|
Uitspraak
00/5258
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 17 december 1998 heeft gedaagde aan appellant
medegedeeld dat hij over het vierde kwartaal van 1994 tot en met het
derde kwartaal van 1998 geen recht heeft op kinderbijslag ingevolge de
Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor zijn zes uitwonende kinderen [kind
1], geboren [in] 1982, [kind 2], geboren [in] 1984, [kind 3], geboren
[in] 1986, [kind 4], geboren [in] 1988, [kind 5], geboren [in] 1995 en
[kind 6], geboren [in] 1998.
Bij besluit op bezwaar van 17 maart 1999 is het bezwaar tegen dat
besluit in zoverre gegrond verklaard dat is beslist dat appellant alsnog
recht heeft op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 1997 en het
eerste kwartaal van 1998 voor zijn hiervoor genoemde kinderen, met
uitzondering van [kind 6].
De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 30 augustus 2000, verzonden
op 31 augustus 2000, het beroep tegen het besluit van 17 maart 1999
ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. L. Demmer, advocaat te Nieuwegein, bij
beroepschrift van 12 oktober 2000, tegen deze uitspraak hoger beroep
ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 26 april 2001 is namens appellant een nader stuk
ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 april
2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
Demmer voornoemd, en H. Bassit als tolk, en gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. G. van der Schuur, werkzaam bij de Sociale
Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant was tot 10 januari 1991 gehuwd met [vrouw], de moeder van zijn
kinderen. Na de echtscheiding is appellant naar Nederland gekomen en
zijn zijn kinderen bij zijn voormalig echtgenote in Marokko
achtergebleven. Appellant is vervolgens in Nederland in het huwelijk
getreden met [vrouw 2]. Dit huwelijk is geëindigd door een op 30
augustus 1995 uitgesproken echtscheiding, welke echtscheiding op 4
oktober 1995 is ingeschreven in het register van de gemeente
[woonplaats]. Appellant is [in] 1996 hertrouwd met [vrouw]. Op 18
december 1997 heeft appellant bij verweerder met maximale terugwerkende
kracht van drie jaar, kinderbijslag ingevolge de AKW aangevraagd voor
zijn kinderen die, volgens appellants opgave, bij een broer van hem in
Marokko verblijven.
Omdat appellant niet heeft aangetoond over het vierde kwartaal van 1994
tot en met het derde kwartaal van 1998 in voldoende mate te hebben
voldaan aan de vereiste bijdrage in het onderhoud van zijn in Marokko
verblijvende uitwonende kinderen, heeft gedaagde appellant het recht op
kinderbijslag over voornoemde kwartalen bij primair besluit van 17
december 1998 ontzegd.
Vervolgens heeft gedaagde bij het besluit van 17 maart 1999 appellants
bezwaren tegen het besluit van 17 december 1998 gedeeltelijk gegrond
verklaard in die zin dat over het vierde kwartaal van 1997 en over het
eerste kwartaal van 1998 wel recht op kinderbijslag bestaat voor vijf
kinderen, nu appellant over deze kwartalen aantoonbaar voldoende heeft
bijgedragen in het onderhoud van deze kinderen. De weigering van
kinderbijslag over het vierde kwartaal van 1994 tot en met het derde
kwartaal van 1997 en over het tweede en derde kwartaal van 1998 is met
het besluit van 17 maart 1999 gehandhaafd.
De rechtbank heeft appellants beroep tegen het besluit van 17 maart 1999
ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar artikel 7 van de AKW is de
rechtbank tot het oordeel gekomen dat appellants kinderen in de periode
van het vierde kwartaal van 1994 tot en met het tweede kwartaal van 1996
niet tot het huishouden van appellant behoorden, nu er door appellants
echtscheiding in 1991, zijn vertrek naar Nederland en zijn huwelijk in
Nederland, sprake is geweest van een breuk met een vrij definitief
karakter tussen appellant en zijn gezin in Marokko. Naar het oordeel van
de rechtbank heeft deze breuk in ieder geval geduurd tot [(...)] 1996,
de datum waarop appellant is hertrouwd met zijn voormalig echtgenote. De
rechtbank is voorts van oordeel dat deze breuk niet geacht kan worden
hersteld te zijn door de door appellant in deze kwartalen in Marokko
doorgebrachte vakantieperiodes. Voorts heeft de rechtbank ten aanzien
van de periode van het vierde kwartaal van 1994 tot en met het tweede
kwartaal van 1996 geoordeeld dat appellant met de door hem overgelegde
bankafschriften niet heeft aangetoond dat de opgenomen bedragen
voldoende zijn om aan de vereiste onderhoudsbijdrage te voldoen, noch
dat deze bedragen ten goede zijn gekomen aan de verzorg(st)er van de
kinderen. Ten aanzien van de resterende kwartalen, te weten het derde
kwartaal van 1996 tot en met het derde kwartaal van 1997 en het tweede
en derde kwartaal van 1998, oordeelt de rechtbank eveneens dat
appellants kinderen niet tot zijn huishouden behoorden. Niet gezegd kan
worden dat door het hertrouwen van appellant met zijn voormalig
echtgenote en een tweetal vakanties die appellant in 1997 en 1998 in
Marokko heeft doorgebracht, de reeds geruime tijd bestaande breuk
hersteld kan worden geacht. Voorts is de rechtbank ook ten aanzien van
deze kwartalen tot het oordeel gekomen dat appellant niet op voor
gedaagde eenvoudig te controleren wijze heeft aangetoond de minimaal
vereiste onderhoudsbijdrage te hebben geleverd.
In hoger beroep is namens appellant onder andere aangevoerd dat de
rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de breuk in het huishouden
niet hersteld kan worden geacht, nu het appellant, vanwege het ontbreken
van financiële middelen daartoe, niet kan worden verweten dat hij zijn
gezin niet naar Nederland heeft gehaald. Appellant stelt zich voorts op
het standpunt dat de overgelegde bankafschriften wel degelijk aantonen
dat hij de vereiste onderhoudsbijdragen heeft geleverd. Bovendien had de
rechtbank naar het oordeel van appellant dienen te beoordelen of hij
heeft voldaan aan de verplichting om de hoogte van de kinderbijslag naar
Marokko over te maken in plaats van de minimale onderhoudsbijdrage.
Appellant is voorts van oordeel dat de onderhoudsbijdrage naar
evenredigheid dient te worden verlaagd, indien het inkomen niet
toereikend is om de volledige onderhoudsbijdrage te voldoen. In dat
verband meent appellant in ieder geval ten behoeve van vier kinderen aan
de onderhoudsbijdrage te hebben voldaan.
De Raad overweegt als volgt.
In hoger beroep is tussen partijen in geschil of gedaagdes weigering van
aanspraak op kinderbijslag voor appellants in Marokko verblijvende
kinderen over de periode van het vierde kwartaal van 1994 tot en met het
derde kwartaal van 1997 en over het tweede en derde kwartaal van 1998,
in rechte stand kan houden.
Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad ziet de term huishouden naar
algemeen spraakgebruik en in de regel ook voor de toepassing van de AKW
op de feitelijke situatie van gezamenlijk wonen. Indien in die situatie
een - voorlopig - blijvende breuk is ontstaan, staat die eraan in de weg
om nog van een huishouden te spreken. Ten aanzien van uit het buitenland
afkomstige personen, die hun gezin achterlaten in het land van herkomst,
kan onder omstandigheden worden aangenomen dat zij een huishouden met
dat gezin zijn blijven vormen, waarvoor wel noodzakelijk is dat blijkt
van regelmatig contact met dat gezin en ook dat het gezin (aantoonbaar)
financieel wordt ondersteund door de betrokkene.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er, gelet op appellants
echtscheiding in 1991 en zijn vertrek naar en huwelijk in Nederland, tot
en met in ieder geval het tweede kwartaal van 1996 een breuk met een
vrij definitief karakter tussen appellant en zijn in Marokko
verblijvende gezin heeft bestaan, welke breuk naar het oordeel van de
Raad niet hersteld kan worden geacht door het enkele feit dat appellant
in de periode van het vierde kwartaal van 1994 tot en met het tweede
kwartaal van 1996 een aantal vakanties in Marokko heeft doorgebracht.
Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat
appellant met zijn voormalig echtgenote is hertrouwd [in] 1996
onvoldoende is om de reeds geruime tijd bestaande breuk in het
huishouden direct te herstellen. Wel kan het hertrouwen er onder
omstandigheden - en met name als er voldoende aanwijzingen daartoe
bestaan - toe leiden dat na verloop van tijd aangenomen kan worden dat
niet langer sprake is van een breuk tussen de betrokkene en zijn gezin.
De Raad is van oordeel dat in ieder geval vanaf het einde van 1997
sprake is van voldoende aanwijzingen als hiervoor bedoeld. Daarbij acht
de Raad van belang dat appellant in 1996 en 1997 zijn gezin in Marokko
tijdens de vakantie heeft bezocht, dat hij vanaf eind 1997 de
onderhoudsbijdrage voor zijn kinderen is gaan overmaken naar de
bankrekening van zijn echtgenote in Marokko en dat hij toen - blijkens
zijn verklaring ter zitting van de Raad - via brieven en cassettebandjes
contact onderhield met zijn gezin. De Raad is van oordeel dat onder deze
omstandigheden geconcludeerd moet worden dat appellant vanaf eind 1997
op een voor buitenlandse werknemers gebruikelijke wijze contact heeft
onderhouden met zijn gezin in Marokko, zodat vanaf dat moment weer van
een huishouden kan worden gesproken. Voor de thans in geding zijnde
kwartalen betekent dit naar het oordeel van de Raad dat appellant over
het tweede en derde kwartaal van 1998 alsnog recht heeft op
kinderbijslag voor vijf, respectievelijk zes, kinderen, nu appellant
geacht wordt weer een huishouden met zijn in Marokko verblijvend gezin
te vormen.
Het voorgaande betekent dat appellant, wil hij recht kunnen hebben op
kinderbijslag over de periode van het vierde kwartaal van 1994 tot en
met het derde kwartaal van 1997, op voor gedaagde eenvoudig te
controleren wijze dient aan te tonen dat hij zijn kinderen in deze
kwartalen in belangrijke mate heeft onderhouden. Daarbij is van belang
dat de onderhoudsbijdragen overgemaakt moeten worden aan, en opgenomen
moeten worden door, de verzorg(st)er van de kinderen en dat overmakingen
op een eigen bankrekening van appellant niet als een bijdrage ten
behoeve van de kinderen kunnen worden aangemerkt. De Raad heeft
geconstateerd dat appellant in de hier nog in geding zijnde kwartalen
bedragen heeft overgemaakt naar zijn eigen bankrekening in Marokko. Deze
bedragen zijn te laag om aan het vereiste van de minimale
onderhoudsbijdrage te voldoen. Nu voorts niet is aangetoond dat deze
bedragen terecht zijn gekomen bij de verzorg(st)er van de kinderen, is
de Raad van oordeel dat gedaagde terecht kinderbijslag aan appellant
heeft geweigerd over het vierde kwartaal van 1994 tot en met het derde
kwartaal van 1997. Aan de op 13 maart 2001 afgelegde verklaring van
appellants moeder dat de bedragen, vermeld op de door een derde
verzilverde bankcheques, aan haar zijn uitbetaald ten behoeve van het
levensonderhoud van appellants kinderen, kan de Raad niet die betekenis
toekennen die appellant daaraan wenst te geven.
Voor dit geding ten overvloede overweegt de Raad nog dat in de tekst van
artikel 7 van de AKW en in de Beschikking van 24 juni 1983, nr. 52304,
en na 1 oktober 1995, in het Besluit onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag
(Koninklijk besluit van 21 september 1995, Stb. 1995, 451) alsmede in de
jurisprudentie van de Raad, geen aanknopingspunten te vinden zijn voor
appellants stelling dat de onderhoudsbijdrage naar evenredigheid van
zijn inkomen verlaagd dient te worden. Zoals de Raad al meermalen in
zijn jurisprudentie heeft overwogen (onder andere in RSV 1988/226 en RSV
1990/92) is er bovendien geen ruimte om, zoals appellant wenst, de door
hem overgemaakte onderhoudsbijdragen slechts aan vier van zijn kinderen
toe te rekenen.
Aldus komt de Raad tot oordeel dat het hoger beroep doel treft en dat
het besluit van 17 maart 1999, alsmede de aangevallen uitspraak, voor
zover betrekking hebbend op het recht op kinderbijslag over het tweede
en derde kwartaal van 1998, voor vernietiging in aanmerking komen.
De Raad acht op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene
wet bestuursrecht termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten
worden begroot op € 322,- voor in beroep verleende rechtsbijstand en
op € 644,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand en € 4,- aan reiskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep voor zover betrekking hebbend op het
tweede en derde kwartaal van 1998 alsnog gegrond;
Vernietigt het besluit van 17 maart 1999 in zoverre;
Verklaart dit beroep voor het overige ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag
groot € 970,-;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het betaalde griffierecht van €
104,37 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. M.S.E. Wulffraat-Van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B.
van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 mei
2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.). J.J.B. van der Putten.
|
|