|
Uitspraak
00/693
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 7 april 1998 heeft gedaagde geweigerd kinderbijslag aan
appellant toe te kennen voor de kinderen [kind 1], geboren [in] 1982,
[kind 2], geboren [in] 1984 en [kind 3], geboren [in] 1990.
Bij besluit van 13 oktober 1998 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 7 april 1998 ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 16 december 1999 het
beroep tegen het besluit van 13 oktober 1998 ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. F.H. Bruggink, advocaat te Amsterdam, op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen die uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en bij brieven van 8 mei
2001, 14 juni 2001, 6 augustus 2001 en 9 augustus 2001 nadere
inlichtingen verstrekt.
Namens appellant is bij brieven van 23 juli 2001 en 1 februari 2002 een
reactie op de door gedaagde verstrekte inlichtingen ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad gehouden op 6 februari 2002. Beide partijen zijn daar na
voorafgaand bericht niet verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.
Appellant heeft op 1 oktober 1997 kinderbijslag aangevraagd voor de in
Pakistan wonende kinderen [kind 1], [kind 2] en [kind 3]. Bij brief van
14 oktober 1997 heeft gedaagde appellant bericht dat hij voor elk kind
een gelegaliseerd geboortebewijs en daarnaast een gelegaliseerde
huwelijksakte dient over te leggen. Aan appellant is daarna enkele malen
uitstel verleend voor het indienen van de gevraagde gegevens, waarna
gedaagde bij besluit van 7 april 1998 de aanvraag van appellant heeft
afgewezen. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat appellant niet heeft
voldaan aan de herhaalde verzoeken gelegaliseerde documenten over te
leggen, om welke reden het niet mogelijk is om het recht op
kinderbijslag van appellant te beoordelen.
In bezwaar heeft appellant onder meer aangevoerd dat hij bezwaar heeft
gemaakt tegen de weigering van de Minister van Buitenlandse Zaken om de
geboortebewijzen te legaliseren en daarbij heeft verzocht de beslissing
op dat bezwaar af te wachten. Op de hoorzitting op 15 september 1998 is
dat verzoek herhaald. Gedaagde heeft daarop het thans bestreden besluit
van 13 oktober 1998 afgegeven en dat doen steunen op de overweging dat
appellant nog steeds niet de gelegaliseerde geboortebewijzen van zijn
kinderen en een gelegaliseerde huwelijksakte heeft overgelegd, waardoor
het recht op kinderbijslag niet is vast te stellen. Het verzoek van
appellant om de behandeling van het bezwaar aan te houden tot is beslist
op zijn bezwaar tegen de weigering van de Minister van Buitenlandse
Zaken om de geboortebewijzen te legaliseren is afgewezen door gedaagde,
onder de overweging dat als laatstgenoemd bezwaar gegrond wordt
verklaard daarna alsnog de gehele legalisatieprocedure gevolgd zal
moeten worden.
In beroep bij de rechtbank is namens appellant aangevoerd dat de
beslissing op het bezwaarschrift ten onrechte niet is aangehouden in
afwachting van de bevindingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
De rechtbank heeft overwogen dat gedaagde op goede gronden de
aangevraagde kinderbijslag heeft geweigerd omdat appellant de op hem
rustende verplichting tot het overleggen van gelegaliseerde geboorte- en
huwelijksakten niet is nagekomen. Dat gedaagde gehouden was de uitkomst
van de bezwaarprocedure bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken af te
wachten vermocht de rechtbank niet in te zien, waarbij hetgeen gedaagde
dienaangaande in het bestreden besluit heeft overwogen is onderschreven.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de rechtbank ten
onrechte de gevolgen van het feit van algemene bekendheid, dat een
legalisatieprocedure een duur heeft die op geen enkele wijze
correspondeert met de wettelijke termijnen die zijn opgenomen in de
Algemene wet bestuursrecht (Awb), eenzijdig voor rekening en risico van
appellant heeft gelaten. Dit klemt temeer nu geen redelijk, rechtens te
respecteren, belang van gedaagde is gesteld, laat staan zwaarwegend
genoeg is bevonden, dat in de weg zou staan aan aanhouding van bezwaar
of beroep in afwachting van de uitkomst van de legalisatieprocedure.
Namens appellant is daarbij ook gewezen op het bepaalde in artikel 4:2,
tweede lid, van de Awb.
Bij het aanvullend beroepschrift heeft appellant gelegaliseerde
geboortebewijzen van zijn kinderen overgelegd. Gedaagde heeft daarop
medegedeeld het bestreden besluit te handhaven, nu appellant ten tijde
van het tot stand komen van dat besluit de vereiste gelegaliseerde akten
niet had overgelegd. Bij een door gedaagde ingezonden besluit van 22 mei
2001, waartegen door appellant bezwaar is gemaakt, heeft gedaagde
appellant kinderbijslag geweigerd over het vierde kwartaal van 1998 tot
en met het vierde kwartaal van 1999, omdat appellant geen gelegaliseerde
huwelijksakte heeft overgelegd.
De Raad overweegt als volgt.
Gedaagde heeft geweigerd aan appellant kinderbijslag toe te kennen omdat
het recht op kinderbijslag niet vastgesteld kon worden.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen in de uitspraak van 5 december 2001
(00/1449 AKW) moet deze weigering aldus worden verstaan dat geen recht
bestaat op kinderbijslag, omdat niet is komen vast te staan dat de
kinderen [kind 1], [kind 2] en [kind 3] eigen kinderen van appellant
zijn als bedoeld in artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat het aan
appellant is om de benodigde betrouwbare en valide documenten aan te
dragen met betrekking tot de status en afstamming van de kinderen. De
Raad stelt vast dat appellant inmiddels gelegaliseerde geboortebewijzen
van de kinderen heeft overgelegd, zodat het ontbreken van die documenten
hem niet langer kan worden tegengeworpen. Gedaagde heeft het bestreden
besluit echter ook doen steunen op de overweging dat appellant geen
gelegaliseerde huwelijksakte heeft overgelegd, welke akte ook thans nog
ontbreekt. Dit brengt de Raad tot het oordeel dat gedaagde zich terecht
op het standpunt heeft gesteld dat niet is komen vast te staan dat de
kinderen [kind 1], [kind 2] en [kind 3] eigen kinderen van appellant
zijn, als bedoeld in artikel 7 van de AKW, zodat gedaagde terecht heeft
geweigerd kinderbijslag voor deze kinderen aan appellant toe te kennen.
Ten aanzien van de weigering van gedaagde de behandeling van het bezwaar
aan te houden overweegt de Raad dat, ingevolge het bepaalde in artikel
30 van de AKW, het uitgangspunt is dat binnen een termijn van dertien
weken na ontvangst van het bezwaarschrift daarop door gedaagde wordt
beslist, welke termijn ingevolge artikel 7:10, derde lid, van de Awb,
met ten hoogste vier weken kan worden verlengd. Uit het bepaalde in
artikel 7:10, vierde lid, van de Awb leidt de Raad af dat gedaagde onder
de in dat artikellid genoemde voorwaarden bevoegd is de beslissing
verder uit te stellen. Er rust echter blijkens dat artikellid geenszins
een verplichting op gedaagde om een verzoek om aanhouding van de
behandeling van het bezwaarschrift te honoreren, zodat de Raad het
standpunt van gedaagde dienaangaande slechts marginaal kan toetsen. Nu
appellant reeds bij brief van 14 oktober 1997 op de hoogte is gebracht
van de documenten die hij moest overleggen, hem daarna meerdere malen
uitstel is verleend om aan die verplichting te voldoen en gedaagde eerst
op 13 oktober 1998 op het op 19 mei 1998 ingediende bezwaarschrift heeft
beslist, is de Raad van oordeel dat niet gezegd kan worden dat appellant
redelijkerwijs niet aan zijn verplichting heeft kunnen voldoen of dat
hem een onredelijk korte termijn is gegeven om de benodigde documenten
aan te dragen. Gedaagde heeft dan ook in redelijkheid kunnen besluiten
het verzoek om aanhouding van de behandeling van de bezwaarprocedure af
te wijzen.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de
aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een
proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb acht de
Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.
van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 maart
2002.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|