|
Uitspraak
00/4460
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 3 juni 1999 heeft gedaagde aan appellant over het tweede
kwartaal van 1999 de aanspraak op kinderbijslag ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) voor zijn kind [kind] ontzegd.
Bij beslissing op bezwaar van 28 oktober 1999 (het bestreden besluit)
heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 3 juni 1999 ongegrond
verklaard.
De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 15 augustus 2000 het tegen
het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant is tegen deze uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 juni
2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E.Th.
Hummels, advocaat te Zeist, en mw. H. Bassit als tolk, en waar gedaagde
zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma-Hovers, werkzaam
bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellants zoon [kind], geboren [in] 1981, heeft van 23 november 1998
tot 5 april 1999 als cursist ingeschreven gestaan bij het
[opleidingsinstituut] en achtereenvolgens de programma's Assessment en
oriλntatie (A&O) en Traject naar opleidingen (TnO) gevolgd.
Gedaagde heeft geweigerd appellant kinderbijslag toe te kennen over het
tweede kwartaal van 1999, onder de overweging dat appellants zoon niet
voldeed aan het bepaalde in artikel 7, tweede lid, van de AKW, met name
niet aan de eis dat hij onderwijs in de zin van genoemde bepaling
volgde.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat het A&O/TnO
programma diende als noodzakelijke voorbereiding op MBO-onderwijs en als
zodanig onderwijs in de zin van de AKW was, ook ingevolge de
beleidsregels van gedaagde. Voorts is aangevoerd dat voor de
vaststelling van het recht op kinderbijslag ingevolge artikel 11, tweede
lid, van de AKW de peildatum doorslaggevend is, mede voor wat betreft de
eis van artikel 7, tweede lid, sub a, van de AKW.
Ingevolge artikel 7, tweede lid, sub a, van de AKW bestaat recht op
kinderbijslag, indien het kind in verband met onderwijs of een
beroepsopleiding overdag lessen of stages volgt gedurende gemiddeld
tenminste 213 klokuren per kwartaal. Tussen partijen is in geding of
appellants zoon voldeed aan deze voorwaarde.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank heeft gedaan,
ontkennend en overweegt daartoe het volgende.
Appellants zoon volgde in het in geding zijnde kwartaal van 1 t/m 5
april het programma TnO. Dit programma is, zoals de rechtbank ook heeft
vastgesteld, niet gericht op het behalen van een diploma noch dient het
als noodzakelijke voorbereiding op MBO-onderwijs. Het programma beoogt
slechts om leemtes in de kennis van betrokkene weg te nemen teneinde de
overstap naar de beroepsopleiding te vergemakkelijken. Dit is evenwel
onvoldoende om het programma als onderwijs in de zin van de AKW aan te
merken.
Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr.
J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 juli
2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.D. Streefkerk.
|
|