|
Uitspraak
99/1199
AKW en 01/1107 AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 7 januari 1998 heeft appellant aan gedaagde een boete
van f. 300,- opgelegd, omdat zij een wijziging in het inkomen van haar
dochter [B.] niet tijdig zou hebben doorgegeven aan appellant.
Bij beslissing op bezwaar van 2 juni 1998 (hierna: besluit 1) is het
bezwaar tegen het besluit van 7 januari 1998 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Alkmaar heeft bij uitspraak van 7 januari
1999 het tegen besluit 1 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat
besluit vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen en
bepaald dat appellant het griffierecht aan gedaagde dient te vergoeden.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend
beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 november
2000, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door H. van der
Most en H.J.M. de Wit, beiden werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank
en waar gedaagde in persoon is verschenen bijgestaan door haar
echtgenoot [A.].
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Naar aanleiding van de vraag van de Raad tot welke gevolgen toepassing
van het Boetebesluit socialezekerheidswetten van 14 oktober 2000, Stb.
462 zou leiden, heeft appellant bij brief van 15 januari 2001 de Raad
bericht besluit 1 niet langer te handhaven voor zover het betreft de
hoogte van de boete en heeft appellant bepaald dat de boete moet worden
vastgesteld op f. 100,-. De Raad heeft dit besluit tot oplegging van een
boete van f. 100,- (hierna: besluit 2) op grond van het bepaalde in de
artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betrokken
in deze procedure.
Bij brief van 6 juli 2001 heeft appellant gereageerd op een vraag van de
Raad.
Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven een nadere behandeling
van het geding ter zitting van de Raad achterwege te laten.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet
(AKW) ontvangen voor haar dochter [B.], geboren op [in] 1977. Sedert 1
september 1995 verrichtte [B.] naast haar studie gedurende vier uur per
week werkzaamheden bij de [X.]. Op 2 september 1997 heeft gedaagde
telefonisch aan appellant gemeld dat [B.] inmiddels ook andere inkomsten
had uit werkzaamheden op oproepbasis bij de Stichting Kinderopvang
[woonplaats]. Uit door deze stichting verstrekte gegevens blijkt dat [B.]
vanaf 16 mei 1997 heeft gewerkt en dat aan haar over de maand mei 1997
een netto loon ad f. 385,43 is betaald en over juni 1997 ad f. 1420,86.
Bij besluit van 2 december 1997 heeft appellant aan gedaagde medegedeeld
dat zij vanaf het tweede kwartaal van 1997 geen recht meer heeft op
kinderbijslag voor [B.] en is de teveel betaalde kinderbijslag ad f.
995,- van haar teruggevorderd. Tevens heeft appellant bij brief van die
datum aan gedaagde kenbaar gemaakt voornemens te zijn haar een boete van
f. 300,- op te leggen. Bij het bij besluit 1 gehandhaafde besluit van 7
januari 1998 heeft appellant aan gedaagde een boete opgelegd van f.
300,-, omdat zij de wijziging in de inkomsten van [B.] vanaf 16 mei 1997
niet binnen vier weken heeft gemeld. Daarbij is overwogen dat niet is
gebleken dat sprake is van geen of verminderde verwijtbaarheid. Deze
boete is gebaseerd op het bij de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid (Stb. 1996, 248, hierna Wet boeten)
ingevoerde artikel 17a van de AKW en het ter uitvoering van dat artikel
door de Sociale Verzekeringsbank vastgestelde Boetebesluit AKW (Stcrt.
1996, 141, nadien gewijzigd).
De rechtbank heeft geoordeeld dat gedaagde in strijd met de in artikel
15 van de AKW neergelegde mededelingsplicht heeft gehandeld, maar heeft
het bestreden besluit vernietigd omdat de artikelen 6 en 7 van het
Boetebesluit AKW, voorzover betrekking hebbend op de
benadelingscategorie f. 100,- tot f. 2000,-, verbindende kracht missen
wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel bedoeld in artikel 3:4 van
de Awb en de in artikel 17a, tweede lid, van de AKW gegeven opdracht om
de hoogte van de boete af te stemmen op de ernst van de gedraging, de
mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden. Daarbij
heeft de rechtbank nog overwogen dat het evenredigheidsbeginsel is
geschonden omdat de hoogte van de boete alleen afhankelijk is van het
benadelingsbedrag en geen onderscheid wordt gemaakt tussen opzet en
nalatigheid.
Appellant heeft dit oordeel in hoger beroep betwist, aanvoerende dat aan
het evenredigheidsbeginsel inkleuring is gegeven in het perspectief van
de algemene rechtsnormen zoals die in de strafrechtelijke
rechtshandhaving worden gehanteerd.
De Raad overweegt het volgende.
Bij besluit 2 heeft appellant met verwijzing naar het op 1 februari 2001
in werking getreden Boetebesluit socialezekerheidswetten de opgelegde
boete van f. 300,- vervangen door een boete van f. 100,-. Ingevolge
artikel 2, eerste lid, van dit Besluit wordt de boete vastgesteld op 10%
van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste f.
100,- wordt vastgesteld. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder q in
verbinding met onderdeel m, van dit Besluit wordt onder het
benadelingsbedrag verstaan het bruto bedrag dat ten onrechte als
uitkering is verleend op grond van de AKW, als gevolg van het niet of
niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht.
De Raad stelt vast dat appellant besluit 1 niet langer handhaaft, nu uit
het in de loop van deze procedure kenbaar gemaakte besluit 2 voortvloeit
dat aan gedaagde een boete van f. 100,- wordt opgelegd. Dit betekent
eveneens dat appellant geen belang meer heeft bij het hoger beroep
betrekking hebbend op besluit 1, aangezien de grieven inzake dat besluit
bij de toetsing van besluit 2, waar nodig, aan de orde kunnen komen. Het
hoger beroep van appellant wordt derhalve niet- ontvankelijk geacht, nu
niet is gebleken van enig belang van appellant bij een inhoudelijk
oordeel van de Raad over besluit 1.
Krachtens het bepaalde in artikel 15 van de AKW is de verzekerde
verplicht aan appellant, hetzij op verzoek hetzij onverwijld uit eigen
beweging, alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan het hem
of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen
zijn op, onder meer, het recht op en de hoogte van de kinderbijslag. In
artikel 3 van het Boetebesluit AKW is nader bepaald dat de verplichting
bedoeld in artikel 15 van de AKW in ieder geval betrekking heeft op een
reeks nader genoemde verplichtingen, waaronder: in sub g van dat
artikel:
"5. de inkomsten van het kind en de veranderingen in de hoogte
daarvan;
…….
8. het gaan werken door het kind;"
In artikel 4 van het Boetebesluit AKW is bepaald dat een verplichting
als hiervoor bedoeld geacht wordt niet te zijn nagekomen indien een feit
of omstandigheid niet binnen vier weken na het intreden ervan is
medegedeeld. In het Besluit beleidsregels boeten AOW, Anw en AKW van 22
december 2000, Stcrt. 2001, 7 en de daarbij behorende bijlage 4,
getiteld Mededelingsverplichtingen Algemene Kinderbijslagwet,
betreffende de toepassing van het Boetebesluit socialezekerheidswetten
van 14 oktober 2000 heeft de Sociale Verzekeringsbank bepalingen
opgenomen die overeenkomen met de genoemde bepalingen van het
Boetebesluit AKW.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het feit dat [B.] op 16 mei
1997, naast haar werk bij de [X.], ook is gaan werken als oproepkracht
een zodanig relevante wijziging in omstandigheden is dat gedaagde
daarvan onverwijld mededeling had moeten doen aan appellant. Het
aanvaarden van een tweede dienstverband, naast al langer verrichte
werkzaamheden gedurende enige uren per week, zijnde niet slechts een
kwantitatieve doch tevens een kwalitatieve wijziging van werkzaamheden,
is naar `s Raads oordeel een omstandigheid welke steeds gemeld dient te
worden. Het feit dat de omvang van de werkzaamheden - en de inkomsten -
aanvankelijk nog onduidelijk was kan hieraan niet afdoen. Daarbij merkt
de Raad nog op dat het gedaagde, gelet op de inkomsten van [B.] in juni
1997, al binnen de termijn van vier weken duidelijk had kunnen zijn dat
het werkzaamheden van een substantiële omvang betrof.
Uit het vorenstaande volgt dat appellant in beginsel gehouden is met
toepassing van artikel 17a van de AKW een boete op te leggen. Onder
toepassing van het Boetebesluit socialezekerheidwetten heeft appellant -uiteindelijk-
een boete van f. 100,- opgelegd.
Ten aanzien van de hoogte van deze boete merkt de Raad, onder verwijzing
naar zijn uitspraak van 7 september 1999 (USZ 1999/290 en RSV 99/296),
op dat hij - anders dan de rechtbank - van oordeel is dat het zogeheten
benadelingsbedrag in beginsel een aanvaardbaar uitgangspunt is om de
ernst van de gedraging te bepalen in relatie tot de op te leggen boete.
Voorts acht de Raad van belang dat het in dat geding aan de orde zijnde
Boetebesluit van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming
van 6 juni 1996 (Boetebesluit Tica) voorziet in verdere nuancering. Het
Boetebesluit AKW voorziet eveneens in een verdere nuancering doordat bij
verminderde verwijtbaarheid een lagere boete wordt opgelegd dan de in
dit besluit opgenomen standaardbedragen, terwijl eveneens een lagere
boete wordt opgelegd indien de standaardboete voor de belanghebbende
onevenredig bezwaarlijk is. In het Boetebesluit AKW, zoals gewijzigd,
wordt in enige mate onderscheid gemaakt tussen opzet en nalatigheid.
Dergelijke nuanceringen zijn eveneens opgenomen in het Besluit
beleidsregels boeten AOW, Anw en AKW van de Sociale Verzekeringsbank.
Toepassing van het Boetebesluit socialezekerheidswetten leidt in het
onderhavige geval, waarin sprake is van een benadelingsbedrag van f.
995,- zijnde de over het tweede kwartaal van 1997 aan gedaagde
onverschuldigd betaalde kinderbijslag ten behoeve van [B.], in beginsel
tot het opleggen van een boete van f. 100,-. De Raad is van oordeel dat
deze boete in rechte stand kan houden. De Raad heeft geen aanleiding
gevonden om te veronderstellen dat de schending van de
inlichtingenverplichting gedaagde in verminderde mate is aan te rekenen.
Voorts is de Raad niet gebleken dat het opleggen van de boete van f.
100,- voor gedaagde onevenredig bezwaarlijk is.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep. Deze worden begroot op f 79,20 aan reiskosten. Andere op grond
van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de
Raad ook niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep betrekking hebbend op besluit 1
niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep gericht tegen besluit 2 ongegrond;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
groot f 79,20.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 november
2001.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.B.M Vermeulen.
|
|