|
Uitspraak
01/2323
AKW en 01/5979 AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 4 maart 1999 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld
dat zij met ingang van het derde kwartaal van 1998 geen recht heeft op
kinderbijslag en dat het over het derde kwartaal van 1998 betaalde
bedrag aan kinderbijslag wordt teruggevorderd.
Bij besluit van 31 december 1999 (hierna: bestreden besluit 1) heeft
gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 4 maart 1999 ongegrond
verklaard.
De rechtbank Dordrecht heeft bij uitspraak van 23 maart 2001 het beroep
tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. F.H. Barwegen, advocaat te Utrecht, op bij
beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen die
uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 13 november 2001 (hierna: bestreden besluit 2) heeft
gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 maart 1999
gegrond verklaard en aan haar alsnog kinderbijslag toegekend over het
derde kwartaal van 1998. Gedaagde heeft het standpunt gehandhaafd dat
appellante ingaande het vierde kwartaal van 1998 geen recht heeft op
kinderbijslag.
De griffier van de Raad heeft aan partijen medegedeeld dat tevens een
oordeel zal worden gegeven over het beroep tegen bestreden besluit 2.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 juni
2002. Namens appellante is daar verschenen mr. Barwegen, voornoemd.
Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door E.W. Viertelhauzen,
werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.
Appellante heeft de Surinaamse nationaliteit en verblijft sedert 1993 in
Nederland. Zij is gehuwd geweest met een Nederlander en beschikte uit
hoofde daarvan over een vergunning tot verblijf. In 1996 is de
samenwoning verbroken en in 1998 is het huwelijk ontbonden. Op 11
september 1996 heeft appellante een aanvraag om een vergunning tot
verblijf ingediend, welke aanvraag op 20 juni 1997 is afgewezen. Het
daartegen ingestelde bezwaar is op 23 december 1997 ongegrond verklaard
en het vervolgens ingestelde beroep is op 25 augustus 1998 ongegrond
verklaard. Daarna heeft zij op 31 augustus 1998 opnieuw een aanvraag om
een vergunning tot verblijf ingediend. Appellante werkt vanaf september
1996 in loondienst, waarvoor geen tewerkstellingsvergunning is
afgegeven.
Bij bestreden besluit 2 heeft gedaagde alsnog over het derde kwartaal
van 1998 aan appellante kinderbijslag toegekend. Met ingang van het
vierde kwartaal van 1998 handhaaft gedaagde zijn standpunt dat
appellante geen recht heeft op kinderbijslag, omdat zij niet als
verzekerde ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) is aan te
merken, nu zij vanaf 25 augustus 1998 niet rechtmatig verblijf houdt in
Nederland in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de
Vreemdelingenwet (Vw), ook niet rechtmatig arbeid in Nederland verricht
en er evenmin sprake is van voortgezet rechtmatig verblijf als bedoeld
in artikel 6, vierde lid, van de AKW, zoals dit artikel luidt sedert de
invoering van de zogenoemde Koppelingswet (Stb. 1998, 204) per 1 juli
1998.
Namens appellante is aangevoerd dat zij ook vanaf 1 oktober 1998
verzekerd is gebleven voor de AKW op grond van haar arbeid in loondienst
en de aanvraag om een vergunning tot verblijf die zij op 31 augustus
1998 heeft ingediend.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante op grond van het
bepaalde in de AKW, zoals die wet sedert de invoering van de
Koppelingswet per 1 juli 1998 luidt, ingaande het derde kwartaal van
1998 niet (langer) verzekerd was ingevolge de AKW, zodat zij over dat
kwartaal geen recht meer kon doen gelden op kinderbijslag. Appellante
was immers geen vreemdeling die op 1 juli 1998 in Nederland rechtmatig
verblijf hield in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de toen
geldende Vw en zij kon ook niet op grond van het Besluit uitbreiding en
beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (Stb. 1989, 164) als
verzekerd aangemerkt worden.
In zijn uitspraken van 26 juni 2001 betreffende de toepassing van de
Koppelingswet, onder meer gepubliceerd in RSV 2001/188 en 216 en USZ
2001/183 en 186, heeft de Raad vastgesteld dat in die wet sprake is van
een onderscheid naar nationaliteit. Voorts heeft de Raad tot uitdrukking
gebracht dat bij de toetsing van dit onderscheid aan artikel 26 van het
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)
het uitgangspunt van de Koppelingswet wat zijn doelstelling en
gehanteerd middel betreft bij hem in het algemeen niet op bedenkingen
stuit en dat dit ook geldt voor de toepassing van de Koppelingswet op de
categorie vreemdelingen genoemd in onderdeel 3 van artikel 1b van de Vw.
Dat zijn vreemdelingen die in afwachting zijn van een beslissing op een
aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen,
terwijl ingevolge de Vw dan wel op grond van een rechterlijke
beschikking uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven
totdat op de aanvraag is besloten.
De Raad heeft voorts geoordeeld dat de gerechtvaardigdheid van de
koppelingswetgeving zoals deze gestalte heeft gekregen in de Algemene
bijstandswet (Abw), de AKW en de werknemersverzekeringen, in ieder geval
ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli
1998 om toelating verzoekt.
Een uitzondering is gemaakt voor degenen aan wie onder de tot 1 juli
1998 geldende regeling met toepassing van artikel 12 (oud) van de Abw
bijstand is verleend of die op reguliere wijze hun verzekeringspositie
krachtens de volksverzekeringen en de werknemersverzekeringen hebben
verworven en die op 1 juli 1998 rechtmatig hier te lande verbleven in de
zin van artikel 1b, onder 3, van de Vw. Voor hen geldt dat er
onvoldoende grond is om de verworven rechtspositie op andere wijze te be๋indigen
dan als voorzien in laatstgenoemde bepaling, te weten eerst wanneer
sprake is van een (definitieve) negatieve beslissing op het v๓๓r 1
juli 1998 ingediende verzoek om toelating.
Gelet op de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval stelt de
Raad vast dat appellante behoort tot de hiervoor als laatste omschreven
groep personen. Bij uitspraak van 25 augustus 1998 is echter definitief
negatief beslist op haar v๓๓r 1 juli 1998 ingediende verzoek om
toelating. Dat betekent dat zij vanaf dat moment niet meer valt onder de
groep waarvoor in bovengenoemde jurisprudentie van de Raad een
uitzondering is gemaakt en dat zij vanaf dat moment ten volle valt onder
de werking van de Koppelingswet.
De Raad is derhalve van oordeel dat de weigering van kinderbijslag aan
appellante vanaf het vierde kwartaal van 1998, op de grond dat
appellante niet langer verzekerd was ingevolge die wet, niet in rechte
aantastbaar is. Uit het hiervoor overwogene vloeit reeds voort dat het
enkele gegeven dat appellante op 31 augustus 1998 andermaal een verzoek
om verlening van een vergunning tot verblijf heeft ingediend niet tot
een ander oordeel kan leiden.
De Raad overweegt voorts dat bepalend is voor het antwoord op de vraag
of appellante met ingang van het vierde kwartaal van 1998 verzekerd is
ingevolge de AKW de situatie op de peildatum van het vierde kwartaal van
1998, en niet de situatie op de datum van het primaire besluit, zoals
ter zitting namens appellante is betoogd. Nu appellante voorts niet uit
hoofde van haar arbeid in Nederland als verzekerde ingevolge de AKW kan
worden aangemerkt, moet worden geconcludeerd dat bestreden besluit 2 in
rechte kan standhouden.
Nu gedaagde bestreden besluit 1 niet handhaaft en niet is gebleken van
een belang van appellante bij een oordeel van de Raad over dat besluit,
dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het beroep
tegen bestreden besluit 2 wordt ongegrond verklaard.
De Raad acht termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellante. Deze zijn begroot op 644,-- in beroep en 644,--
in hoger beroep. Tevens dient gedaagde het door appellante betaalde
griffierecht van in totaal 104,37 (voorheen f 230,--) aan haar te
vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 13 november 2001 ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, begroot op
1288,--;
Bepaalt dat gedaagde het door appellante betaalde griffierecht ad
104,37 aan haar vergoedt.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. F.P. Zwart en
mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|