|
Uitspraak
00/1449
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. A.T. Tilburg, advocaat te Spijkenisse, op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam op 3 februari
2000 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 1 december 2000 heeft mr. Tilburg een drietal
gelegaliseerde geboorteaktes in het geding gebracht. Op verzoek van de
Raad heeft gedaagde vervolgens bij brief van 18 april 2001 zijn
standpunt met betrekking tot die aktes kenbaar gemaakt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 24 oktober
2001, waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door mr.
Tilburg, voornoemd, en waar gedaagde zich - met kennisgeving - niet
heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Appellant is [in] 1993 in Indonesië gehuwd met [A.]. In juli 1994 heeft
de echtgenote van appellant zich in Nederland gevestigd. Haar kinderen [B.],
geboren [in] 1978, [C.], geboren [in] 1981, en [D.], geboren [in] 1983,
zijn toen in Indonesië bij hun oma blijven wonen. Appellant heeft
kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aangevraagd
voor deze kinderen.
Gedaagde heeft in oktober 1994, op grond van door appellant overgelegde
kopieën van documenten omtrent de kinderen, besloten om bij wijze van
voorschot kinderbijslag aan appellant te betalen vanaf het eerste
kwartaal van 1994. Voorts heeft gedaagde toen aan appellant verzocht de
originele documenten beschikbaar te stellen. Vanaf het eerste kwartaal
van 1995 zijn geen verdere voorschotten aan appellant betaald door
gedaagde. Gedaagde heeft vervolgens aan appellant verzocht
gelegaliseerde documenten over te leggen. Nadat appellant in augustus
1995 enige documenten had overgelegd is hem in ieder geval tijdens een
hoorzitting op 7 maart 1996 en bij brief van 30 oktober 1996 medegedeeld
op welke wijze de legalisatie van de vereiste documenten uit Indonesië
dient plaats te vinden.
Bij besluit van 1 oktober 1996 heeft gedaagde de aanvraag van appellant
om kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 1994 afgewezen, omdat hij
niet de benodigde gegevens had verschaft, waardoor gedaagde niet kon
vaststellen of er recht op kinderbijslag voor de genoemde kinderen
bestond. Op 28 januari 1997 heeft appellant originele geboorteaktes van
de drie hiervoor genoemde kinderen aan gedaagde verstrekt. Gedaagde
heeft vervolgens bij brief van 6 februari 1997 aan appellant verzocht om
alsnog voor (drievoudige) legalisatie van deze documenten te zorgen.
Bij besluit van 30 juni 1998, het bestreden besluit, heeft gedaagde de
weigering van kinderbijslag aan appellant voor de kinderen [B.], [C.] en
[D.] vanaf het eerste kwartaal van 1994 gehandhaafd. Daarbij heeft
gedaagde het volgende overwogen:
"Bij de beoordeling van het recht op kinderbijslag dient te worden
vastgesteld of het kind, waarvoor kinderbijslag wordt aangevraagd, is
aan te merken als een eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind van degene
die de aanvraag heeft ingediend. In sommige gevallen is een buitenlandse
akte nodig, die dient als bron om een bepaald feit te bewijzen (een
zogenaamd brondocument). Een buitenlands brondocument moet door de klant
worden overgelegd als zijn gegevens niet via een andere betrouwbare
bron, bijvoorbeeld via de GBA of de verbindingsorganen, kunnen worden
verkregen of gecontroleerd. Afhankelijk van het land waar het document
vandaan komt, moet het document aan bepaalde legalisatie-eisen voldoen.
(...)
U bent verplicht de voorschriften op te volgen, die de Sociale
Verzekeringsbank ten behoeve van een doelmatige controle stelt. Deze
verplichting omvat (ook) het op verzoek van de Sociale Verzekeringsbank
zorgdragen voor originele, drievoudig gelegaliseerde, geboorteaktes. De
Sociale Verzekeringsbank is van oordeel dat u voornoemde verplichting
niet behoorlijk bent nagekomen: weliswaar heeft u op 27 januari 1997
originele geboorteaktes overgelegd, echter u heeft nagelaten deze aktes
(drievoudig) te laten legaliseren. Een en ander brengt mee dat de
Sociale Verzekeringsbank niet kan vaststellen of met ingang van het
eerste kwartaal van 1994 voor de kinderen [B.], [D.] en [C.] recht op
kinderbijslag bestaat."
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, het
standpunt van gedaagde onderschrijvend. In hoger beroep zijn namens
appellant alsnog drievoudig gelegaliseerde geboorteaktes van de drie
hiervoor genoemde kinderen overgelegd. Gedaagde heeft na kennisneming
van die aktes medegedeeld dat de op 1 december 2000 overgelegde
geboorteaktes als een hernieuwde aanvraag om kinderbijslag aangemerkt
zullen worden. Daarbij heeft gedaagde aangegeven dat nog nadere gegevens
nodig zijn om de aanspraak om kinderbijslag vanaf het tijdstip gelegen
één jaar voor die aanvraag, te kunnen beoordelen.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad stelt voorop dat gedaagde bij het in bezwaar gehandhaafde
besluit van 1 oktober 1996 heeft geweigerd kinderbijslag aan appellant
toe te kennen, omdat niet aangetoond kon worden dat er recht op
kinderbijslag voor de kinderen van zijn echtgenote bestond, aangezien
hij de daartoe benodigde documenten niet tijdig aan gedaagde had
verstrekt. Uit het bestreden besluit blijkt niet duidelijk op welke
wettelijke grondslag gedaagde de weigering van kinderbijslag heeft
gebaseerd. Gelet echter op hetgeen gedaagde in het bestreden besluit
heeft overwogen, op het ontbreken van een verwijzing in dat besluit naar
artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 17 van de
AKW en op het systeem van de AKW, is de Raad van oordeel dat deze
weigering aldus verstaan moet worden dat geen recht bestaat op
kinderbijslag, omdat niet is komen vast te staan dat de kinderen [B.],
[C.] en [D.] aangehuwde kinderen van appellant zijn als bedoeld in
artikel 7 van de AKW.
Voorts is de Raad met gedaagde van oordeel dat het aan appellant is om
de benodigde gegevens aan te dragen om vast te kunnen stellen of sprake
is van een aangehuwd kind. De Raad stelt verder vast dat appellant
inmiddels bij brief van 1 december 2000 de eerder al overgelegde
geboorteaktes opnieuw heeft overgelegd, welke aktes thans zijn voorzien
van een drievoudige legalisatie. Nu gedaagde blijkens zijn brief van 18
april 2001 inmiddels kennelijk aanneemt dat op grond van die gegevens is
aangetoond dat de kinderen [B.], [C.] en [D.] aangehuwde kinderen van
appellant zijn moet geconcludeerd worden dat het bestreden besluit op
een onjuiste feitelijke grondslag is gebaseerd.
Het feit dat appellant, zoals gedaagde heeft overwogen, de in artikel 15
van de AKW bedoelde inlichtingenplicht heeft geschonden kan niet tot een
ander oordeel leiden, aangezien de weigering van kinderbijslag -
blijkens het hiervoor overwogene - niet is gebaseerd op het niet naleven
van die verplichting.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het bestreden besluit en de
aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, voor
vernietiging in aanmerking komen. Gedaagde dient met inachtneming van
het hiervoor overwogene een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
Daarbij dient nader ingegaan te worden op de vraag of appellant aan de
overige voorwaarden voor aanspraak op kinderbijslag voldoet.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten, nu appellant de
vereiste gelegaliseerde documenten eerst in hoger beroep heeft
overgelegd en niet aangenomen kan worden dat de betreffende documenten
niet (veel) eerder gelegaliseerd hadden kunnen worden.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in
artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet stelt de Raad vast dat
gedaagde het griffierecht ad f 225,- aan appellant dient te vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het
bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met
inachtneming van het hiervoor overwogene;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 225,-
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. H. Bolt en
mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.B.M. Vermeulen
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 december 2001.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|