|
Uitspraak
00/1212
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 23 september 1997 heeft gedaagde geweigerd aan appellant
over het tweede en derde kwartaal van 1997 kinderbijslag ten behoeve van
zijn zoon [A.] toe te kennen.
Het bezwaar dat appellant tegen dat besluit heeft gemaakt, heeft
gedaagde bij het bestreden besluit van 8 januari 1998 kennelijk
ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 24 januari 2000 het
namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Op de in een aanvullend beroepschrift vermelde gronden heeft appellant
bij gemachtigde mr. M. Kaouass, advocaat te Amsterdam, tegen
bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desverzocht bij brief van
27 september 2001 nadere inlichtingen verstrekt.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 9 januari 2002, waar partijen - na voorafgaand
schriftelijk bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Op of omstreeks 3 maart 1997 heeft gedaagde appellant verzocht gegevens
te verschaffen ter vaststelling van het recht op kinderbijslag ten
behoeve van zijn zoon [A.]. Gedaagde heeft daarop een "bewijs van
studie" (formulier MN 402) op 25 maart 1997 terugontvangen, dat op
17 maart 1997 was ingevuld en ondertekend door het hoofd van de
betreffende onderwijsinstelling. In het door gedaagde in eerste aanleg
ingediende verweerschrift is gesteld dat gedaagde gelijktijdig met deze
schoolverklaring een onderhoudsverklaring aan appellant heeft
toegezonden.
Bij brief van 24 april 1997 heeft gedaagde aan appellant met betrekking
tot bedoelde onderhoudsverklaring onder meer het volgende bericht:
"Nous vous avons récemment envoyé un formulaire en vous priant de
nous le retourner rempli et signé dans un délai de 8 semaines.
Ce formulaire portait sur votre participation aux frais d'entretien de
[A.] née le 16.02.1981. Il nous a été retourné, mais certains
renseignements ne sont pas complets ou sont incorrects. Nous vous
envoyons par conséquent un nouvel exemplaire de ce formulaire, en vous
priant de nous le retourner dûment rempli.
Vous n'avez pas donné suite à cette demande.
Vous trouverez ci-joint un nouvel exemplaire de ce formulaire, que vous
devrez nous retourner dûment rempli et signé dans un délai de quatre
semaines après la date de la présente".
De Raad leidt uit de inhoud van deze brief af dat gedaagde ervan uit
gaat dat naast bovengenoemd "bewijs van studie" (formulier MN
402) tevens een formulier inhoudend een onderhoudsverklaring door
appellant aan gedaagde is teruggezonden, hoewel gedaagde een dergelijke
onderhoudsverklaring niet (noch het door appellant gedeeltelijk
ingevulde exemplaar noch een ander specimen van dit formulier) als een
op de zaak betrekkelijk stuk heeft ingezonden. Omdat deze
onderhoudsverklaring naar het oordeel van gedaagde niet volledig of niet
juist was ingevuld, heeft gedaagde - zo leidt de Raad uit genoemde brief
af - aan appellant een nieuw formulier toegezonden met het verzoek dit
correct ingevuld terug te zenden; de brief waarmee het onvolledig
ingevulde formulier aan appellant is geretourneerd, bevindt zich evenmin
onder de gedingstukken.
Daarna heeft gedaagde mogelijk - de tekst van de hierboven aangehaalde
brief is op dit punt niet geheel duidelijk - appellant wederom het
betreffende formulier toegezonden met het verzoek dit correct ingevuld
en ondertekend terug te zenden.
De Raad wijst er in dit verband nog op dat een niet geheel juiste
vertaling van deze brief door gedaagde aan de rechtbank is overgelegd;
in die vertaling wordt namelijk gesteld dat gedaagde het betreffende
formulier niet van appellant retour heeft ontvangen.
Gedaagde heeft geen reactie van appellant op meergenoemde brief van 24
april 1997 ontvangen. Deze brief is - naar door appellant onweersproken
is gesteld - door gedaagde niet aangetekend verzonden.
Gedaagde heeft hierop bij besluit van 23 september 1997 geweigerd
kinderbijslag over het tweede en derde kwartaal van 1997 toe te kennen
op de grond dat appellant niet de voor het vaststellen van het recht op
kinderbijslag benodigde gegevens had verstrekt en het derhalve
onmogelijk was zijn rechten vast te stellen. Het door appellant tegen
dat besluit gemaakt bezwaar is bij het bestreden besluit kennelijk
ongegrond verklaard; in dat besluit staat vermeld dat dit is gebaseerd
op artikel 17 van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
Appellant heeft in beroep onder meer gesteld dat hij noch een
afzonderlijke onderhoudsverklaring naast het formulier MN 402 noch de
brief van 24 april 1997 heeft ontvangen. De rechtbank heeft dit beroep
ongegrond verklaard onder overweging van het navolgende:
"Blijkens artikel 11, lid 2, van de AKW, dient de kinderbijslag per
kwartaal te worden vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat uit het
systeem van de AKW, zoals dat luidde ten tijde als hier van belang
voortvloeit dat verweerder indien het recht op kinderbijslag niet kan
worden vastgesteld, kinderbijslag kan weigeren.
Gelet op het ontbreken van een onderhoudsverklaring over de betreffende
kwartalen kon verweerder het recht van eiser op kinderbijslag over het
tweede en derde kwartaal van 1997 niet vaststellen, en kon hij dan ook
bepalen dat eiser geen recht heeft op kinderbijslag over deze
kwartalen."
In hoger beroep heeft appellant staande gehouden dat hij slechts het
formulier MN 402 van gedaagde heeft ontvangen en dat hij voorts de brief
van 24 april 1997 niet heeft ontvangen.
De Raad zal in dit geding eerst de vraag beantwoorden of het bestreden
besluit kan worden gedragen door de in dat besluit vermelde grondslag,
artikel 17 van de AKW. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.
Ingevolge het bepaalde in artikel 17, eerste lid, van de AKW weigert
gedaagde onder meer de kinderbijslag tijdelijk of blijvend, geheel of
gedeeltelijk, indien een verzekerde een verplichting op grond van
artikel 16 van de AKW opgelegd niet of niet behoorlijk is nagekomen dan
wel de verplichting bedoeld in artikel 15 niet binnen de door gedaagde
gestelde termijn is nagekomen.
Klaarblijkelijk heeft gedaagde bij het nemen van het besluit het oog
gehad op een overtreding van de op grond van artikel 16 van de AKW door
gedaagde vastgestelde Controlevoorschriften AKW, en wel in het bijzonder
op artikel 5 van die voorschriften. Dit laatste voorschrift verplicht
een verzekerde binnen de door gedaagde gestelde termijn met
gebruikmaking van de door gedaagde ter beschikking gestelde formulieren
informatie welke van belang kan zijn voor het recht op of de hoogte van
de kinderbijslag, te verstrekken.
Bij de beantwoording van de hiervoor geformuleerde vraag stelt de Raad
voorop dat in het geval van een besluit tot het opleggen van een voor
een verzekerde belastende maatregel als de onderhavige een
bestuursorgaan ervoor zorg dient te dragen dat het een verzekerde
verweten handelen of nalaten in voldoende mate vaststaat. Naar het
oordeel van de Raad is echter onder de hiervoor geschetste
omstandigheden in rechte onvoldoende komen vast te staan dat appellant
genoemd controlevoorschrift heeft overtreden. In dit geding is namelijk
onvoldoende gebleken dat appellant een afzonderlijke
onderhoudsverklaring heeft ontvangen en vervolgens niet aan gedaagde
heeft teruggezonden, dan wel dat hij deze wel heeft ontvangen, maar
onvolledig ingevuld heeft teruggezonden. Eveneens is onvoldoende
gebleken dat appellant ter zake een rappel heeft ontvangen.
Gedaagde heeft immers zowel nagelaten een door appellant onvolledig
ingevuld exemplaar van het betreffende formulier in het geding te
brengen als onvoldoende aannemelijk gemaakt - bijvoorbeeld door middel
van een bewijs van aangetekende verzending van het rappel - dat
appellant een dergelijke onderhoudsverklaring (opnieuw) heeft ontvangen,
maar (ook na een rappel) niet heeft terugzonden. Daarbij komt nog -
zoals hiervoor reeds is geconstateerd - dat de hiervoor gedeeltelijk
weergegeven rappelbrief van 24 april 1997 niet geheel eenduidig is.
De Raad voegt hier nog aan toe dat, zo in dit geding wel was komen vast
te staan dat appellant de hiervoor vermelde verplichting had geschonden
en het in het bestreden besluit genoemde artikel 17 van de AKW
toepassing had dienen te vinden, zulks had dienen te leiden tot het
nemen van een maatregel overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van het
Maatregelbesluit AKW, welke artikelen geen grondslag bieden voor een
algehele weigering van kinderbijslag.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit niet kan
worden gebaseerd op het in dat besluit vermelde artikel 17 van de van de
AKW.
Vervolgens zal de Raad de vraag onder ogen zien of artikel 14a, eerste
lid, aanhef en onder c, van de AKW een wettelijke grondslag biedt voor
het bestreden besluit.
In zijn brief van 11 maart 1999 heeft gedaagde de grondslag van het
bestreden besluit nader toegelicht en heeft gedaagde zich kennelijk op
het standpunt gesteld dat het bestreden besluit geacht moet worden te
zijn gebaseerd op artikel 14a van de AKW. Ter zitting van de rechtbank
heeft de gemachtigde van gedaagde dit standpunt nader gepreciseerd en
gesteld dat het bestreden besluit wellicht kan worden gebaseerd op
artikel 14a, eerste lid, aanhef en onder c.
In laatstgenoemd artikellid is onder meer bepaald dat gedaagde een
besluit tot toekenning van kinderbijslag herziet, indien het niet of
niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 16 van
de AKW ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op
kinderbijslag bestaat. Naar het oordeel van de Raad vormt ook deze
bepaling geen houdbare juridische grondslag van het bestreden besluit.
Daartoe constateert de Raad allereerst dat uit het hiervoor overwogene
voortvloeit dat in dit geding onvoldoende is komen vast te staan dat
appellant een verplichting op grond van artikel 16 van de AKW niet is
nagekomen, zodat reeds om die reden artikel 14a, eerste lid, aanhef en
onder c, in het onderhavige geval niet van toepassing is. Daarbij komt
nog dat in het onderhavige geval geen sprake is van het (achteraf)
intrekken van reeds toegekende kinderbijslag over de betreffende
kwartalen zoals dit wetsartikel vereist, maar, zoals het bestreden
besluit uitdrukkelijk vermeldt, van de weigering tot toekenning van (nog
niet uitbetaalde) kinderbijslag over het tweede en derde kwartaal van
1997.
Ten slotte overweegt de Raad nog de hierboven aangehaalde overweging van
de rechtbank niet te kunnen onderschrijven, nu het systeem van
kwartaalsgewijze vaststelling van de aanspraak op kinderbijslag
overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de AKW niet bepalend is
voor de vraag hoe het bestuursorgaan dient te handelen, indien de van
een verzekerde verlangde informatie niet wordt verkregen.
Het vorenstaande betekent dat wegens strijd met bovengenoemde wettelijke
bepalingen het bestreden besluit evenals de aangevallen uitspraak,
waarbij dat besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking
komen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende
rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende
rechtsbijstand in hoger beroep.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het in eerste aanleg ingestelde beroep alsnog gegrond en
vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming
van het in deze uitspraak overwogene;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg
tot een bedrag groot € 322,- en in hoger beroep tot een bedrag groot
€ 322,-, te betalen door de Sociale Verzekeringsbank ;
Bepaalt dat de Sociale Verzekeringsbank aan het appellant het gestorte
recht van in het totaal € 102,12 (voorheen f 225, -) dient te
vergoeden.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. N.J. Haverkamp als leden in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 februari
2002.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|