|
Uitspraak
99/1863
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 31 maart 1998 heeft gedaagde met ingang van het vierde
kwartaal van 1997 de betaling aan appellant van kinderbijslag op grond
van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ten behoeve van [kind 1], [kind
2], [kind 3], [kind 4], [kind 5] en [kind 6] geschorst.
Bij brief van 20 april 1998 heeft appellant tegen dit besluit bezwaar
gemaakt.
Bij besluit van 2 november 1998 heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond
verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 22
maart 1999 het door appellant bij brief van 1 december 1998 ingestelde
beroep tegen het besluit van 2 november 1998 (hierna: het bestreden
besluit) ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. M. de Boorder, advocaat te 's-Gravenhage, bij
beroepschrift van 12 april 1999 tegen deze uitspraak hoger beroep
ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft desgevraagd bij
brief van 5 juli 2000 een vraag beantwoord en een rapport van de
Nederlandse ambassade te Ankara (Turkije) van 30 maart 1998 overgelegd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26
september 2001, waar voor appellant mr. M.J. Gilsing, kantoorgenote van
de gemachtigde van appellant, is verschenen en waar namens gedaagde is
verschenen J.Y. van den Berg, werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak en de overige gedingstukken ontleent de
Raad de volgende voor de beoordeling van dit geding van belang zijnde
feiten en omstandigheden.
Ten behoeve van de kinderen, genoemd in het in rubriek I van deze
uitspraak vermelde primaire besluit van 31 maart 1998, ontving appellant
tot en met het derde kwartaal van 1997 kinderbijslag. Op basis van de
toen bekende gegevens werd aangenomen dat de kinderen bij de echtgenote
van appellant in Turkije verbleven. Teneinde de rechtmatigheid van de
betaalde kinderbijslag te waarborgen is, volgend op de periodieke
controle op het in leven zijn van de betreffende kinderen, vanwege de
Nederlandse ambassade een onderzoek naar de gezinssamenstelling van
appellant in Turkije gedaan. Dit heeft geleid tot een tweetal rapporten
van deze ambassade van 20 oktober 1997 en 30 maart 1998. Naar aanleiding
van deze rapporten heeft gedaagde het primaire besluit genomen, waarin
is overwogen dat er twijfel bestaat omtrent de samenstelling van het
gezin van appellant. Blijkens het verslag van de op 4 augustus 1998
gehouden hoorzitting naar aanleiding van het door appellant tegen het
primaire besluit gemaakte bezwaar is de grondslag van deze twijfel
gelegen in het niet gebleken zijn van het daadwerkelijk bestaan van drie
van appellants kinderen bij onderzoek in Turkije en in de door appellant
desgevraagd op 10 februari 1998 aan gedaagde opgegeven woonplaats van de
verzorger van de kinderen. Tevens is tijdens die hoorzitting het vonnis
van de civiele rechtbank te Elazig van 25 december 1997 overgelegd,
waaruit de scheiding van appellant van zijn echtgenote in Turkije
blijkt. Verder is ter hoorzitting gebleken dat appellant sinds 1995 met
een nieuwe partner in Nederland een gezin vormt. Naar aanleiding hiervan
is ter hoorzitting ook het voldoen door appellant aan de zogenaamde
onderhoudseis voor de kinderen ter sprake gekomen en is een afschrift
van een stortingsbewijs van 12 februari 1998 ten bedrage van f 1.642,50
overgelegd, waarop ook met pen is aangetekend dat op 10 juni f 1.750,=
aan een kennis, die naar Turkije ging, is meegegeven. Vervolgens heeft
gedaagde het bestreden besluit genomen, waarin als grond voor de
schorsing van de kinderbijslag ook is opgenomen dat is vastgesteld dat
appellant zijn gezin in Turkije niet onderhoudt en dat eerst in de
bezwaarprocedure duidelijk werd dat appellant reeds op 1 oktober 1997
duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote in Turkije.
In beroep heeft appellant onder andere aangevoerd dat hij
stortingsbewijzen heeft, waaruit blijkt dat hij zijn gezin in Turkije
wel onderhoudt. Ter zitting van de rechtbank op 5 maart 1999 heeft
appellant gesteld dat hij zorgt voor de kinderen in Turkije, dat zijn
vrouw geld mag afhalen van zijn bankrekening aldaar, waarvan hij evenwel
nog geen bewijs heeft, en dat hij maandelijks f 1.000,= tot f 1.500,=
naar Turkije stuurt.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat gedaagde
aan de inhoud van de hiervoor genoemde rapporten van de Nederlandse
ambassade te Ankara in redelijkheid het gegronde vermoeden kon ontlenen
dat de samenstelling van appellants gezin een andere was dan hij had
opgegeven. Voorts heeft de rechtbank gewezen op hetgeen hangende bezwaar
is gebleken terzake van de gezinsvorming van appellant met zijn partner
in Nederland sinds 1995 en de in Turkije op 27 (lees: 25) december 1997
uitgesproken echtscheiding, hetgeen gedaagde terecht tot de conclusie
leidde dat de kinderen in Turkije niet langer behoren tot het huishouden
van appellant. Met betrekking tot de onderhoudseis heeft de rechtbank
vastgesteld dat appellant niet heeft aangetoond te hebben voldaan aan de
in zijn geval geldende onderhoudseis van f 4.512,= per kwartaal, zodat
gedaagde hieraan ook het gegronde vermoeden kon ontlenen dat het recht
op kinderbijslag niet of niet meer (volledig) bestond.
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant onder andere gewezen
op het besluit van gedaagde van 3 december 1997, waarbij met ingang van
het vierde kwartaal van 1997 de kinderbijslag op nihil is gesteld en op
het maken van bezwaar door appellant tegen dit besluit. Voorts heeft hij
bezwaar gemaakt tegen de terugwerkende kracht van het schorsingsbesluit
van 31 maart 1998. Verder heeft hij ter zitting van de Raad nog betoogd
dat het niet geoorloofd is in het bestreden besluit een andere
rechtsgrond op te nemen voor het vermoeden dat tot schorsing kan leiden.
Tenslotte heeft de gemachtigde aangevoerd dat de hiervoor genoemde
rapporten zodanig onzorgvuldig zijn dat deze geen grondslag kunnen
vormen voor een gegrond vermoeden van opgave van een onjuiste
gezinssamenstelling.
Met betrekking tot het door de gemachtigde genoemde besluit van 3
december 1997 acht de Raad de desgevraagd door gedaagde in de brief van
5 juli 2000 verstrekte verklaring voor de status daarvan, mede ook in
aanmerking genomen hetgeen ter zake van die zijde nader is toegelicht
ter zitting van de Raad, niet onaannemelijk. Deze verklaring houdt in
dat het betreffende besluit is aangemaakt door het geautomatiseerde
systeem van gedaagde ter blokkering van de betaling van kinderbijslag
aan appellant. Deze beschikking is evenwel niet verzonden omdat zij niet
juist is. De gemachtigde van appellant heeft ook niet een afschrift van
dit besluit, dat door gedaagde in de procedure in eerste aanleg was
overgelegd, en evenmin van het door hem gestelde bezwaarschrift
daartegen in procedure gebracht. De Raad stelt voorts vast dat in dit
geval van een schorsing met terugwerkende kracht geen sprake is. In
artikel 18, eerste lid, van de AKW is immers voorgeschreven dat gedaagde
de kinderbijslag betaalt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie
maanden na afloop van het kwartaal waarover recht op kinderbijslag
bestaat. Verder staat, anders dan appellant meent, blijkens vaste
jurisprudentie van de Raad de bezwaarprocedure er niet aan in de weg om
bij de beslissing op bezwaar het primaire besluit te handhaven op een
andere of aanvullende grond. Zulks past integendeel bij de volledige
heroverweging welke plaatsvindt op de grondslag van het bezwaar en
vloeide in dit geval voort uit de eerst in de bezwaarprocedure gebleken
gewijzigde persoonlijke omstandigheden van appellant.
Met betrekking tot de bij het bestreden besluit gehandhaafde schorsing
van de betaling van de kinderbijslag aan appellant als zodanig overweegt
de Raad dat reeds hetgeen in de bezwaarprocedure naar voren is gekomen
omtrent de vraag of appellant vanaf het vierde kwartaal van 1997 voldeed
aan de voor hem geldende onderhoudsplicht ten aanzien van zijn niet tot
zijn huishouden behorende kinderen een gegrond vermoeden in de zin van
artikel 19 van de AKW opleverde om tot schorsing van die betaling over
te gaan. Dit spreekt nog eens te meer, nu appellant niet heeft
aangetoond te hebben voldaan aan de in zijn geval per kwartaal geldende
onderhoudsplicht. Gelet hierop behoeft de vraag of de bevindingen van
gedaagde op basis van de meergenoemde rapporten de schorsing en daarmee
het bestreden besluit kunnen dragen geen verdere bespreking.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat
de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere
partij ziet de Raad geen aanleiding. Wel acht de Raad het aangewezen om
vanwege de in deze procedure gebleken late inzending van enige stukken
door gedaagde, waaronder het meergenoemde rapport van 30 maart 1998, te
bepalen dat gedaagde aan appellant het door hem in eerste aanleg en in
hoger beroep gestorte griffierecht van respectievelijk f 55,= en f 170,=
vergoedt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het in eerste aanleg en in hoger
beroep gestorte recht van in totaal ƒ 225,= vergoedt.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 november
2001.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|