|
Uitspraak
00/528
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 8 december 1998 heeft appellant, na bezwaar, zijn
eerdere besluit van 18 augustus 1998 inhoudende weigering van
kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 1998 ten behoeve van de
kinderen [kind 1] en [kind 2], gehandhaafd.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 14 januari 2000 het
beroep tegen het besluit van 8 december 1998 niet-ontvankelijk verklaard
en daarbij appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
Appellant heeft op 24 januari 2000 tegen die uitspraak hoger beroep
ingesteld.
Namens gedaagde heeft mr. A. Kraag, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, een
verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 25 maart 2002, waar partijen - zoals tevoren bericht -
niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft op 24 juli 1998 kinderbijslag aangevraagd ten behoeve van
de kinderen [kind 1] en [kind 2], beiden kinderen van de zuster van
gedaagde, die na het overlijden van hun moeder op 26 mei 1998 bij
gedaagde zijn ondergebracht. Bij vonnis van 16 juni 1998 heeft de
president van de rechtbank in kort geding bepaald dat de kinderen
gedurende het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming bij
gedaagde worden geplaatst.
Voor een uitgebreide weergave van de overige relevante feiten verwijst
de Raad naar rubriek 2 van de uitspraak van de rechtbank.
Bij besluit van 18 augustus 1998 heeft appellant kinderbijslag geweigerd
vanaf het derde kwartaal van 1998 ten behoeve van die kinderen, omdat
zij niet als pleegkinderen kunnen worden aangemerkt aangezien gedaagde
niet de voogdes is van genoemde kinderen.
Bij besluit van 8 december 1998 heeft appellant, na bezwaar, het besluit
van 18 augustus 1998 gehandhaafd.
Tijdens de procedure bij de rechtbank heeft gedaagde bij brief van 25
augustus 1999 een beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage d.d.
7 mei 1999 overgelegd waarbij de voogdijbeschikking van de rechtbank
Rotterdam van 27 november 1998 is vernietigd en gedaagde is benoemd tot
voogdes over [kind 1].
In reactie op deze beschikking heeft appellant bij schrijven van 24
november 1999 de rechtbank verzocht het bestreden besluit gewijzigd te
lezen in die zin dat het kind [kind 1] vanaf 27 november 1998 alsnog als
een pleegkind van gedaagde wordt aangemerkt, waardoor gedaagde met
ingang van het eerste kwartaal 1999 in aanmerking kan komen voor
kinderbijslag ten behoeve van dat kind.
Appellant heeft de rechtbank tevens verzocht om bij een
gegrondverklaring van het beroep niet tot een proceskostenveroordeling
over te gaan omdat de voogdijbeschikkingen eerst tijdens de
beroepsprocedure zijn overgelegd.
Bij brief van 7 december 1999 heeft de gemachtigde van gedaagde aan de
rechtbank medegedeeld dat gedaagde zich kan verenigen met de door
appellant genoemde aanpassingen in de beslissing op bezwaar, waardoor
zij met ingang van het eerste kwartaal van 1999 in aanmerking komt voor
kinderbijslag ten behoeve van het kind [kind 1].
In de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder en gedaagde
als eiseres zijn aangeduid, heeft de rechtbank het volgende overwogen:
"De rechtbank willigt het verzoek van verweerder om het bestreden
besluit gewijzigd te lezen niet in. Van een verbetering van het
bestreden besluit bij de brief van 29 november 1999 vanwege een
kennelijke misslag is immers geen sprake. Wel beschouwt zij deze brief
in te houden een wijziging van het bestreden besluit als bedoeld in
artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in
dier voege dat eiseres met ingang van het eerste kwartaal 1999 in
aanmerking komt voor kinderbijslag ten behoeve van [kind 1].
Gelet op de brief van de gemachtigde van eiseres van 7 december 1999
gaat de rechtbank er in deze procedure van uit dat verweerder met deze
wijziging geheel aan het beroep van eiseres tegemoet komt. Gelet op
artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, wordt het beroep derhalve geacht
niet mede gericht te zijn tegen meerbedoelde wijziging.
Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat
eiseres geen (proces)belang meer heeft bij een beoordeling van de
rechtmatigheid van het bestreden besluit. Een zodanig belang is blijkens
vaste jurisprudentie ook niet gelegen in het verkrijgen van een
proceskostenveroordeling. Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de
Awb kan immers een partij ook zonder vernietiging van het bestreden
besluit tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld. Het
beroep van eiseres is al met al niet-ontvankelijk.
De rechtbank ziet in dit geval voldoende aanleiding verweerder tot de
redelijkerwijs gemaakte proceskosten van eiseres te veroordelen. Uit het
bestreden besluit en de overige gedingstukken komt naar voren dat
verweerder op de hoogte geacht kon worden te zijn van de lopende en
inmiddels besliste voogdijprocedure."
Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de door de rechtbank
uitgesproken proceskostenveroordeling.
De Raad overweegt als volgt.
Gegeven de datum van het van belang zijnde primaire besluit, 18 augustus
1998, kan het onderhavige geding geen betrekking hebben op latere
aanspraken dan die over het derde kwartaal van 1998. Dit betekent dat de
brief van appellant van 24 november 1999, waarin appellant stelt dat
gedaagde in aanmerking kan komen voor kinderbijslag voor [kind 1] met
ingang van het eerste kwartaal van 1999, buiten de grondslag en
reikwijdte van het bestreden besluit valt en derhalve niet kan worden
aangemerkt als een besluit waarbij het bestreden besluit wordt gewijzigd
als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid van de Awb. Aangezien de
gemachtigde van gedaagde bij brief van 7 december 1999 heeft aangegeven
dat gedaagde zich kan verenigen met de door appellant beoogde wijziging
van het bestreden besluit in die zin dat gedaagde met ingang van het
eerste kwartaal van 1999 in aanmerking komt voor kinderbijslag ten
behoeve van [kind 1], bestaat er in zoverre geen geschil meer tussen
partijen met betrekking tot de weigering van kinderbijslag over het in
geding zijnde derde kwartaal van 1998. De rechtbank heeft dan ook
terecht - zij het op enigszins andere gronden - het beroep
niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van enig belang van
gedaagde bij een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit.
In aanmerking genomen dat gedaagde wat betreft de weigering van
kinderbijslag over het in geding zijnde derde kwartaal van 1998 niet in
het gelijk is gesteld bestaat er geen aanleiding voor de door de
rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling en kan deze veroordeling
niet in stand worden gelaten, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre
dient te worden vernietigd.
Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep acht de Raad ten
slotte geen termen aanwezig.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover appellant is veroordeeld
in de proceskosten van gedaagde;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr.
M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 april
2002.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|