|
Uitspraak
99/5657
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 27 maart 1997 heeft gedaagde - onder meer - aan appellant
medegedeeld dat niet aan zijn verzoek, om de kinderbijslag ingevolge de
Algemene Kinderbijslagwet (AKW) over het derde kwartaal van 1993 opnieuw
aan hem uit te betalen, wordt voldaan.
Bij beslissing op bezwaar van 12 februari 1998 (hierna: het bestreden
besluit) heeft gedaagde het op 25 juni 1997 gedateerde en op 8 juli 1997
ontvangen bezwaar van appellant tegen de brief van 27 maart 1997
niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 19 oktober 1999 het tegen
het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
beroepschrift aangevoerde gronden.
Bij uitspraak van 5 juli 2000 heeft de Raad het hoger beroep van
appellant niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht door
appellant niet binnen de daartoe gestelde termijn is betaald.
Het door appellant tegen die uitspraak ingestelde verzet is bij
uitspraak van de Raad van 6 april 2001 gegrond verklaard, overwegende
dat niet kan worden gezegd dat in redelijkheid geen twijfel mogelijk is
over de vraag of appellant in zijn hoger beroep kan worden ontvangen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft zijn standpunt nog nader toegelicht bij brief van 9
februari 2002.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 maart
2002, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind, werkzaam bij de Sociale
Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant heeft op 2 augustus 1993 een aanvraag om kinderbijslag
ingediend bij gedaagde voor zeven in Marokko verblijvende kinderen.
Daarbij heeft hij verzocht de kinderbijslag over te maken op
bankrekeningnummer [...] bij de Banque Populaire te Taza. Vervolgens
heeft gedaagde in oktober 1994 een door appellant ondertekend formulier
"Wijzigingen kinderbijslag" ontvangen waarop is medegedeeld
dat het bankrekeningnummer is gewijzigd in nr. [...] bij de Banque
Commerciale te Guercif ten name van zijn echtgenote [echtgenote].
Gedaagde heeft de aan appellant toegekende kinderbijslag over het derde
kwartaal van 1993 op 24 april 1995 overgemaakt op laatstgenoemde
bankrekening. Appellant heeft bij brief van 20 april 1995 - onder meer -
aan gedaagde medegedeeld dat zijn bankrekening is gewijzigd in nr. [...] bij de Banque Populaire, agence de [woonplaats]. Vervolgens heeft
appellant bij schrijven van 11 april 1996 aan gedaagde bericht dat het
bedrag aan kinderbijslag ad f 3.426,- is overgemaakt op
bankrekeningnummer [...] ten name van zijn broer, daarom heeft hij
verzocht de kinderbijslag alsnog aan hem over te maken. Dit verzoek
heeft appellant nadien nog enige keren herhaald.
Bij brief van 27 maart 1997 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat
niet voldaan kan worden aan zijn verzoek de kinderbijslag over het derde
kwartaal van 1993 alsnog uit te betalen. Appellant heeft bij brief
gedateerd 25 juni 1997, door gedaagde ontvangen op 8 juli 1997, bezwaar
gemaakt tegen de brief van 27 maart 1997. Bij het bestreden besluit
heeft gedaagde dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief
van 27 maart 1997 geen besluit in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) is. De rechtbank heeft dit oordeel bij de
aangevallen uitspraak onderschreven.
Nadat door appellant tegen die uitspraak hoger beroep was ingesteld
heeft de griffier appellant bij brieven van 14 februari 2000 en 13 maart
2000 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van f 170,-,
waarbij in laatstgenoemde brief is medegedeeld dat het griffierecht
binnen vier weken na dagtekening dient te zijn bijgeschreven, dan wel
ter griffie van de Raad te zijn gestort en dat bij overschrijding van de
genoemde termijn ermee rekening moet worden gehouden dat het hoger
beroep niet-ontvankelijk verklaard zal worden.
Bij brief van 2 maart 2000, ter griffie van de Raad ontvangen op 16
maart 2000, heeft appellant in verband met zijn financieel onvermogen
verzocht om vrijstelling van het verschuldigde griffierecht. Daarop
heeft de griffier bij brief van 22 maart 2000 aan appellant medegedeeld
dat geen vrijstelling of vermindering van betaling van het griffierecht
kan worden verleend en is hem medegedeeld dat het griffierecht binnen
vier weken na 13 maart 2000 dient te zijn voldaan.
Blijkens de gedingstukken heeft appellant op 14 april 2000 opdracht
gegeven het verschuldigde griffierecht over te maken, waarna het op of
omstreeks 1 mei 2000 op de rekening van de Raad is bijgeschreven.
De Raad stelt allereerst vast dat appellant het griffierecht niet binnen
de daartoe gestelde termijn heeft betaald en derhalve op grond van
artikel 6:11 van de Awb slechts in zijn hoger beroep kan worden
ontvangen indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in
verzuim is geweest. Mede gelet op het in artikel 6, eerste lid, van het
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM) neergelegde recht op toegang tot de rechter is de Raad
van oordeel dat in gevallen - als het onderhavige - waarin de betrokkene
zich binnen de gestelde termijn voor betaling van het griffierecht
beroept op betalingsonmacht, betrokkene enig uitstel voor de
verplichting tot betaling dient te worden verleend, aangezien anders
voor de betrokkene onder omstandigheden mogelijk sprake kan zijn van een
rechtens niet aanvaardbare beperking van het recht op toegang tot de
rechter.
Nu appellant het griffierecht alsnog heeft betaald binnen de termijn die
hem redelijkerwijs na de ontvangst van zijn brief op 16 maart 2000
gesteld had dienen te worden, is de Raad van oordeel dat redelijkerwijs
niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest, zodat
hij in zijn hoger beroep kan worden ontvangen.
Vervolgens dient de Raad te beoordelen of gedaagde terecht heeft
geoordeeld dat zijn schriftelijke beslissing, vermeld in de brief van 27
maart 1997, dat de aan appellant verschuldigde kinderbijslag over het
derde kwartaal van 1993 niet opnieuw aan hem zal worden betaald, geen
besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
De Raad acht in dit verband allereerst van belang dat op grond van
artikel 30 van de AKW, zoals dat artikel luidde tot 1 januari 1994,
beslissingen welke verband houden met het recht op of de uitbetaling van
kinderbijslag voor beroep vatbare beslissingen waren en dat niet is
gebleken dat met de invoering van de Awb is beoogd wijziging te brengen
in deze situatie. Voorts wijst de Raad erop dat artikel 18 van de AKW
voorschriften bevat met betrekking tot de betaling van kinderbijslag,
waarbij onder meer is geregeld binnen welke termijn kinderbijslag moet
worden betaald en aan welke persoon of personen. Ten aanzien van
Marokkaanse werknemers wier kinderen in Marokko verblijven is ten slotte
in artikel 26 van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het
Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko bepaald dat de
kinderbijslag rechtstreeks uitbetaald dient te worden aan degene die in
Marokko met de zorg voor de kinderen is belast.
De Raad is in het verlengde van zijn uitspraak van 27 december 2000
(gepubliceerd in JB 2001/41), van oordeel dat een beslissing als de
onderhavige welke betrekking heeft op de betaling van kinderbijslag aan
de rechthebbende zozeer verband houdt met de in de AKW en in voornoemd
Verdrag geregelde aanspraak van een verzekerde op uitkering dat aan die
beslissing het besluitkarakter niet kan worden ontzegd.
Het hiervoor overwogene leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking
komen. Gedaagde zal met inachtneming van het hiervoor overwogene een
nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen. De Raad merkt in dit
verband nog op dat appellant het bezwaar tegen het besluit van 27 maart
1997 weliswaar niet heeft ingesteld binnen de daartoe gestelde termijn
van zes weken, maar dat zulks - naar het zich laat aanzien - appellant
niet kan worden verweten nu gedaagde in dat besluit geen bezwaarclausule
heeft vermeld, en bij appellant onduidelijkheid kan bestaan omtrent het
besluitkarakter van de brief van 27 maart 1997 en de tegen dat besluit
openstaande rechtsmiddelen.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten, nu van voor
vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op artikel 25, eerste lid
van de Beroepswet, stelt de Raad vast dat gedaagde aan appellant het in
eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal €
102,10 (voorheen f 225,-) dient te vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit alsnog
gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming
van het hiervoor overwogene;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het betaalde recht van € 102,10
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr.
M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17
april 2002.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|