|
Uitspraak
00/5216
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 10 februari 1998 heeft gedaagde vastgesteld dat
appellant over het tweede kwartaal van 1996 tot en met het vierde
kwartaal van 1997 geen recht op kinderbijslag ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet heeft voor de kinderen [kind 1] en [kind 2].
Bij brief van 17 maart 1998 heeft een toenmalige gemachtigde van
appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Gedaagde heeft bij besluit van 15 oktober 1998 dit bezwaar gegrond
verklaard wat betreft het recht op kinderbijslag over het tweede
kwartaal van 1997 en ongegrond verklaard voor de overige kwartalen.
Een andere toenmalige gemachtigde van appellant heeft bij beroepschrift
van 24 november 1998, ingekomen bij de rechtbank Amsterdam op 7 december
1998, beroep ingesteld tegen het besluit van 15 oktober 1998 (hierna:
het bestreden besluit).
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 5 september 2000 dit
beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Bij beroepschrift van 10 oktober 2000 heeft mr. C.A.J. de Roy van
Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, tegen deze uitspraak hoger beroep
ingesteld. Bij brief van 16 februari 2001 heeft deze gemachtigde - onder
overlegging van een bijlage - de gronden van het hoger beroep ingediend.
Gedaagde heeft bij brief van 28 februari 2001 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 april 2002, waar
voor appellant zijn gemachtigde is verschenen en waar namens gedaagde -
met kennisgeving - niemand is verschenen.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak en de overige gedingstukken ontleent de
Raad de volgende voor zijn oordeelsvorming omtrent de
niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van appellant tegen het
bestreden besluit door de rechtbank Amsterdam van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Bij brief van 14 oktober 1998 heeft de rechtbank Amsterdam aan onder
andere het advocatenkantoor dat appellant in eerste aanleg heeft
bijgestaan meegedeeld - samengevat weergegeven - dat de rechtbank
Alkmaar en de rechtbank Amsterdam tot een samenwerkingsverband hebben
besloten dat er op neerkomt dat de rechtbank Alkmaar jaarlijks een
aantal socialeverzekeringszaken zal behandelen welke tot de competentie
van de rechtbank Amsterdam behoren. Het gaat dan om de verwerking van de
betreffende zaken in de Alkmaarse organisatie, terwijl ter voorkoming
van onder andere bevoegdheidsproblemen, de zittingen onder Amsterdamse
vlag in Amsterdam zullen worden gehouden. In verband hiermede is, aldus
deze brief, aan de districtskantoren Amstelveen en Sloterdijk van Gak
Nederland B.V. gevraagd vanaf 1 oktober 1998 in de beroepsclausule van
besluiten op bezwaar met betrekking tot het instellen van beroep bij de
rechtbank Amsterdam een vermelding "per adres Rechtbank Alkmaar,
(...)" op te nemen.
Het bestreden besluit is - naar tussen partijen in hoger beroep ook niet
meer in geschil is - op 15 oktober 1998 door toezending aan appellant en
zijn toenmalige gemachtigde bekendgemaakt. In de beroepsclausule aan het
slot van het bestreden besluit is onder andere vermeld dat beroep kan
worden ingesteld binnen zes weken na de dagtekening van het bestreden
besluit bij de rechtbank Amsterdam, postbus 75850, 1070 AW Amsterdam.
Het per falk courier aan de rechtbank Amsterdam gerichte beroepschrift
van 24 november 1998 is als volgt geadresseerd: "p/a Postbus 251
1800 BG Alkmaar", en is blijkens een daarop aangebracht stempel op
26 november 1998 bij de rechtbank Alkmaar ontvangen. Het beroepschrift
bevat voorts nog de vermelding dat het tevens per fax is verzonden. De
griffier van de rechtbank Alkmaar heeft bij brief van 4 december 1998
het beroepschrift met bijlagen doorgezonden aan de griffier van de
rechtbank Amsterdam, alwaar dit blijkens een op deze brief (en trouwens
ook op het beroepschrift) aangebracht stempel op 7 december 1998 is
ontvangen.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank Amsterdam - onder
aanhaling van de artikelen 6:7, 6:8, eerste lid, en 6:9, eerste lid, van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - vastgesteld dat de bekendmaking
van het bestreden besluit op 15 oktober 1998 betekent dat de termijn
voor het indienen van beroep op 16 oktober 1998 is aangevangen en op 26
november 1998 is geëindigd en dat de ontvangst van het beroepschrift
bij de rechtbank Amsterdam op 7 december 1998 betekent dat dit niet
binnen de in artikel 6:7 van de Awb geldende termijn is ingediend. Met
betrekking tot de ter zitting van de rechtbank op 22 augustus 2000
namens appellant voorgedragen stelling dat het beroepschrift is
ingediend bij de bevoegde rechter, is in de aangevallen uitspraak
gewezen op de hiervoor aangehaalde vermelding van de beroepsclausule aan
de voet van het bestreden besluit en de eerder aangegeven verzending
"per adres" van het beroepschrift. Volgens de rechtbank
Amsterdam is dan ook sprake van een onjuiste adressering van het
beroepschrift met als gevolg dat dit is ingediend bij een onbevoegde
rechter, die het beroepschrift vervolgens binnen de in de jurisprudentie
aanvaarde termijn van twee weken na ontvangst heeft doorgezonden aan de
rechtbank Amsterdam.
Met betrekking tot het beroep namens appellant op de artikelen 6:15,
derde lid, onder c, van de Awb, en 6:11 overwoog de rechtbank Amsterdam
in de aangevallen uitspraak, waarbij appellant is aangeduid als eiser en
gedaagde als verweerder, als volgt:
"Artikel 6:15, eerste lid Awb bepaalt dat indien het beroepschrift
wordt ingediend bij een onbevoegde administratieve rechter, het wordt
doorgezonden aan het bevoegde orgaan. Ingevolge het derde lid van dat
artikel is het tijdstip van de indiening bij het onbevoegde orgaan
bepalend voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend, indien:
a. (...);
b. (...);
c. de onbevoegdheid van het orgaan voor de indiener van het geschrift op
een andere grond onduidelijk kon zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank kan dit betoog niet slagen. Zoals
hierboven reeds vastgesteld staat aan de voet van het bestreden besluit
dat beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank Amsterdam, sector
bestuursrecht, postbus 75850, 1070 AW, Amsterdam. De omstandigheid dat
de gemachtigde van eiser kennelijk dacht dat alle nieuwe zaken naar de
rechtbank Alkmaar moeten worden gestuurd, berust niet op een juiste
voorstelling van zaken en dient voor de rekening en risico van de
gemachtigde van eiser te blijven.
Evenmin kan door het feit dat de rechtbank Amsterdam een aantal zaken
met betrekking tot de WAO door de rechtbank Alkmaar laat behandelen (in
welke zaken bovendien met het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen
is afgesproken dat in de beroepsclausule wordt vermeld dat beroep bij de
rechtbank Alkmaar moet worden ingesteld), een dusdanig verwarrende
situatie worden aangenomen dat op die grond het tijdstip van indiening
bij het onbevoegde orgaan terzake bepalend is.
Er zijn, ingevolge artikel 6:11 Awb, (voorts) geen feiten en/of
omstandigheden aangevoerd op grond waarvan redelijkerwijs niet kan
worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaar- of beroepschrift in
verzuim is geweest."
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant aangevoerd dat de
rechtbank Amsterdam door het samenwerkingsverband met de rechtbank
Alkmaar en de opgave van het adres van die rechtbank hetzij tevens
woonplaats heeft gekozen op het adres van de rechtbank Alkmaar, hetzij
haar relatieve competentie heeft verruimd, zodat sprake is van indiening
van het beroep bij de bevoegde rechter. Voorts heeft de gemachtigde zich
andermaal op artikel 6:15, derde lid, van de Awb beroepen en heeft zij
in dit verband gewezen op het wetsvoorstel tot wijziging van de Awb en
enkele aanverwante wetten naar aanleiding van de evaluatie van de Awb
(Eerste evaluatiewet Awb), dat onder meer inhoudt dat de onderdelen a
t/m c van het derde lid van artikel 6:15 komen te vervallen, zodat het
tijdstip van indiening bij de onbevoegde rechter bepalend wordt voor de
vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend. In aanmerking genomen
dat het samenwerkingsverband verwarring heeft gewekt, acht de
gemachtigde het in de rede liggen alvast vooruit te lopen op de
voorgestelde wijziging van artikel 6:15 van de Awb.
De Raad stelt voorop dat hij de overwegingen, die de rechtbank Amsterdam
hebben geleid tot een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, zoals
deze hiervoor zijn aangehaald dan wel (samengevat) weergegeven in grote
lijnen onderschrijft. De Raad voegt daar, gelet ook op hetgeen ter zake
in hoger beroep is aangevoerd, aan toe dat het samenwerkingsverband
tussen de rechtbanken Alkmaar en Amsterdam op geen enkele wijze heeft
geleid tot een verruiming van de bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam,
maar alleen zag op een administratieve verwerking van bepaalde zaken bij
de rechtbank Alkmaar. Uit de aard der zaak is alleen de wetgever in
formele zin bevoegd een verruiming van competentie als door de
gemachtigde van appellant bedoeld door middel van een daartoe geëigende
wetswijziging tot stand te brengen.
Met betrekking tot het beroep dat de gemachtigde heeft gedaan op de
inmiddels met ingang van 1 april 2002 in werking getreden wijziging van
artikel 6:15, derde lid, van de Awb ingevolge de Eerste evaluatiewet Awb
(Wet van 24 januari 2002, Stb. 2002, 53) wijst de Raad op artikel VII,
eerste lid, van die wet, dat regelt dat ten aanzien van de doorzending
van een bezwaar- of beroepschrift tegen een besluit dat voor de datum
van inwerkingtreding van deze wet is bekendgemaakt, artikel 6:15, derde
lid, van de Awb van toepassing blijft, zoals dat artikel luidde voor dat
tijdstip. Voor hetgeen de gemachtigde met zijn beroep op de voorgestelde
wijziging van artikel 6:15, derde lid, voorstond, hetgeen thans
overigens eerder zou neerkomen op het aannemen van terugwerkende kracht
aan die inmiddels in werking getreden wijziging, ziet de Raad dan ook
geen plaats.
Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat de rechtbank
Amsterdam het beroep van appellant tegen het bestreden besluit terecht
niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat de aangevallen uitspraak dient
te worden bevestigd.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere
partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B.
van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 mei
2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|