|
Uitspraak
99/5459
AKW
B E S L I S S I N G
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. INLEIDING
Namens appellant is mr. P.I. van Herwaarden, advocaat te Rotterdam, op
bij aanvullend beroepschrift van 29 maart 2000 in hoger beroep gekomen
van de door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam onder dagtekening
23 september 1999 tussen partijen gegeven uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 22 mei 2000.
Gedaagde heeft desgevraagd bij brieven van 22 maart 2001 en 1 november
2001 stukken aan de Raad gezonden.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld ter zitting van de Raad op 28
november 2001 te worden gehoord, uitsluitend in verband met de vraag of
beperking van de kennisneming van enkele stukken als bedoeld in artikel
8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gerechtvaardigd is.
Appellant is op die zitting in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Herwaarden, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. A.N.P. Akkerman, werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Ingevolge artikel 8:29, eerste lid, van de Awb kan een partij die
verplicht is stukken over te leggen, indien daarvoor gewichtige redenen
zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken
weigeren of de rechtbank mededelen dat uitsluitend zij kennis zal mogen
nemen van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken. Ingevolge
artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de rechtbank of de in het
eerste lid bedoelde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
Ingevolge artikel 21, derde lid, van de Beroepswet is artikel 8:29,
derde lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing op het hoger
beroep.
De gemachtigde van gedaagde heeft tijdens de zitting van de Raad
medegedeeld dat tot de gedingstukken onder meer behoren een zogeheten
"vinkrapportage" van de Pakistaanse vertrouwensadvocaat,
opgenomen als gedingstuk B3, en een rapport van de Pakistaanse
vertrouwensadvocaat, gedateerd 12 januari 1997, met bijlagen, opgenomen
als gedingstuk I27 en gedingstuk I32, van welk laatste stuk de
Nederlandse vertaling is opgenomen als gedingstuk A16. Van de
gedingstukken B3 en A16 heeft appellant reeds kennis kunnen nemen. De
gemachtigde van gedaagde heeft ter zitting van de Raad verklaard dat
gedaagdes verzoek aan de Raad om beperking van de kennisneming in hoger
beroep gerechtvaardigd te achten, slechts betrekking heeft op de
handtekening en de daarbij geschreven aantekeningen welke voorkomen op
de onder gedingstuk I27 opgenomen akten. Gedaagde heeft zich ter
rechtvaardiging van dit verzoek ter zitting van de Raad beroepen op het
belang van bescherming van de bij het onderzoek betrokken personen, en
daarbij gewezen op de mogelijkheid dat deze personen, indien hun
identiteit achterhaald zou kunnen worden, aan repercussies worden
blootgesteld.
De Raad overweegt het volgende.
Naar het oordeel van de Raad rust, in geval van een verzoek als het
onderhavige, op gedaagde de last voldoende aannemelijk te maken dat de
betreffende personen daadwerkelijk gevaar te duchten hebben, en dat
aldus belang bestaat op bescherming van hen. Daarin is gedaagde niet
geslaagd. In hetgeen de gemachtigde van gedaagde ter zitting van de Raad
heeft aangevoerd, heeft de Raad geen concrete feiten of omstandigheden
aangetroffen die aanleiding konden geven voor het oordeel dat voormelde
situatie zich voordoet. Waar de Raad ook overigens in de stukken geen
aanknopingspunten heeft gevonden die aanleiding konden geven een belang
bij bescherming aanwezig te achten, dient gedaagdes verzoek te worden
afgewezen.
Uit het vorenstaande volgt dat de Raad beperking van de kennisneming van
de onder gedingstuk I27 opgenomen akten niet gerechtvaardigd acht. Dit
betekent dat deze stukken alsnog volledig aan appellant dienen te worden
toegezonden.
Ten slotte merkt de Raad nog op dat het originele rapport van de
vertrouwensadvocaat van 12 januari 1997, opgenomen onder gedingstuk I32,
eveneens aan appellant moet worden toegezonden.
Onder vermelding dat de behandeling van het hoger beroep op een nader te
bepalen datum zal worden voortgezet, beslist de Raad als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bepaalt dat beperking van de kennisneming van de akten, opgenomen onder
gedingstuk I27, niet gerechtvaardigd is.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van
Diepenbeek en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in
tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2002.
(get.) H.
van Leeuwen.
(get.) J.W.P.
van der Hoeven.
|
|