|
Uitspraak
00/135
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 8 september 1997 heeft gedaagde vastgesteld dat
appellant over het vierde kwartaal van 1995 tot en met het tweede
kwartaal van 1997 geen recht op kinderbijslag ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) heeft ten behoeve van het kind [kind], geboren
[in] 1982.
Bij brief van 7 oktober 1997 heeft mr. A.P. Flinterman, advocaat te
Woerden, namens appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Gedaagde heeft bij besluit van 13 maart 1998 dit bezwaar ongegrond
verklaard.
De rechtbank Utrecht heeft het door de gemachtigde van appellant bij
beroepschrift van 31 maart 1998 ingestelde beroep tegen het besluit van
13 maart 1998 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 30
november 1999 ongegrond verklaard.
De gemachtigde, voornoemd, heeft op bij beroepschrift van 10 januari
2000 aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft bij brief van 12 mei 2000 - onder overlegging van een
bijlage - een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 maart 2002, waar
appellant - met kennisgeving - niet is verschenen en waar namens
gedaagde is verschenen mr. G. van der Schuur, werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak en de overige gedingstukken ontleent de
Raad de volgende voor zijn oordeelsvorming in dit geding van belang
zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant heeft een op 27 december 1996 gedateerde aanvraag om
kinderbijslag bij gedaagde ingediend ten behoeve van het kind [kind],
geboren op [in] 1982. Bij brief van 1 april 1997 heeft gedaagde
appellant verzocht een originele gelegaliseerde geboorteakte van dit
kind over te leggen. Bij besluit van 9 januari 1997 heeft de Ambassade
van het Koninkrijk der Nederlanden te Accra in Ghana geweigerd de door
appellant aangeboden geboorteakte met het nummer 65645 met
registratiedatum 20 februari 1996 te legaliseren. De Minister van
Buitenlandse Zaken heeft bij besluit van 20 juni 1997 het door appellant
tegen het besluit van 9 januari 1997 gemaakte bezwaar ongegrond
verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep heeft de rechtbank bij
uitspraak van 1 september 1999 ongegrond verklaard. In een overweging
ten overvloede heeft de rechtbank voorts geoordeeld dat legalisatie en
verificatie van een tweede door appellant overgelegde geboorteakte met
het nummer 87442 en gedateerd 7 februari 1997, niet plaats zal kunnen
vinden.
Bij het primaire besluit heeft gedaagde overwogen op 9 juli 1997 een
laatste rappelbrief met betrekking tot het overleggen van een
gelegaliseerde geboorteakte aan appellant gestuurd te hebben en deze
akte binnen de gestelde termijn van 4 weken niet te hebben ontvangen.
Het recht op kinderbijslag heeft gedaagde vervolgens afgewezen omdat
appellant geen redelijke medewerking heeft verleend aan het onderzoek.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde daarentegen naar aanleiding van
het ontbreken van bedoelde akte overwogen dat niet kan worden
vastgesteld of [kind] een eigen kind van appellant is en dat er om die
reden over de betreffende periode geen recht op kinderbijslag voor
[kind] bestaat. Subsidiair heeft gedaagde gesteld dat appellant, met
uitzondering van het vierde kwartaal van 1996 en het eerste kwartaal van
1997, niet heeft aangetoond dat hij [kind] in belangrijke mate heeft
onderhouden.
In beroep heeft de gemachtigde van appellant gesteld dat met de beide
overgelegde geboorteakten is aangetoond dat er een familierechtelijke
relatie bestaat tussen appellant en [kind].
Ter zake van een en ander heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak
het volgende overwogen:
"Gelet hierop neemt de rechtbank als vaststaand aan dat de beide
door eiser overgelegde geboorteakten niet zijn gelegaliseerd (en niet
inhoudelijk zijn geverifieerd). Tussen partijen bestaat hieromtrent ook
geen verschil van mening. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat
zulks de weigering van kinderbijslag rechtvaardigt nu het voor de
uitvoering van de AKW van essentieel belang moet worden geacht dat een
belanghebbende verzekerde, desverlangd, betrouwbare en valide documenten
verstrekt terzake van het bestaan en de afstamming van de kinderen voor
wie hij aanspraak maakt op kinderbijslag.
Overigens volgt verweerder met betrekking tot de waardering van
buitenlandse brondocumenten, na vaststelling van de desbetreffende
beleidsregels door verweerder op 25 oktober 1996, het beleid van de
Staatssecretaris van Justitie zoals dat wordt voorgeschreven aan de
ambtenaren van de burgerlijke stand en de gemeentelijke
basisadministratie, welk beleid is neergelegd in de circulaire van 8 mei
1996, kenmerk 555949/96/6.
Blijkens deze circulaire dient als hoofdregel te gelden dat de herkomst
van een buitenlands stuk betreffende de staat van een persoon dient te
worden gecontroleerd door middel van legalisatie. Uit deze circulaire
blijkt tevens dat een vijftal landen waaronder Ghana, is aangewezen als
probleemland. Stukken afkomstig uit deze landen dienen niet te worden
aanvaard, indien deze naast de legalisatie niet inhoudelijk zijn
geverifieerd door de daartoe bevoegde Nederlandse diplomatieke of
consulaire Vertegenwoordiging.
Gelet op het vorenstaande en op het - blijkens de officiλle mededeling
van 7 maart 1996 van het ministerie van Buitenlandse Zaken - met name in
de probleemlanden frequent voorkomen van fraude met documenten welke
worden overgelegd ter opname in de administratie, is de rechtbank van
oordeel dat verweerder met dit beleid blijft binnen de grenzen van een
redelijke beleidsbepaling.
In hetgeen eisers gemachtigde heeft gesteld te weten dat met twee
geboorteakten is aangetoond dat een familierechtelijke relatie tussen
eiser en zijn z[kind] bestaat, acht de rechtbank onvoldoende aanleiding
gelegen om tot een ander oordeel te komen."
In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep in eerste aanleg
voorgedragen standpunt in essentie herhaald.
De Raad onderschrijft de hiervoor weergegeven overwegingen van de
rechtbank geheel en voegt daar nog aan toe dat de gemachtigde van
gedaagde ter zitting heeft gesteld dat het bestreden besluit in zoverre
een correctie inhoudt van het primaire besluit dat is vastgesteld dat
bij gebreke van een gelegaliseerde geboorteakte niet kan worden
vastgesteld of in dit geval sprake is van een eigen kind van appellant,
zodat appellant ingevolge artikel 7, eerste lid, van de AKW geen recht
op kinderbijslag ten behoeve van [kind] heeft. De volgens dit standpunt
in het bestreden besluit doorgevoerde correctie acht de Raad onder
verwijzing naar zijn uitspraak van 5 december 2001 (USZ 2002,53) juist.
Voorts neemt de Raad ter kennis dat namens gedaagde ter zitting nogmaals
is herhaald dat, zoals van die zijde ter zitting van de rechtbank van 3
november 1999 reeds was opgemerkt, het bestreden besluit, anders dan de
vermelding daarin van onder meer het Ghanabesluit (Stcrt. 1996,115) doet
vermoeden, niet ook op dit besluit berust.
Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in rechte
standhoudt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere
partij ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B.
van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 april
2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|