|
Uitspraak
99/1559
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 26 november 1996 heeft gedaagde ingaande het eerste
kwartaal van 1997 aan appellant aanspraak op kinderbijslag ingevolge de
Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ontzegd ten behoeve van vijf kinderen.
Bij beslissing op bezwaar van 24 juli 1997, het thans bestreden besluit,
heeft gedaagde het besluit van 26 november 1996 in die zin herzien, dat
voor vier kinderen eerst vanaf het derde kwartaal van 1997 kinderbijslag
aan appellant wordt geweigerd en alsnog kinderbijslag wordt toegekend
over het eerste en tweede kwartaal van 1997. Verder heeft gedaagde de
weigering van kinderbijslag voor één kind gehandhaafd vanaf het eerste
kwartaal van 1997.
De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 11
februari 1999 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. W.A. Venema, advocaat te Rotterdam, van die
uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 24 augustus 2001 heeft mr. Venema nog nadere stukken in
het geding gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 5
september 2001, waar namens appellant is verschenen mr. Venema,
voornoemd, en waar gedaagde zich, met kennisgeving, niet heeft doen
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Appellant heeft voor het eerste kwartaal van 1997 kinderbijslag van
gedaagde ontvangen voor de in Ghana verblijvende kinderen [kind 1],
[kind 2], [kind 3], [kind 4] en [kind 5] respectievelijk geboren [in]
1978, [in] 1979, [in] 1980, [in] 1981 en [in] 1983. Deze kinderen zijn
geboren uit traditionele huwelijken naar Ghanees recht tussen appellant
en [vrouw 1] en [vrouw 2].
Gedaagde heeft bij het bestreden besluit geweigerd kinderbijslag voor
[kind 1] toe te kennen vanaf het eerste kwartaal van 1997, omdat zij
niet langer een studerend kind ingevolge de AKW is en op andere gronden
geen aanspraak op kinderbijslag voor haar bestaat. Deze weigering wordt
door appellant niet betwist. Voorts heeft gedaagde bij dit besluit vanaf
het derde kwartaal van 1997 kinderbijslag voor de overige (vier)
kinderen geweigerd op de grond dat die kinderen ten opzichte van
appellant niet als eigen kinderen in de zin van artikel 7 van de AKW
kunnen worden aangemerkt. Gedaagde heeft hierbij verwezen naar zijn
zogeheten Ghanabesluit AKW (Besluit van 22 maart 1996, goedgekeurd bij
Besluit van het College van toezicht sociale verzekeringen van 12 juni
1996, Stcrt. 115). In de Bijlage bij dit besluit is onder meer het
volgende gesteld:
"Indien kinderbijslag wordt aangevraagd door een man die aangeeft
tot het kind ten behoeve van wie hij de aanvraag doet krachtens Ghanees
recht in een familierechtelijke betrekking te staan, zal het betreffende
kind slechts als eigen kind van de aanvrager in de zin van de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) worden aangemerkt voor zover dit kind is geboren
staande een wettelijk geregeld of daarmee gelijk te stellen huwelijk
tussen de aanvrager en de moeder van het kind. De aanvrager dient de
omstandigheid dat hij ten tijde van de geboorte van het betreffende kind
gehuwd was met de moeder aan te tonen door overlegging van dubbel
gelegaliseerde afschriften van de betreffende huwelijks- en
geboorteakten. (...)
Ten aanzien van de gevallen waarin reeds kinderbijslag is toegekend aan
een man die heeft aangegeven tot het betreffende kind als vader in een
familierechtelijke betrekking krachtens Ghanees recht te staan, zal voor
zover dit nog nodig is onderzocht gaan worden of het betreffende kind
werd geboren staande een wettelijk geregeld of daarmee gelijk te stellen
huwelijk. Bij wijze van overgangsregeling zal evenwel voor de gevallen
die bij de toekenningsbeslissing niet zijn gewezen op de beperkte duur
van de toekenning in verband met het bepaalde in dit besluit, tot 1
januari 1997 het recht op kinderbijslag niet worden beëindigd vanwege
de enkele reden dat het bestaan van een huwelijk als hiervoor bedoeld
niet kan worden aangetoond."
Voorts is in de toelichting bij het Besluit verwezen naar de uitspraak
van de rechtbank Amsterdam van 15 december 1995 (PS 1996, 345), waarin
de benadering van gedaagde ten principale is onderschreven.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard,
overwegende dat appellant niet voldoet aan de in het Ghanabesluit
genoemde voorwaarden, zodat de hiervoor genoemde kinderen niet als eigen
kinderen van appellant in de zin van de AKW aangemerkt kunnen worden. In
hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat op grond van het Ghanese
recht beoordeeld moet worden of de kinderen wettige kinderen van
appellant zijn en (subsidiair) dat aangenomen moet worden dat appellant
de kinderen heeft erkend nu hij als hun vader in de geboorteaktes is
vermeld. Ten slotte is aangevoerd dat de regeling in het Ghanabesluit
buiten toepassing dient te worden gelaten, omdat daarin in strijd met
artikel 1 van de Grondwet een onderscheid naar nationaliteit wordt
gemaakt.
In deze procedure is tussen partijen slechts in geschil of gedaagdes
weigering van kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 1997 voor de
kinderen [kind 2], [kind 3], [kind 4] en [kind 5] in rechte stand kan
houden. Ten aanzien van dit geschilpunt stelt de Raad voorop dat het
gaat om de beoordeling van een aanspraak op kinderbijslag volgens de in
de AKW gestelde regels, in een situatie waarin een ingevolge die wet
verzekerde man aanspraak maakt op kinderbijslag krachtens die wet ten
behoeve van in het buitenland verblijvende kinderen met een
niet-Nederlandse nationaliteit en geboren uit moeders die evenmin de
Nederlandse nationaliteit bezitten of in Nederland wonen. Zoals de Raad
al eerder heeft overwogen in de uitspraak van 7 april 1999 (RSV 99/189)
komt onder deze omstandigheden aan het antwoord op de vraag of de
wettigheid van de kinderen naar Ghanees recht hier te lande naar de
geldende familierechtelijke regels, met inbegrip van het internationaal
privaatrecht, als zodanig zou worden aanvaard, geen betekenis toe.
De Raad heeft voorts al eerder overwogen, onder meer in de uitspraak van
28 juli 1999 (RSV 99/274), dat de benadering van gedaagde in het
Ghanabesluit aansluit bij de lijn van 's Raads jurisprudentie, welke bij
de beoordeling van de status van "eigen kind" in de zin van
artikel 7 van de AKW doorslaggevende betekenis toekent aan het
bevestigende antwoord op de vraag of de in aanmerking komende
rechtsfiguur naar buitenlands recht, welke de familierechtelijke
betrekking tussen de verzekerde en het kind beheerst, op het punt van de
geldende vereisten en de daaraan verbonden rechtsgevolgen gelijk is te
stellen met de overeenkomstige Nederlandse rechtsfiguur. Hiermee is
zeker niet in strijd de voorwaarde dat tussen de verzekerde en de moeder
van de kinderen een naar Ghanees recht geregistreerd huwelijk bestaat of
heeft bestaan. In zoverre moet dan ook van een juiste toepassing van
artikel 7 van de AKW worden gesproken. Nu door appellant niet wordt
betwist dat geen sprake is (geweest) van een geregistreerd huwelijk naar
Ghanees recht tussen hem en de moeder van de kinderen en een
rechtsfiguur welke op essentiële punten overeenkomt met een erkenning
naar Nederlands recht in het Ghanese recht niet voorkomt, is de Raad van
oordeel dat gedaagde terecht heeft geoordeeld dat de kinderen niet als
eigen kinderen van appellant in de zin van de AKW aangemerkt kunnen
worden.
Dat de benadering door gedaagde in het Ghanabesluit van de groep Ghanese
mannen in strijd zou zijn met het door appellant ingeroepen
discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet, vermag de Raad niet
in te zien. Zoals hiervoor reeds is overwogen sluit de door gedaagde
gekozen benadering in het Ghanabesluit aan bij de lijn van 's Raads
jurisprudentie ten aanzien van de beoordeling van de status van
"eigen kind" in de zin van de AKW, zodat voor Ghanese mannen
geen andere maatstaven worden aangelegd dan voor mannen met een andere
nationaliteit die overigens in dezelfde positie verkeren. In het
Ghanabesluit is, met het oog op het gelijkheidsbeginsel, met name
voorzien in een overgangsregeling, welke onder meer inhoudt dat aan
Ghanese mannen die al kinderbijslag ontvingen eerst na inachtneming van
een bepaalde overgangstermijn de aanspraak op kinderbijslag wordt
ontzegd.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding
van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. F.P. Zwart als voorzitter en mr. T.L. de Vries en
prof. mr. F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2001.
(get.) F.P. Zwart.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|