|
Uitspraak
00/6182
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 18 mei 1998 heeft gedaagde geweigerd aan appellant over
het vierde kwartaal van 1994 tot en met het eerste kwartaal van 1998
kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen
ten behoeve van zeven kinderen.
Bij beslissing op bezwaar van 21 juli 1999, hierna: het bestreden
besluit, is het bezwaar tegen het besluit van 18 mei 1998 - onder meer -
gegrond verklaard wat betreft de aanspraak op kinderbijslag voor vier
kinderen over het vierde kwartaal van 1994, het derde kwartaal van 1995
en het eerste kwartaal van 1997 tot en met het eerste kwartaal van 1998
en voor één kind over het vierde kwartaal van 1994, het derde kwartaal
van 1995, het vierde kwartaal van 1997 en het eerste kwartaal van 1998.
Voor wat betreft de aanspraak op kinderbijslag voor de overige kinderen
en de overige kwartalen is het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank ´s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 24 oktober 2000
het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. W.A. Braams, advocaat te Helmond, van die
uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend beroepschrift, met
bijlagen, aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter
zitting van de Raad, gehouden op 10 april 2002, waar appellant in
persoon is verschenen bijgestaan door mr. Braams, voornoemd, en waar
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal,
werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant, geboren in 1956, is in 1975 in Marokko gehuwd met [vrouw 1].
Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen geboren: [kind 1], [in] 1976,
[kind 2] [in] 1978, [kind 3] [in] 1980, [kind 4] [in] 1982 en [kind 5]
[in] 1988. Mevrouw [vrouw 1] is in [ ] 1988 in Marokko overleden.
In april 1989 is appellant in Marokko gehuwd met vrouw 2], uit welk
huwelijk [in] 1990 is geboren [kind 6] en [in] 1991 [kind 7]. Mevrouw
[vrouw 2] heeft vanaf het huwelijk samen met de moeder van appellant,
[moeder], in een woning in Marokko gewoond. Ook de vijf kinderen uit het
eerste huwelijk van appellant, die na het overlijden van hun moeder door
[moeder] zijn verzorgd, woonden in die woning. Op 28 juni 1996 is
appellant naar Marokkaans recht gescheiden van [vrouw 2], waarna hij op
2 oktober 1997 is gehuwd met [vrouw 3].
Appellant heeft in december 1997 aan gedaagde verzocht hem kinderbijslag
toe te kennen vanaf het vierde kwartaal van 1994 voor de in Marokko
verblijvende kinderen [kind 1], [kind 2], [kind 3], [kind 4], [kind 5],
[kind 6] en [kind 7]. Gedaagde heeft vervolgens aan appellant verzocht
diverse gegevens te verstrekken, waaronder attestaties da vita en
betaalbewijzen. Verder zijn aan appellant onderhouds- en
schoolverklaringen voor de kinderen [kind 1], [kind 2] en [kind 3]
gezonden met het verzoek deze ingevuld te retourneren.
Bij besluit van 18 mei 1998 heeft gedaagde geweigerd kinderbijslag aan
appellant toe te kennen over het vierde kwartaal van 1994 tot en met het
eerste kwartaal van 1998 voor de genoemde zeven kinderen. Daarbij is
onder meer overwogen dat de gevraagde attestaties da vita niet zijn
ontvangen, zodat de kinderen niet recent zijn geverifieerd, en dat de
schoolverklaringen ontbreken dan wel onvolledig ingevuld zijn
geretourneerd, waardoor niet kan worden vastgesteld of de drie oudste
kinderen als onderwijs volgend waren aan te merken. Ten slotte heeft
gedaagde overwogen dat appellant niet heeft aangetoond de zeven kinderen
in belangrijke mate te hebben onderhouden.
Namens appellant zijn in de bezwaarprocedure alsnog attestaties da vita,
betaalbewijzen en schoolverklaringen over het schooljaar 1997/1998
overgelegd. Schoolverklaringen over de daaraan voorafgaande jaren heeft
appellant niet opnieuw kunnen verkrijgen. Daarbij heeft appellant erop
gewezen dat namens hem al eerder originele schoolverklaringen aan
gedaagde waren verzonden.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde overwogen dat appellant heeft
aangetoond dat de zeven genoemde kinderen waarvoor kinderbijslag is
aangevraagd in leven zijnde wettige kinderen van hem zijn. Verder heeft
gedaagde overwogen dat over de studiejaren 1994/1995, 1995/1996 en
1996/1997 geen, niet volledig ingevulde of kopieën van
schoolverklaringen zijn ingezonden, zodat op grond van die gegevens niet
vastgesteld kan worden dat de kinderen [kind 1], [kind 2], en [kind 3]
gedurende die jaren onderwijs of een beroepsopleiding volgden. Dit
betekent dat voor hen vanaf het bereiken van de leeftijd van 16 jaar
geen aanspraak bestaat op kinderbijslag. Daarbij heeft gedaagde
overwogen dat voor [kind 1] en [kind 2] vanaf respectievelijk het eerste
kwartaal van 1996 en het eerste kwartaal van 1997 geen recht op
kinderbijslag bestaat, omdat zij toen de leeftijd van 18 jaar hadden
bereikt en op grond van de overgangsbepalingen, genoemd in artikel XII
van de Wet van 21 december 1995 (Stb. 691), geen verdere aanspraak op
kinderbijslag hadden, [kind 1] omdat hij over het vierde kwartaal van
1995 geen recht had op kinderbijslag en [kind 2] omdat hij op 30
september 1995 de leeftijd van 17 jaar nog niet had bereikt.
Verder heeft gedaagde aangenomen dat over het vierde kwartaal van 1994,
het derde kwartaal van 1995 en het eerste kwartaal van 1997 tot en met
het eerste kwartaal van 1998 een voldoende bijdrage is geleverd voor
aanspraak op kinderbijslag. Daarbij heeft gedaagde de
onderhoudsbijdragen per kwartaal verdeeld over het aantal kinderen
waarvoor recht op kinderbijslag kon bestaan, zijnde tot het eerste
kwartaal van 1997 zeven kinderen en sindsdien (na de 18e verjaardag van
[kind 2]) over zes kinderen. Gedaagde is van oordeel dat over het vierde
kwartaal van 1996 geen enkele onderhoudsbijdrage aan de verzorgster van
de kinderen is aangetoond en dat ten aanzien van de andere kwartalen,
waarover de weigering van kinderbijslag wordt gehandhaafd, sprake is van
een ontoereikende bijdrage. Een en ander heeft geleid tot
gegrondverklaring van het bezwaar ten aanzien van de weigering van
kinderbijslag voor [kind 4], [kind 5], [kind 6] en [kind 7] over het
vierde kwartaal van 1994, het derde kwartaal van 1995 en het eerste
kwartaal van 1997 tot en met het eerste kwartaal van 1998 en voor [kind
3] over het vierde kwartaal van 1994, het derde kwartaal van 1995 en
vanaf het vierde kwartaal van 1997. Voor het overige is het bezwaar
ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde in de aangevallen
uitspraak onderschreven, overwegende dat volgens vaste rechtspraak de
onderhoudsbijdrage aan alle kinderen voor een evenredig deel ten goede
komt en dat er geen grond is voor een andere toedeling nu voor [kind 1]
aanspraak op kinderbijslag kon bestaan.
In hoger beroep is wederom aangevoerd dat bij de verdeling van de
onderhoudsbijdrage over de kinderen geen rekening kon worden gehouden
met [kind 1], omdat voor hem geen recht op kinderbijslag bestond. Verder
is aangevoerd dat over het vierde kwartaal van 1996 wel voldaan is aan
de onderhoudseis. Daarbij is erop gewezen dat de verzorgster van de
kinderen gedurende dat kwartaal opgenomen was in een ziekenhuis en dat
door een broer van appellant op verzoek van de verzorgster cheques zijn
geïnd ten laste van de bankrekening van appellant voor het
levensonderhoud van de kinderen.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad stelt voorop dat appellant de weigering van kinderbijslag voor
[kind 1], vanaf het vierde kwartaal van 1994, voor [kind 2], vanaf het
eerste kwartaal van 1995, en voor [kind 3], over het vierde kwartaal van
1996 tot en met het derde kwartaal van 1997, wegens het ontbreken van
gegevens over hun studie, niet heeft aangevochten. Dit betekent dat het
geschil in hoger beroep is beperkt tot de vraag of gedaagdes weigering
van kinderbijslag, over het eerste, tweede en vierde kwartaal van 1995
en over het eerste tot en met derde kwartaal van 1996 voor [kind 3],
[kind 4], [kind 5], [kind 6] en [kind 7] en over het vierde kwartaal van
1996 voor laatstgenoemde vier kinderen, in rechte stand kan houden.
Door appellant zijn ten aanzien van deze kwartalen bewijsstukken
overgelegd waaruit blijkt dat door de verzorgster van de kinderen, met
uitzondering van het vierde kwartaal van 1996, in ieder kwartaal cheques
zijn geïnd ten laste van de bankrekening van appellant van steeds
(ongeveer) 25.000 Dh. Ten aanzien van het vierde kwartaal van 1996 is
een verklaring van de Banque Populaire overgelegd, waaruit blijkt dat
door een broer van appellant, [broer] op 18 oktober en 30 december 1996
cheques van respectievelijk 1.500 Dh en 25.000 Dh zijn geïnd ten laste
van de bankrekening van appellant. Daarbij is onder verwijzing naar een
medische verklaring aangevoerd dat de verzorgster van de kinderen van 27
september 1996 tot 4 januari 1997 opgenomen is geweest in een ziekenhuis
te Taza. De Raad is van oordeel dat gedaagde deze bedragen ten onrechte
niet als een bijdrage van appellant in het levensonderhoud van de
kinderen over het vierde kwartaal van 1996 heeft aangemerkt. Voor zover
de genoemde broer van appellant gedurende dit kwartaal al niet als -
tijdelijk - verzorger van de kinderen aangemerkt moet worden, zodat
reeds op die grond sprake is van een voldoende controleerbare bijdrage,
is de Raad van oordeel dat onder de hier geschetste bijzondere
omstandigheden, waardoor de verzorgster - in afwijking van de voor- en
nadien gelegen kwartalen - niet in staat was zelf de cheques te innen,
aangenomen moet worden dat sprake is van een voldoende controleerbare
bijdrage in het levensonderhoud van de kinderen.
Ten aanzien van de door appellant aangetoonde onderhoudsbijdragen is
tussen partijen voorts in geschil of deze tot 1 januari 1997 verdeeld
moeten worden over alle zeven kinderen waarvoor appellant kinderbijslag
heeft aangevraagd. De Raad stelt vast dat gedaagde hieromtrent een
beleid voert, dat mede is gebaseerd op vaste jurisprudentie van de Raad,
inhoudende dat onderhoudsbijdragen worden geacht gelijkelijk te zijn
besteed voor de in het betreffende huishouden verblijvende kinderen
waarvoor aanspraak op kinderbijslag kan bestaan. Partijen verschillen
van mening over de vraag of voor [kind 1] vanaf het vierde kwartaal van
1994 aanspraak op kinderbijslag kon bestaan.
De Raad is met gedaagde van oordeel dat voor [kind 1] over het vierde
kwartaal van 1994 tot en met het vierde kwartaal van 1995 op grond van
het in die kwartalen nog geldende artikel 26 van de AKW recht op
kinderbijslag kon bestaan als studerend kind van 18 jaar of ouder, zodat
over die kwartalen op grond van het hiervoor weergegeven beleid terecht
is besloten de onderhoudsbijdrage te verdelen over zeven kinderen. Het
feit dat appellant toen niet voldeed aan de voorwaarden om de aanspraak
op kinderbijslag tot gelding te laten komen laat onverlet dat die
aanspraak kon bestaan. De Raad is echter van oordeel dat vanaf het
eerste kwartaal van 1996 voor [kind 1] geen recht op kinderbijslag meer
kon bestaan, nu op grond van artikel XII van de Wet van 21 december 1995
slechts voor degene die over het vierde kwartaal van 1995 recht heeft op
kinderbijslag voor een kind artikel 26 van de AKW niet vervalt, indien
dat kind voldoet aan enkele nader omschreven voorwaarden. Op grond van
het feit dat appellant heeft berust in de weigering van kinderbijslag
over - onder meer - het vierde kwartaal van 1995 is rechtens komen vast
te staan dat hij geen recht heeft op kinderbijslag over dat kwartaal.
Dit betekent dat uit evengenoemd artikel XII voortvloeit dat vanaf het
eerste kwartaal van 1996 geen aanspraak op kinderbijslag meer kan
bestaan voor [kind 1], zodat op grond van voornoemd beleid de verdeling
van de onderhoudsbijdrage vanaf dat kwartaal over zes kinderen dient te
geschieden. Een dergelijke verdeling leidt ertoe dat sprake is van een
voldoende bijdrage in het onderhoud van de kinderen voor aanspraak op
kinderbijslag.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven.
Gedaagde zal met inachtneming van het hiervoor overwogene een nieuwe
beslissing op bezwaar dienen te nemen. Daarbij dient gedaagde tevens te
beoordelen of het surplus van de betaalde onderhoudsbijdragen over het
vierde kwartaal van 1994 en het derde kwartaal van 1995, mede gelet op
de toentertijd geldende uitvoeringspraktijk, geacht kan worden mede
bestemd te zijn voor een of meer volgende kwartalen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot
op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en €
644,- in hoger beroep, te betalen door de Sociale verzekeringsbank.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in
artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet stelt de Raad vast dat
gedaagde het griffierecht ad € 104,37 (voorheen: f 230,-) aan
appellant dient te vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het
bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met
inachtneming van het hiervoor overwogene;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep tot een bedrag groot € 1288,- te betalen door de
Sociale verzekeringsbank aan appellant;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het gestorte recht
van € 104,37 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B.
van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 mei
2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|