|
Uitspraak
99/784
AKW
B E S L I S S I N
G
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Pakistan), appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. INLEIDING
Namens appellant is mr. J.L. Plokker, advocaat te Den Haag, op bij
aanvullend beroepschrift van 13 juli 1999 in hoger beroep gekomen van de
door de Arrondissementsrechtbank te Den Haag onder dagtekening 29
december 1998 tussen partijen gegeven uitspraak, alsmede de daarin
vervatte beslissing van die rechtbank als bedoeld in artikel 8:29, derde
lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben desgevraagd enkele stukken ingezonden.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld ter zitting van de Raad op 11
april 2001 te worden gehoord, uitsluitend in verband met de vraag of
beperking van de kennisneming van enkele stukken als bedoeld in artikel
8:29 van de Awb gerechtvaardigd is. Appellant is op die zitting niet
verschenen, terwijl gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr.
A.H. Gersie en J.Y. van den Berg, beiden werkzaam bij de Sociale
Verzekeringsbank.
Bij brieven van 24 april 2001 is partijen bericht dat het onderzoek
wordt heropend omdat het naar het oordeel van de Raad niet volledig is
geweest.
Bij brief van 13 september 2001 heeft gedaagde enkele van de zijde van
de Raad gestelde vragen beantwoord.
Partijen zijn voorts in de gelegenheid gesteld ter zitting van de Raad
op 17 oktober 2001 te worden gehoord, uitsluitend in verband met
dezelfde vraag als ter zitting van 11 april 2001 aan de orde was.
Appellant is op dit zitting wederom niet verschenen, terwijl gedaagde
zich wederom heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Gersie en J.Y.
van den Berg.
II. MOTIVERING
Ingevolge artikel 8:29, eerste lid, van de Awb kan een partij die
verplicht is stukken over te leggen, indien daarvoor gewichtige redenen
zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken
weigeren of de rechtbank mededelen dat uitsluitend zij kennis zal mogen
nemen van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken. Ingevolge
artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de rechtbank of de in het
eerste lid bedoelde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
Ingevolge artikel 21, derde lid, van de Beroepswet is artikel 8:29,
derde lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing op het hoger
beroep.
Ingevolge artikel 18, derde lid, van de Beroepswet kan tegen een
beslissing van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van
de Awb slechts tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de uitspraak in
de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld.
Gedaagde heeft in eerste aanleg, naar aanleiding van een beslissing van
de president van de rechtbank van 30 oktober 1997 als bedoeld in artikel
8:29, derde lid, van de Awb inzake een verzoek om een voorlopige
voorziening, waarnaar in de aangevallen uitspraak wordt verwezen,
slechts een gedeelte van het rapport van een vertrouwensadvocaat uit
Pakistan met bijlagen, welke geschoonde versie is opgenomen onder
gedingstuk I27, in het geding gebracht.
De president van de rechtbank heeft bij zijn beslissing van 30 oktober
1997 geoordeeld dat beperking van de kennisneming van voormeld rapport
niet gerechtvaardigd wordt geacht met een beroep op bescherming van
onderzoeksmethoden, maar wel gedeeltelijk gerechtvaardigd wordt geacht
op grond van bescherming van de bij het onderzoek betrokken personen.
Van de zijde van appellant is deze beslissing van de rechtbank in hoger
beroep bestreden.
Gedaagde heeft ook in hoger beroep verzocht om beperking van de
kennisneming van het rapport van de vertrouwensadvocaat, op een wijze
zoals door de president van de rechtbank in zijn beslissing van 30
oktober 1997 gerechtvaardigd is geacht.
De Raad zal allereerst beoordelen of beperking van de kennisneming van
bovengenoemd rapport als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb
in hoger beroep gerechtvaardigd is.
Gedaagde heeft zich ter rechtvaardiging van zijn verzoek beroepen op het
belang van bescherming van de gebruikte onderzoeksmethode en op het
belang van bescherming van de bij het onderzoek betrokken personen, en
daarbij onder meer gewezen op van de zijde van het Ministerie van
Buitenlandse zaken aan gedaagde gegeven aanwijzingen met betrekking tot
rapporten van vertrouwensadvocaten. Desgevraagd heeft gedaagde bij brief
van 13 september 2001 een nadere toelichting van het Ministerie van
Buitenlandse zaken in het geding gebracht.
De Raad heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat
in het onderhavige geval belang bestaat bij bescherming van de
onderzoeksmethoden die door of namens de vertrouwensadvocaat worden
gehanteerd. In genoemde toelichting van het Ministerie van Buitenlandse
zaken zijn geen argumenten vermeld die aanleiding zouden kunnen geven
voor het oordeel dat een dergelijk belang zich voordoet. Gedaagde heeft
ter zitting van de Raad aangegeven de onderzoeksmethode geheim te willen
houden teneinde gevaar voor bij het onderzoek betrokken personen te
voorkomen. Naar het oordeel van de Raad ligt de methode van onderzoek in
een zaak als de onderhavige voor de hand, terwijl deze ook uit het
aanvullende rapport van de vertrouwensadvocaat van 26 juni 1998, dat wel
aan appellant ter kennis is gebracht, kan worden afgeleid. Voorts ziet
dit argument naar het oordeel van de Raad niet zozeer op de bescherming
van de methode van onderzoek als wel op de bescherming van de daarbij
betrokken personen, zodat met dit argument het belang van bescherming
van de methode van onderzoek niet aannemelijk is gemaakt.
Wat betreft de vraag of in het onderhavige geval belang bestaat bij
bescherming van de bij het onderzoek betrokken personen overweegt de
Raad het volgende.
Gedaagdes stelling dat de bij het onderzoek betrokken personen, gelet op
de maatschappelijke situatie in Pakistan, waarop ook van de zijde van
het Ministerie van Buitenlandse Zaken in zijn uiteenzetting is gewezen,
gevaar kunnen lopen acht de Raad op zich beschouwd in haar algemeenheid
onvoldoende om reeds daarom zo'n belang aanwezig te achten. Naar het
oordeel van de Raad dient daarvoor door gedaagde voldoende aannemelijk
te worden gemaakt dat de mogelijkheid van gevaar in concreto aanwezig
is. Daarin is gedaagde slechts geslaagd voorzover het betreft de naam
van een persoon die een verklaring heeft afgelegd en de persoon van de
onderzoeker, nu uit het aanvullende rapport van de vertrouwensadvocaat
van 26 juni 1998 naar het oordeel van de Raad genoegzaam blijkt dat
gegronde vrees bestaat dat deze personen gevaar te duchten hebben. Naar
het oordeel van de Raad weegt dit belang in het onderhavige geval
zwaarder dan het belang van appellant op onbeperkte kennisneming van de
desbetreffende stukken.
Uit het vorenstaande volgt dat de Raad beperking van de kennisneming van
voormeld rapport van de vertrouwensadvocaat in hoger beroep gedeeltelijk
gerechtvaardigd acht. Dit betekent dat dit rapport slechts beperkt ter
kennisneming van appellant dient te worden gebracht, waarbij geldt dat
de kennisneming van de volgende stukken wordt toegestaan als volgt:
- stuk nummer 13, bestaande uit 2 pagina's bevattend de conclusies van
het verificatierapport, met dien verstande dat daaruit de naam en
handtekening van de ondertekenaar worden verwijderd;
- een zakelijke samenvatting van stuk nummer 17, bevattende een
verklaring van een getuige, met dien verstande dat daarin de inhoud van
de verklaring wordt weergegeven, zonder dat te herleiden is door welke
persoon die verklaring is afgelegd.
Hieruit volgt tevens dat de Raad de in de aangevallen uitspraak vervatte
beslissing van de president van de rechtbank van 30 oktober 1997 niet
geheel onderschrijft voorzover daarbij de kennisneming van de stukken
met de nummers 12, 14 en 14A is beperkt.
Onder vermelding dat de behandeling van het hoger beroep op een nader te
bepalen datum zal worden voortgezet, beslist de Raad als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bepaalt dat beperking van de kennisneming van het rapport van de
vertrouwensadvocaat gedeeltelijk gerechtvaardigd is, zoals hierboven is
aangegeven;
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van
Diepenbeek en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in
tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 12 december 2001.
(get.) H.
van Leeuwen.
(get.) J.W.P.
van der Hoeven.
|
|