|
Uitspraak
01/1062
AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 28 september 1998 heeft gedaagde aan appellant
medegedeeld dat hij vanaf het derde kwartaal van 1998 geen recht heeft
op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), omdat hij
niet verzekerd is ingevolge die wet.
Bij beslissing op bezwaar van 25 januari 1999, hierna: het bestreden
besluit, is het bezwaar tegen het besluit van 28 september 1998
ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 29 december 2000 het
tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. P.J. de Graaf, advocaat te Utrecht, van die
uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 juni
2002, waar namens appellant is verschenen mr. De Graaf, voornoemd, en
waar gedaagde zich - met kennisgeving - niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Appellant is [in] 1970 geboren en bezit de Turkse nationaliteit.
Blijkens een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie heeft
appellant zich [in] 1991 hier te lande gevestigd. [in] 1998 heeft
appellant bij de vreemdelingenpolitie Amsterdam een verzoek om verlening
van een vergunning tot verblijf ingediend. Gedaagde heeft kennelijk
voorafgaand aan het derde kwartaal van 1998 kinderbijslag aan appellant
betaald ten behoeve van een drietal kinderen.
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 28 september 1998 heeft
gedaagde aan appellant medegedeeld dat hij vanaf het derde kwartaal van
1998 geen recht heeft op kinderbijslag ingevolge de AKW, omdat hij
ingaande 1 juli 1998 niet (langer) als verzekerd ingevolge die wet
aangemerkt kan worden. Dit besluit is gebaseerd op artikel 6, tweede
lid, van de AKW, zoals dit artikel luidt sedert de invoering van de
zogenoemde Koppelingwet (Stb. 1998, 204) per 1 juli 1998. In dit
artikellid is bepaald dat niet verzekerd is de vreemdeling die niet
rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef
en onder 1, van de toen geldende Vreemdelingenwet (Vw).
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard,
overwegende dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant vanaf 1
juli 1998 niet verzekerd was ingevolge de nationale regelgeving. Het
beroep van appellant op het uit de koppelingswetgeving voortvloeiende
directe onderscheid naar nationaliteit, welk onderscheid ingevolge
artikel 8 van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid (Trb.
1976/158) en artikel 3 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid (Trb.
1966/155) volgens hem is verboden, heeft de rechtbank onder verwijzing
naar haar uitspraak van 4 augustus 1999 (RSV Actueel, 1999 nr. 11)
verworpen.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat hij voor 1 juli 1998
al een rechtspositie hier te lande had opgebouwd, in verband met
werkzaamheden vanaf 1989 en het ontvangen van kinderbijslag. Verder
heeft appellant zijn beroep op discriminatie naar nationaliteit
herhaald, waarbij mede is verwezen naar artikel 14 van het Europees
Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
De Raad overweegt het volgende.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant op grond van het
bepaalde in de AKW, zoals die wet sedert de invoering van de
Koppelingswet per 1 juli 1998 luidt, ingaande het derde kwartaal van
1998 niet (langer) verzekerd was ingevolge de AKW, zodat hij over dat
kwartaal geen recht meer kon doen gelden op kinderbijslag. Appellant was
immers geen vreemdeling die op 1 juli 1998 in Nederland rechtmatig
verblijf hield in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw en
hij kon ook niet op grond van het Besluit uitbreiding en beperking kring
verzekerden volksverzekeringen 1989 (Stb. 1989, 164) als verzekerd
aangemerkt worden.
In zijn uitspraken van 26 juni 2001 betreffende de toepassing van de
Koppelingswet, onder meer gepubliceerd in RSV 2001/188 en 216 en USZ
2001/183 en 186, heeft de Raad vastgesteld dat in die wet sprake is van
een onderscheid naar nationaliteit. Voorts heeft de Raad tot uitdrukking
gebracht dat bij de toetsing van dit onderscheid aan artikel 26 van het
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)
het uitgangspunt van de Koppelingswet wat zijn doelstelling en
gehanteerd middel betreft bij hem in het algemeen niet op bedenkingen
stuit en dat dit ook geldt voor de toepassing van de Koppelingswet op de
categorie vreemdelingen genoemd in onderdeel 3 van artikel 1b van de Vw.
Dat zijn vreemdelingen die in afwachting zijn van een beslissing op een
aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen,
terwijl ingevolge de Vw dan wel op grond van een rechterlijke
beschikking uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven
totdat op de aanvraag is besloten.
De Raad heeft voorts geoordeeld dat de gerechtvaardigdheid van de
koppelingswetgeving zoals deze gestalte heeft gekregen in de Algemene
bijstandswet (Abw), de AKW en de werknemersverzekeringen, in ieder geval
ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli
1998 om toelating verzoekt.
Een uitzondering is gemaakt voor degenen aan wie onder de tot 1 juli
1998 geldende regeling met toepassing van artikel 12 (oud) van de Abw
bijstand is verleend of die op reguliere wijze hun verzekeringspositie
krachtens de volksverzekeringen en de werknemersverzekeringen hebben
verworven en die op 1 juli 1998 rechtmatig hier te lande verbleven in de
zin van artikel 1b, onder 3, van de Vw. Voor hen geldt dat er
onvoldoende grond is om de verworven rechtspositie op andere wijze te beëindigen
dan als voorzien in laatstgenoemde bepaling, te weten eerst wanneer
sprake is van een (definitieve) negatieve beslissing op het vóór 1
juli 1998 ingediende verzoek om toelating.
Gelet op de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval stelt de
Raad vast dat appellant niet behoort tot de hiervoor omschreven groep
personen. Appellant heeft weliswaar kennelijk tot 1 juli 1998
kinderbijslag ontvangen voor zijn kinderen, hetgeen betekent dat hij een
verzekeringspositie krachtens de AKW had opgebouwd, maar hij verbleef op
1 juli 1998 in ieder geval niet rechtmatig in Nederland in de zin van
artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw. De Raad is derhalve van
oordeel dat de weigering van kinderbijslag aan appellant vanaf het derde
kwartaal van 1998, op de grond dat appellant niet langer verzekerd was
ingevolge die wet, niet als strijdig met artikel 26 van het IVBPR kan
worden bestempeld. Uit het hiervoor overwogene vloeit reeds voort dat
het enkele gegeven dat appellant op 8 december 1998 een verzoek om
verlening van een vergunning tot verblijf heeft ingediend niet tot een
ander oordeel kan leiden.
De Raad merkt ten slotte nog op dat toetsing aan de overige door
appellant in beroep en hoger beroep genoemde verdragsbepalingen tot
hetzelfde oordeel leidt.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding
van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|