|
Uitspraak
99/4368
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 28 januari 1997 heeft appellant aan gedaagde medegedeeld
dat hij met ingang van het derde kwartaal van 1993 slechts recht heeft
op tweevoudige kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet
(AKW) voor zijn kind [kind 1] en vanaf het eerste kwartaal van 1994
slechts op enkelvoudige kinderbijslag voor zijn kind [kind 2]. Tevens is
medegedeeld dat over het tweede kwartaal van 1996 teveel kinderbijslag
in gezinsgrootte is betaald. Tenslotte heeft appellant de teveel
betaalde kinderbijslag van in totaal f 14.623,- van gedaagde
teruggevorderd.
Bij beslissing op bezwaar van 22 december 1997, hierna: het bestreden
besluit, is - onder meer - het bezwaar tegen het besluit van 28 januari
1997 ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 22 juli 1999 het tegen
het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit
vernietigd, voorzover daarin is beslist tot het ongegrond verklaren van
de bezwaren van gedaagde tegen het verlagen van de kinderbijslag in
verband met het niet meer uitwonend zijn van [kind 1] en [kind 2] en de
daaruit voortvloeiende terugvordering. Tevens is appellant veroordeeld
in de proceskosten van gedaagde en tot vergoeding van het griffierecht.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
beroepschrift aangevoerde gronden.
Namens gedaagde heeft mr. A.H.J. Strak, advocaat te Rotterdam, een
verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 13 maart 2002, waar partijen - met kennisgeving - niet
zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde is in 1965 gehuwd met [echtgenote], uit welk huwelijk onder
meer de kinderen [kind 1] en [kind 2] zijn geboren respectievelijk [in]
1974 en [in] 1977. Deze kinderen verblijven sedert hun geboorte in
Marokko. Verder zijn uit het huwelijk van gedaagde en [echtgenote] nog
een aantal kinderen geboren die hier te lande bij hun ouders woonden.
Appellant heeft in ieder geval vanaf het derde kwartaal van 1993 aan
gedaagde drievoudige kinderbijslag betaald voor [kind 1] en vanaf het
eerste kwartaal van 1994 tweevoudige kinderbijslag voor [kind 2].
Daarbij is appellant ervan uitgegaan dat deze kinderen uitwonend waren
en onderwijs volgden. Gedaagde heeft in oktober 1993 desgevraagd aan
appellant medegedeeld dat [kind 1] en [kind 2] vanaf 1980 uitwonend
waren op het adres "[adres] Marokko".
In maart 1996 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat hij [in] 1993
in Marokko is gehuwd met [echtgenote 2] die, evenals [kind 1] en [kind
2], zou verblijven bij een broer van gedaagde in Marokko. Vervolgens
hebben gedaagde en [echtgenote] in juni 1996 aan appellant verklaard dat
zij vanaf omstreeks februari/maart 1996 gescheiden leven. Gedaagde heeft
toen zijn aanspraak op kinderbijslag beperkt tot de kinderen [kind 1] en
[kind 2].
Appellant heeft vervolgens bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van
28 januari 1997 de aanspraak van gedaagde op kinderbijslag herzien en
nader vastgesteld voor [kind 1] met ingang van het derde kwartaal van
1993 op tweevoudige kinderbijslag en voor [kind 2] met ingang van het
eerste kwartaal van 1994 op enkelvoudige kinderbijslag. Daarbij is
appellant ervan uitgegaan dat [kind 1] en [kind 2] vanaf 1 juli 1993
behoorden tot het huishouden van gedaagde en [echtgenote 2] in Marokko,
zodat zij vanaf dat moment niet langer uitwonend waren. Verder heeft
appellant bij dit besluit vastgesteld dat de bij [echtgenote]
verblijvende kinderen vanaf het tweede kwartaal van 1996 niet langer mee
tellen voor de gezinsgrootte van gedaagde, omdat hij geen huishouden
meer met haar vormt, hetgeen tot gevolg heeft dat voor [kind 1] en [kind
2] vanaf dat kwartaal recht bestaat op een lager bedrag aan
kinderbijslag. Ten slotte heeft appellant de teveel betaalde
kinderbijslag over het derde kwartaal van 1993 tot en met het derde
kwartaal van 1995 en over het tweede kwartaal van 1996, in totaal f
14.623,-, van gedaagde teruggevorderd.
Bij het bestreden besluit heeft appellant tevens het besluit van 22
april 1997, omtrent de wijze van invordering van het teveel betaalde
bedrag van f 14.623,-, gehandhaafd.
De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant terecht de hoogte van de
kinderbijslag over het tweede kwartaal van 1996 heeft aangepast in
verband met de gewijzigde gezinsgrootte van gedaagde en dat appellant
bevoegd was de over dat kwartaal teveel betaalde kinderbijslag terug te
vorderen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de wijze waarop
appellant van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, door een bedrag van
f 369,- te verrekenen met de aanspraak op kinderbijslag over het derde
kwartaal van 1996, geen bezwaar ontmoet zodat het beroep tegen dit deel
van het bestreden besluit ongegrond verklaard dient te worden.
Ten aanzien van de herziening van de ten behoeve van [kind 1] en [kind
2] toegekende kinderbijslag heeft de rechtbank, onder verwijzing naar
vaste rechtspraak van de Raad, overwogen (waarbij appellant als
verweerder en gedaagde als eiser is aangeduid):
"(...) dat er in het algemeen van moet worden uitgegaan dat
iemand - althans bezien vanuit het oogpunt van de toepassing van de AKW
- niet meer dan één huishouden heeft, maar dat het op zichzelf niet
uitgesloten is te achten dat een verzekerde meer dan één huishouden
heeft. Daarvan zal dan echter uit de omstandigheden van het geval
ondubbelzinnig moeten blijken.
In dit geval heeft verweerder niet meer aangevoerd dan dat eiser zulks
zelf aan het loket heeft verklaard en dat eiser in de regel een half
jaar in Marokko verblijft en een half jaar in Nederland. De rechtbank is
van oordeel dat een loketrapport in verband met misverstanden ten
gevolge van eventuele communicatieproblemen in het algemeen onvoldoende
basis biedt om aan te nemen dat aan de voorwaarde van het
"ondubbelzinnig blijken" is voldaan.
Ook uit de verklaringen van 21 mei 1997 van de broer en van de moeder
van eiser, waarin gesteld wordt dat op dat moment ('actuellement') de
kinderen bij de broer wonen en dat de tweede echtgenote bij de moeder
van eiser woont, blijkt niet meer dan dat de moeder te [adres 2] commune
de [naam] woont, met de tweede vrouw van eiser en dat de broer met de
beide kinderen eveneens te commune rurale de [naam] woont. Dat de broer
en de moeder van eiser in de zelfde commune (= gemeente) wonen, betekent
naar het oordeel van de rechtbank niet dat ze ook op het zelfde adres
wonen, dus dezelfde woning of hetzelfde huishouden delen. De rechtbank
laat daar de vraag of moet worden aangenomen dat eiser met zijn tweede
echtgenote een tweede huishouden vormde nu de rechtbank onvoldoende
aannemelijk geworden acht dat de kinderen van eiser eveneens tot dat
huishouden behoorden.
Nu verweerder bij het bestreden besluit wel van die vooronderstelling is
uitgegaan, kan dat besluit - ook wat betreft de terug- en invordering
van het in dit verband als onverschuldigd aangemerkte bedrag aan
kinderbijslag - niet in stand blijven."
Appellant heeft in hoger beroep het volgende aangevoerd:
"Naar de mening van de Sociale Verzekeringsbank dient eiser te
worden geacht twee huishoudens te hebben gevoerd over de hier van belang
zijnde periode. De Sociale Verzekeringsbank is op basis van het volgende
tot deze conclusie gekomen.
Eiser heeft zelf aangegeven ieder jaar gedurende een half jaar in
Marokko te verblijven. Er is niet gebleken van een verstoorde relatie
tussen eiser en zijn eerste vrouw, die zich in Nederland bevindt,
althans niet voorafgaand aan de scheiding in het begin van 1996. Eiser
geeft aan altijd te hebben bijgedragen in het onderhoud van zijn tweede
vrouw in Marokko.
De rechtbank heeft geconcludeerd dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt
dat de beide kinderen tot het huishouden van eiser behoorden. Hierdoor
zou aan de vraag, of eiser met zijn tweede echtgenote een huishouden
vormt, niet worden toegekomen. Zoals uit hetgeen hierboven is gesteld
mag blijken, kan de beantwoording van deze twee vragen worden gekoppeld,
hetgeen het volgende resultaat oplevert.
Er is sprake van het hetzelfde adres, althans de Sociale
Verzekeringsbank heeft redelijkerwijs kunnen aannemen dat de genoemde
personen zich in de onmiddellijke nabijheid van elkaar hebben bevonden.
Door de koppeling met de vraag of eiser een huishouden vormt met zijn
tweede echtgenote, welke vraag de Sociale Verzekeringsbank bevestigend
heeft beantwoord, dient de conclusie te luiden dat de beide kinderen
niet als (zelfstandig) uitwonend kunnen worden beschouwd."
Namens gedaagde is in hoger beroep, onder verwijzing naar eerder
overgelegde verklaringen, herhaald dat [kind 1] en [kind 2] wonen bij
een broer van hem en niet bij zijn tweede echtgenote.
De Raad overweegt het volgende.
Voorop moet worden gesteld dat het geschil in hoger beroep is beperkt
tot de vraag of de herziening van de aanspraak op kinderbijslag voor
[kind 1] vanaf het derde kwartaal van 1993 en voor [kind 2] vanaf het
eerste kwartaal van 1994 en de terugvordering van de teveel betaalde
kinderbijslag voor die kinderen vanaf voornoemde kwartalen tot en met
het derde kwartaal van 1995 in rechte stand kunnen houden. Appellant is
van oordeel dat deze kinderen gedurende de in geschil zijnde kwartalen
niet langer uitwonend waren, omdat zij behoorden tot het - tweede -
huishouden van gedaagde in Marokko.
Het geschil spitst zich derhalve toe op de vragen of appellant terecht
heeft aangenomen dat gedaagde na zijn huwelijk met [echtgenote 2] [in]
1993 vanaf de peildatum van het derde kwartaal van 1993 (1 juli 1993)
tot en met de peildatum van het derde kwartaal van 1995 (1 juli 1995)
een tweede huishouden vormde met [echtgenote 2] in Marokko naast zijn
huishouden in Nederland met [echtgenote] en of [kind 1] en [kind 2]
gedurende die kwartalen deel uitmaakten van gedaagdes huishouden in
Marokko. Alleen wanneer beide vragen bevestigend worden beantwoord kan
immers aangenomen worden dat deze kinderen toentertijd niet langer
uitwonend waren, zodat de aanspraak op kinderbijslag voor hen op te hoge
bedragen is vastgesteld.
Zoals de Raad al vaker heeft overwogen ziet de term
"huishouden" in artikel 7 van de AKW naar algemeen
spraakgebruik en in de regel ook in de AKW op de feitelijke situatie van
gezamenlijk wonen. Verder heeft de rechtbank terecht verwezen naar vaste
rechtspraak van de Raad waaruit volgt dat er in het algemeen van
uitgegaan dient te worden dat een verzekerde ingevolge de AKW niet meer
dan één huishouden heeft. Slechts wanneer dit uit de omstandigheden
van het geval ondubbelzinnig blijkt kan aangenomen worden dat een
verzekerde meer dan één huishouden heeft.
De Raad is anders dan appellant van oordeel dat een zodanige
ondubbelzinnige situatie hier niet aan de orde is. Uit de gedingstukken
blijkt namelijk geenszins dat gedaagde gedurende de in geschil zijnde
kwartalen met enige duurzaamheid feitelijk heeft samengewoond met
[echtgenote 2]. Uit overgelegde brieven van SFB Uitvoeringsorganisatie
Sociale Verzekering N.V. blijkt weliswaar dat aan gedaagde toestemming
is gegeven om vanaf september 1995 voor bepaalde tijdvakken van zes
maanden in het buitenland te verblijven, doch deze gegevens - waaruit
overigens niets blijkt omtrent het feitelijk verblijf van gedaagde bij
[echtgenote 2] - hebben betrekking op tijdvakken gelegen na de hier van
belang zijnde peildata. Duidelijke gegevens waaruit kan worden afgeleid
dat gedaagde vanaf 1 juli 1993 tot en met 1 juli 1995 feitelijk in
Marokko heeft verbleven heeft de Raad niet aangetroffen. Verder
ontbreken duidelijke en controleerbare gegevens omtrent bijdragen van
gedaagde in het levensonderhoud van [echtgenote 2] en omtrent overige
contacten met haar gedurende voornoemd tijdvak. De Raad is derhalve van
oordeel dat op grond van de thans bekende gegevens niet gezegd kan
worden dat ondubbelzinnig is gebleken dat gedaagde vanaf 1 juli 1993,
naast zijn huishouden hier te lande, een tweede huishouden vormde in
Marokko met [echtgenote 2]. Dit betekent dat in het midden kan worden
gelaten of [kind 1] en [kind 2] toen op hetzelfde adres woonden als
[echtgenote 2] en de broer van gedaagde. Voorts volgt uit het
vorenstaande dat appellant er ten onrechte vanuit is gegaan dat
voornoemde kinderen gedurende de in geschil zijnde kwartalen niet langer
uitwonend waren.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak - voor zover aangevochten - op enigszins gewijzigde gronden
voor bevestiging in aanmerking komt, hetgeen met zich meebrengt dat
appellant met inachtneming van het in deze - s' Raads - uitspraak
overwogene een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten
van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-
voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, te betalen door
appellant.
Ten slotte stelt de Raad vast dat van appellant een griffierecht van €
327,- dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot € 322,- te betalen door appellant aan gedaagde;
Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 327,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. M.S.E Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B.
van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 mei
2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|