, dat in de
omstandigheden van gedaagde op grond van het recht van de Europese
Gemeenschap terzake van de aanspraak op kinderbijslag de wetgeving van
Spanje van toepassing is.
De rechtbank heeft overwogen dat gedaagde naar de omstandigheden
beoordeeld geacht moet worden vanaf het tweede kwartaal van 1997 in
Nederland te zijn blijven wonen, en op die grond het bestreden besluit
vernietigd.
De Raad overweegt het volgende.
Blijkens de gedingstukken heeft gedaagde zich met zijn gezin per 1 mei
1996 uit de Nederlandse bevolkingsregistratie laten uitschrijven met de
bedoeling zich in Spanje te vestigen. In ieder geval de overige
gezinsleden zijn daar daadwerkelijk woonachtig geworden, terwijl
gedaagde zelf zijn werkzaamheden als vrachtwagenchauffeur op het traject
Nederland-Spanje bleef uitoefenen, hier te lande een postadres aanhield
en tijdens verblijf in Nederland bij zijn moeder logeerde.
Deze omstandigheden acht de Raad toereikend voor het oordeel dat
gedaagde per 1 mei 1996 niet meer als Nederlands ingezetene was te
beschouwen.
Niet ter discussie staat dat gedaagde nadien, op grond van de Europese
rechtsregels, uit hoofde van zijn werkzaamheden zowel in Nederland als
in Spanje, respectievelijk van de vestigingsplaats van zijn werkgever
[werkgever] waar hij tot 1 september 1996 werkte en een Nederlandse
vennootschap onder firma waarvan gedaagde nadien deel uitmaakte, nog
verzekerd ingevolge de AKW is gebleven. Nadat echter gedaagde per 1
september 1996 was ontslagen als werknemer van [werkgever], en de
vennootschap onder firma per 1 maart 1997 was verkocht, was ook deze
grondslag aan de verzekering komen te ontvallen. Als niet meer actieve
werknemer of zelfstandige was op gedaagde nadien de wetgeving van zijn
woonland, Spanje, van toepassing (artikel 13, tweede lid, sub f, van de
EG-Verordening nr 1408/71).
De vraag resteert dan of in de feitelijke omstandigheden waarin gedaagde
sedert maart 1997 verkeerde grond kan worden gevonden om hem, met name
op grond van ingezetenschap in Nederland, als verzekerde ingevolge de
AKW aan te merken. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend. Het
middelpunt van gedaagdes persoonlijke en maatschappelijke leven bleef
zich in Spanje bevinden, waar zijn gezin immers woonde. Dat gedaagde
vanaf november 1996 in Nederland gedetineerd was en daarom gedwongen op
Nederlands grondgebied verbleef, is niet voldoende om hem als ingezetene
aan te merken.
Tenslotte kunnen evenmin de werkzaamheden tijdens detentie worden
aangemerkt als grond voor verzekering ingevolge de AKW. Het betreft hier
niet in dienstbetrekking verrichte arbeid terzake waarvan gedaagde aan
de loonbelasting was onderworpen, als bedoeld in artikel 6, eerste lid,
onder b, van de AKW.
Op grond van het vorenstaande concludeert de Raad dat appellant op goede
gronden heeft geweigerd gedaagde ingaande het tweede kwartaal van 1997
kinderbijslag toe te kennen.
De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, onder
ongegrondverklaring van het in eerste aanleg ingestelde beroep.
Er zijn geen termen voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het in eerste aanleg ingestelde beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. F.P. Zwart als voorzitter en mr. T.L. de Vries en
prof.mr. F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2001.
(get.) F.P. Zwart.
(get.) M.F. van Moorst.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de
Algemene Kinderbijslagwet kan ieder der partijen beroep in cassatie
instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing
van het bepaalde bij of krachtens een der artikelen 1, tweede lid, 2, 3
en 6 van die wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat
dit afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in
cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|